Mattheus 18:15-20
Christus, Zijne discipelen gewaarschuwd hebbende tegen het geven van ergernissen, gaat er nu toe over hun raad en leiding te geven voor hetgeen zij doen moeten in geval hun ergernis wordt gegeven, hetgeen verstaan kan worden: of van persoonlijke schade of leed, en dan strekken Zijne aanwijzingen tot bewaring van den vrede in de gemeente, of van openbare ergernissen, en dan zijn zij bestemd om de reinheid en schoonheid der gemeente te bewaren. Laat ons beide zaken overdenken.
I. Laat ons het toepassen op twistingen, die over enigerlei zaak in de gemeente ontstaan. Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft door uwe ziel te bedroeven, 1 Corinthiërs 8:12, door u te beledigen, of door smaad en verachting over u uit te storten, indien hij uw goeden naam schaadt door een vals gerucht of door achterklap, indien hij inbreuk maakt op uwe rechten, of u op enigerlei wijze schade en nadeel toebrengt in uwe bezittingen, indien hij schuldig is aan de misdaden, genoemd in Leviticus 6:2, 3, indien hij overtreedt tegen de wetten der gerechtigheid, der barmhartigheid, enz., dat zijn zonden tegen ons, en komen dikwijls voor onder de discipelen van Christus, en, vanwege gebrek aan voorzichtigheid, komen er zeer boze gevolgen uit voort. Laat ons nu acht geven op den regel, die voor zulk een geval is voorgeschreven.
1. Ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen. Laat dit nu vergeleken worden met, en verklaard worden door, Leviticus 19:17. Gij zult uwen broeder in uw hart niet haten, dat is: Indien gij misnoegen tegen hem hebt opgevat wegens ene grief, ene belediging, die hij u heeft aangedaan, of ene schade, die hij u heeft toegebracht, laat uw toorn dan niet rijpen tot geheimen wrok (evenals ene wond, die het gevaarlijkst is als zij inwendige bloeding veroorzaakt) maar geef er uiting aan door een zachte, ernstige bestraffing, laat uw toorn op die wijze tot bedaren worden gebracht, en dan zal hij des te sneller ophouden. Beschimp hem niet achter zijn rug, maar gij zult hem naarstiglijk berispen. Indien hij u wezenlijk een groot onrecht heeft aangedaan, poog het hem te doen inzien, maar laat de bestraffing onder vier ogen geschieden, tussen u en hem alleen. Zo gij hem wilt overtuigen, moet gij hem niet openlijk te schande maken, want dat zal hem slechts vertoornen, en uw berisping zal op ene wraakoefening gelijken. Dit komt overeen met Spreuken 25:8, 9. Vaar niet haastelijk voort om te twisten, maar twist uwe twistzaak met uwen naaste, bespreek de zaak met hem kalm en vriendschappelijk. Indien hij u hoort, zoveel te beter! zo hebt gij uwen broeder gewonnen. Dan is er een einde aan den strijd, en het is een gelukkig einde. Laat er niet meer van gesproken worden, maar laat de twist der vrienden eindigen met ene vernieuwing der vriendschap.
