Leviticus 23:4-14
Opnieuw worden de feesten hier de hoogtijden des Heeren genoemd, omdat Hij ze ingesteld heeft. Jerobeams feest, dat hij uit zijn hart bedacht had, 1 Koningen 12:33, was een belediging aangedaan aan God en een smaad voor het volk. Deze hoogtijden moesten uitgeroepen worden op hun gezette tijd, vers 4, en de tijden, die God er voor verkozen heeft waren in Maart of April, Mei of Juni en September of Oktober, (naar onze tegenwoordige tijdrekening) niet in de winter, omdat reizen dan ongerieflijk zou wezen, als de dagen kort en de wegen in slechte toestand zijn, niet in het midden van de zomer, omdat zij in die landen dan hun oogst inzamelden van koren en wijn, en zij dan van hun landelijke werkzaamheden slecht gemist konden worden. Zo genadiglijk, zo vriendelijk gaat God in Zijn bepalingen te rade met ons gerief, waarmee Hij ons verplicht in het waarnemen er van, Zijn eer op het oog te hebben, en er niet over te klagen, alsof het een last was. De plechtigheden, hun voorgeschreven, waren:
1. Velen, en zij keerden dikwijls terug, waarmee bedoeld was een diep besef van God en Godsdienst in hen te bewaren, en hun neiging tot de bijgelovigheden van de heidenen te voorkomen. God hield hen gedurig bezig in Zijn dienst, omdat zij geen tijd zouden hebben om te luisteren naar de verzoekingen van de afgodische nabuurschap, waarin zij woonden.
2. De meesten er van waren tijden van vreugde en verheuging. De wekelijkse sabbat is dit, en al hun jaarlijkse feesten, behalve de verzoendag. God heeft hen aldus willen leren, dat de wegen van de wijsheid wegen van de lieflijkheid zijn, en hen verbinden tot Zijn dienst door hen aan te moedigen om er blijmoedig in te zijn, en te zingen bij hun werk. Zeven dagen waren dagen van strenge rust en heilige samenroepingen, de eerste en de zevende dag van het feest van de ongezuurde broden, de dag van pinksteren, de dag van het feest van de bazuinen, de eerste en de achtste dag van het loofhuttenfeest, en de verzoendag, zes voor heilige vreugde en een voor heilig treuren. Er is ons bevolen ons te allen tijde te verblijden, maar niet om te allen tijde te wenen. Hier is:
A. Een herhaling van de wet op het pascha, dat gehouden moest worden op de veertiende dag van de eerste maand, ter herinnering aan hun bevrijding uit Egypte en de onderscheidende bewaring van hun eerstgeborenen, zegeningen en weldadigheden die nooit vergeten moesten worden. Dit feest moest beginnen met het slachten van het paaslam, vers 5. Het moest zeven dagen duren, gedurende al die tijd zij treurbrood moesten eten, ongezuurd brood, vers 6, en de eerste en de laatste van de zeven moesten dagen zijn van heilige rust en heilige samenroeping, vers 7, 8. Het waren geen dagen om door te brengen in ledigheid of wereldse vermaken, (zoals velen, die zich Christenen noemen, hun feestdagen doorbrengen) er moest vuuroffer de Heere geofferd worden op Zijn altaar, en wij hebben reden te geloven, dat aan het volk geleerd werd hun tijd door te brengen in gebed en lofzegging en Godvruchtige overdenking.
B. Een bevel om een garf van de eerstelingen van de oogst te offeren, op de tweede dag van het feest van de ongezuurde broden, de eerste wordt de sabbat genoemd, omdat hij als een sabbat wordt waargenomen, vers 11, en op de daarop volgende morgen hadden zij deze plechtigheid. Een garf of handvol nieuw koren werd tot de priester gebracht, die dat moest opheffen ten teken van zijn aanbieding er van aan de God des hemels en haar heen en weer bewegen voor de Heere, als de Heere van de gehele aarde, opdat het voor hen aangenaam zou zijn als een dankbare erkentenis van Gods goedertierenheid jegens hen daar Hij hun velden bekleedt met koren, en van hun afhankelijkheid van Hem en hun begeerte en verwachting, dat Hij het zal bewaren voor hun gebruik. Want het was de uitdrukking beide van gebed en lofzegging, vers 11. Daarmee moest ook een lam ten brandoffer geofferd worden, vers 12. Gelijk het offer van dieren over het algemeen vergezeld ging van spijsoffers, zo ging dit offer van koren gepaard met een brandoffer, opdat brood en vlees tezamen op Gods tafel gebracht zouden worden. Het is hun verboden van hun nieuwe koren te eten, voordat deze handvol aan God geofferd was, want het was betamelijk dat, als God en Israël tezamen maaltijd houden, Hij het eerst bediend zou worden. En het offeren van deze garf van de eerstelingen van de oogst in de naam van geheel de vergadering heeft als het ware hun gehele oogst voor hen geheiligd en hun het gebruik gegeven van al het overige, want dan kunnen wij ons brood eten met vreugde, als wij naar onze mate onze plicht jegens God hebben volbracht, en God onze werken heeft aangenomen, want aldus zullen al onze genietingen ons rein worden. Nu
a. Was deze wet hun thans gegeven, hoewel zij niet in de gelegenheid waren om haar in werking te brengen voor zij in Kanaän kwamen, in de woestijn zaaiden zij geen koren. Maar dat God hen daar spijzigde met brood van de hemel legde hun later de verplichting op om Hem niet met tegenzin Zijn deel te geven van hun brood uit de aarde. Wij bevinden dat toen zij in Kanaän kwamen, het manna ophield op dezelfde dag dat de garf van de eerstelingen van de oogst geofferd werd, de dag tevoren hadden zij van het oude koren gegeten, Jozua 5:11, en toen hebben zij op deze dag de eerstelingen geofferd, waardoor zij ook op het nieuwe koren recht verkregen, vers 12, en het manna dus niet meer nodig was.
b. Deze garf van de eerstelingen was een type van onze Heere Jezus, die opgestaan is van de doden als de eersteling van degenen, die ontslapen zijn, 1 Corinthiërs 15:20. Deze "Spruit des" "Heeren," Jesaja 4:2. werd Hem toen aangeboden, krachtens de offerande van zichzelf, het Lam Gods, en het was voor ons aangenaam, dat is: het werd voor ons aangenomen. Het is zeer opmerkelijk dat onze Heere Jezus opgestaan is van de doden op dezelfde dag dat de eerstelingen van de oogst geofferd werden, om aan te tonen dat Hij het wezen was van deze schaduw.
c. Door deze wet wordt ons geleerd om "de Heere te vereren van ons" "goed en van de eerstelingen van al onze inkomsten," Spreuken 3:9. Zij moesten van hun nieuwe koren geen brood eten, voordat er aan God Zijn deel van geofferd was vers 14, want wij moeten altijd met God beginnen, ons leven met Hem beginnen, elke dag met Hem beginnen, elke maaltijd met Hem beginnen, iedere zaak en elk werk met Hem beginnen: zoek eerst het koninkrijk Gods.