2. Maar indien hij u niet hoort, indien hij gene schuld wil bekennen en tot gene overeenkomst met u wil komen, zo wanhoop toch nog niet, maar zie wat hij doen zal, zo gij nog een of twee met u neemt, niet slechts als getuigen van hetgeen er voorvalt, maar om de zaak verder met hem te bespreken. Hij zal gewilliger zijn naar hen te horen, omdat zij geen persoonlijk belang bij de zaak hebben, en indien hij naar rede wil luisteren, dan zal het redelijk woord in den mond van twee of drie getuigen des te meer ingang bij hem vinden. Vele ogen zien meer dan een oog ziet," en wellicht zal dit dan invloed op hem hebben om hem zijne dwaling te doen erkennen, en te doen zeggen: Ik heb er berouw van. 3. Indien hij hun geen gehoor geeft, en de zaak niet aan hun beslissing wil onderwerpen, hen niet als scheidsrechters wil aannemen, zo zeg het der gemeente, aan de leraren, de ouderlingen en andere ambtsdragers, of aan de aanzienlijkste personen in de gemeente, waartoe gij behoort. Maak hen tot scheidslieden om de zaak in het reine te brengen, en ga niet terstond tot den burgerlijken rechter, en begin geen proces tegen hem. Dit wordt volledig verklaard door den apostel, 1 Corinthiërs 6, waar hij hen bestraft, die terecht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen", vers 1, en wil dat de heiligen de kleine gerechtszaken zullen oordelen, vers 2, die dit leven aangaan, vers 3. Vraagt gij: "Wie is de gemeente, aan wie het gezegd moet worden? de apostel geeft een direct antwoord op deze vraag in vers 5, Is er dan alzo onder u geen, die wijs is? Diegenen in de gemeente, die geacht worden het best instaat te zijn om zulke zaken te beslissen, en hij spreekt niet ironisch, als hij zegt: vers 4, Zo gij gerechtszaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de gemeente minst geacht zijn, dezen, indien er geen betere zijn, dezen, veeleer dan een onherstelbare breuk te laten ontstaan tussen twee gemeenteleden. Deze regel was toen zeer bijzonder nodig, toen de burgerlijke regering in de handen was van hen, die niet slechts vreemden, maar vijanden waren.
4. Indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zich niet aan haar uitspraak wil onderwerpen, maar volhardt in het onrecht, dat hij u gedaan heeft, en voortgaat met u nog meer onrecht te doen, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Neem de wet tegen hem te baat, maar laat dit steeds het laatste middel wezen, ga niet voor het gerecht eer gij alle andere middelen hebt beproefd om tot ene overeenkomst in het geschil te komen. Of wel, gij kunt, zo gij wilt, uw vriendschap en gemeenzamen omgang met hem afbreken, hoewel gij toch geenszins op wraak moogt zinnen, toch kunt gij, zo het u goeddunkt, uw omgang met hem doen ophouden, tenminste op zulk ene wijze, als waardoor hij de gelegenheid niet heeft om hetzelfde nog eens te doen. Gij zoudt hem hebben willen genezen, gij zoudt zijne vriendschap hebben willen behouden, maar hij wilde niet, en zo heeft hij dan uwe vriendschap verbeurd. Als iemand mij eens bedriegt en misleidt, is het zijne schuld, als hij het tweemaal doet, is het mijne schuld.
II. Laat ons het toepassen op ergerlijke zonden, waardoor de kleinen geërgerd worden, slechte voorbeelden voor hen, die zwak en meegaand zijn, en een grote smart voor hen, die zwak en vreesachtig zijn. Christus, ons geleerd hebbende toegevend te zijn voor de zwakheden van onze broederen, waarschuwt ons hier om, onder voorwendsel daarvan, niet toegevend te zijn voor hun slechtheid. Christus, besloten hebbende zich ene kerk in de wereld op te richten, draagt hier zorg voor het behoud:
1. Van hare reinheid, opdat zij een uitstotend vermogen hebbe, een vermogen om zich te reinigen en te zuiveren, als ene fontein van levend water, hetgeen nodig is, zolang het Evangelienet zowel goede als kwade vissen te voorschijn brengt.
2. Van haar vrede en orde, opdat ieder lid zijne plaats kent en zijn plicht, en de reinheid er van bewaard moge blijven op regelmatige, ordelijke wijze en niet met geschreeuw of rumoer. Laat ons nu eens zien: Welke zaak verondersteld wordt. Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft. De bedrijver van die zonde is een broeder, iemand in een Christelijke gemeenschap, die gedoopt is, het woord hoort, en met u verenigd is in gebed, met wie gij tezamen, hetzij op gezette tijden, hetzij nu en dan, God aanbidt. De kerkelijke tucht is voor de leden der kerk. Die buiten zijn, oordeelt God. 1 Corinthiërs 5:12, 13. Als er ene zonde tegen ons begaan is, dan is het goed om ons te herinneren, dat die zondaar een broeder is, hetgeen ons een verzachtende omstandigheid aan de hand doet. Die zonde is een zonde tegen u, als hij iets doet, dat u ergerlijk is als Christen. Een grove zonde tegen God is ene zonde tegen Zijn volk, daar Zijne eer hun ter harte gaat. Christus en de gelovigen hebben belangen, die als in elkaar gestrengeld zijn, wat tegen hen gedaan wordt, neemt Christus op als tegen Hem gedaan, en wat tegen Hem misdreven wordt, kunnen zij niet anders dan als een misdrijf tegen hen beschouwen. De smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Psalm 69:10. Wat er in zulk een geval gedaan moet worden. Wij hebben hier: De voorgeschreven regels, vers 15-17. Ga te werk op deze wijze: Ten eerste. Ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen. Wacht niet, totdat hij bij u komt, maar ga tot hem, zoals de arts een zieke bezoekt, en de herder het verloren schaap achterna gaat. Wij moeten gene moeite te groot achten, om een zondaar tot bekering te brengen. Bestraf hem, herinner hem aan hetgeen hij gedaan heeft, aan het boze en verkeerde er van, maak hem bekend al zijne gruwelen. De mensen zien niet gaarne hun fouten en gebreken, men moet hun er van spreken, hen er op wijzen. Hoewel de zaak duidelijk is, moeten zij met elkaar in verband worden gebracht en de toepassing gemaakt worden. Dikwijls zullen grote zonden het geweten paaien en voor het ogenblik in slaap wiegen, en er is hulp nodig om het te doen ontwaken. David's hart sloeg hem, toen hij een slip van Sauls mantel had afgesneden, en toen hij het volk geteld had, maar (en dat is zeer vreemd) wij bevinden niet dat zijn hart hem sloeg in de zaak van Uria, totdat Nathan tot hem zei: Gij zijt die man. Bestraf hem -elegxon auton -bespreek de zaak met hem, (zoals de betekenis is van die woorden), en doe het met verstand en met goede bewijsvoering, niet met hartstocht of in drift. Waar de schuld duidelijk is en groot, de persoon geschikt is voor ons om met hem te handelen, en de gelegenheid er toe zich voordoet, en er geen blijkbaar gevaar is van meer kwaad dan goed te doen, daar moeten wij met zachtmoedigheid en trouw de mensen zeggen wat er verkeerd in hen is. Christelijke bestraffing is ene inzetting van Christus, om de zondaren tot bekering te brengen, en moet ook als zodanig behandeld worden. Bestraf hem tussen u en hem alleen, opdat het blijke, dat gij niet zijne schande begeert, maar zijn berouw en zijne bekering. Het is een goede regel, die onder Christenen gewoonlijk in acht genomen moet worden, om van de fouten en gebreken van onzen broeder niet tot anderen te spreken, voor wij er eerst met hem zelven over gesproken hebben, dan zal er minder smaad zijn en meer bestraffing, dat is: minder zonde begaan en meer plicht volbracht. Het zal waarschijnlijk een invloed ten goede oefenen op hem, die de zonde begaan of de ergernis gegeven heeft, als hij ziet dat zijn bestraffer niet slechts bekommerd is om het heil zijner ziel, maar ook bezorgd is voor zijn goeden naam, als hij de zaak aldus onder vier ogen met hem behandelt. Indien hij u hoort -dat is, indien hij uwe woorden ter harte neemt-indien de bestraffing een invloed ten goede op hem heeft, zo hebt gij uwen broedergewonnen. Gij hebt geholpen, om hem te behoeden voor zonde en verderf, en dat zal u ene eer en vertroosting wezen, Jakobus 5:19, 20. De bekering ener ziel is het winnen dier ziel, Prediker 11:30, en dit moeten wij begeren, er naar streven als naar een gewin voor ons zelven, en indien het verlies ener ziel een groot verlies is, het winnen ener ziel is voorzeker geen klein gewin.
Ten tweede. Zo dit niet helpt, zo neem nog een of twee met u, vers 16. Laat ons, goed doende, niet vertragen, al zien wij ook niet terstond de goede gevolgen er van. Indien hij u niet hoort, geef hem dan toch niet terstond op als onverbeterlijk. Zeg niet: Het dient nergens toe, om nog meer over de zaak met hem te spreken, maar beproef het nu met andere middelen. Zelfs zij, die hun nek verharden, moeten dikwijls bestraft worden, en zij, die tegenstaan, met zachtheid onderwezen worden. In dit soort van werk moeten wij wederom arbeiden te baren, Galaten 4:19, en het is na vele smarten en barensweeën, dat het kind geboren wordt. Neem een of twee met u.
1. Om u te helpen, zij kunnen het ene of andere gepaste, overtuigende woord spreken, waaraan gij niet gedacht hebt, en kunnen de zaak met meer beleid behandelen dan gij gedaan hebt. Christenen behoren in te zien, dat zij hulp nodig hebben bij goeddoen, en den bijstand van den een of ander inroepen, zoals in andere dingen, zo ook in het bestraffen, opdat de plicht gedaan en goed gedaan wordt.
2. Om indruk op hem te maken. Hij zal des te meer verootmoedigd zijn om zijne zonde, als hij ziet dat twee of drie er getuigen van zijn. Deuteronomium 19:15. Diegenen moeten het hoog tijd achten om zich te bekeren en hun leven te beteren, die zien hoe hun wangedrag een openbare ergernis is geworden. Hoewel het in deze wereld iets zeldzaams is, om iemand te vinden, die goed is, van wie alle mensen wèl spreken, is het toch nog zeldzamer om iemand te vinden, die goed is, van wie alle mensen kwaad spreken.
3. Om getuigen te zijn van zijn gedrag, in geval de zaak naderhand voor de gemeente zou komen. Niemand behoort onder de censuur der gemeente te komen als hardnekkig en weerspanning, eer het gebleken is dat hij dit werkelijk is.
Ten derde. Indien hij hun geen gehoor geeft, en zich niet wil verootmoedigen, zo zeg het der gemeente, vers 17. Er zijn mensen van zulk een halsstarrig gemoed, dat ook de geschiktste middelen ter overtuiging gene uitwerking op hen hebben. Toch moeten ook de zodanige nog niet als ongeneeslijk worden opgegeven, maar de zaak moet dan meer in het openbaar behandeld worden, en nog andere hulp worden ingeroepen. Vermaningen onder vier ogen moeten altijd openbare censuur voorafgaan. Indien zachter middelen het doel kunnen bereiken, moeten de ruwere en strengere niet worden gebruikt, Titus 3:10. Zij, die door overreding van hun zonde afgebracht kunnen worden, behoeven er niet door schande van te worden afgebracht. Laat Gods werk met kracht worden gedaan, maar met zo min mogelijk geraas en gerucht, Zijn koninkrijk komt met kracht, maar niet met uiterlijk gelaat. Waar echter de bijzondere vermaning niets vermag, daar moet openlijke censuur plaatshebben. De kerk moet de klachten van de geërgerden of verongelijkten ontvangen, en de zonden van de overtreders bestraffen en, na een onpartijdig onderzoek der zaak, tussen hen oordelen.
Zeg het der gemeente. Het is zeer te betreuren, dat deze bepaling van Christus, die bedoeld was geschillen tot een einde te brengen, zelf zulk een onderwerp van strijd is geworden, en door het bederf van het hart der mensen twistingen en ergernissen teweegbrengt. Aan welke gemeente het gezegd moet worden, dat is de grote vraag. De burgerlijke overheid, zeggen sommigen. Het Joodse sanhedrin, dat toen bestond, zeggen anderen. Maar naar hetgeen volgt in vers 18 is het duidelijk, dat Hij een Christelijke gemeente bedoelt, die, hoewel toen nog niet gevormd, toch reeds in wording was. Zeg het der gemeente, die bijzondere gemeente, waartoe de persoon, die de ergernis geeft, behoort, maak de zaak bekend aan diegenen uit de gemeente, die met algemene toestemming aangewezen zijn, om mededelingen van die soort te ontvangen. Zeg het den bestuurders der gemeente, aan den leraar of de leraren, aan de ouderlingen en diakenen, of-indien de inrichting der gemeente dit zo meebrengt-aan de hoofden en vertegenwoordigers der gemeente. Laat hen de zaak onderzoeken, en, zo zij de klacht onbeduidend, of ongegrond vinden, laat hen den klager bestraffen, bevinden zij haar rechtvaardig, laat hen den overtreder bestraffen, hem vermanen tot berouw en bekering, en dit zal waarschijnlijk scherpheid en kracht bijzetten aan de bestraffing, omdat zij:
1. met meer plechtigheid wordt toegediend, en
2. met meer gezag. Het is iets ontzagwekkends om ene bestraffing te ontvangen van ene gemeente, van een leraar, die een ambtelijke bestraffer is, en daarom moet zij des te meer ter harte genomen worden door hen, die eerbied hebben voor ene instelling van Christus en voor Zijne gezanten.
Ten vierde. Indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, indien hij de vermaning in den wind slaat, en zich noch wil schamen over zijn misdrijf, noch geneigd is het kwaad na te laten, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Laat hem uitgeworpen worden uit de gemeenschap der kerk, van het Avondmaal worden geweerd, van de waardigheid als lid der gemeente worden ontzet, en laat de leden der gemeente vermaand worden om zich van hem terug te trekken, opdat hij er toe gebracht worde zich te schamen over zijne zonde, en zij er niet door aangestoken worden of er de medeverantwoordelijkheid voor hebben te dragen. Zij, die de orde en regeling ener gemeente minachten, en er versmaadheid over brengen, verbeuren er de voorrechten en de eer van, en zij worden met recht verwijderd totdat zij zich bekeren en tot onderwerping komen. Christus heeft dit alzo verordineerd tot handhaving van de eer der gemeente, ter bewaring van hare reinheid en ter overtuiging en verbetering van hen, die een ergerlijk leven leiden. Let echter wel op, dat Hij niet zegt: Hij zij u als een duivel of verdoemde, als een, wiens geestelijke toestand volstrekt hopeloos is, maar, als een heiden en tollenaar, als iemand, die nog hersteld, terecht gebracht kan worden. Acht hem niet als een vijand, maar vermaan hem als een broeder. De regelen aan de gemeente te Corinthe gegeven ten opzichte van iemand, die zich aan bloed- schande schuldig maakt, komen overeen met deze regelen, hij moet uit het midden van hen worden weggedaan, 1 Corinthiërs 5:2, hij moet aan Satan worden overgegeven, want indien hij uit Christus' koninkrijk gebannen is, dan wordt hij beschouwd als behorende tot het rijk van Satan, zij moeten zich niet met hem vergezellen, vers 11, 13. Maar zo hij hierdoor verootmoedigd en tot inkeer wordt gebracht, dan moet hij weer welkom worden geheten in de gemeente, en dan zal alles wèl zijn. Hier is een getekende volmacht ter bekrachtiging van alle handelingen der gemeente, die met deze regelen in overeenstemming zijn, vers 18. Wat tevoren tot Petrus werd gezegd, wordt hier gezegd tot al de discipelen en, in hen, tot alle getrouwe ambtsdragers in de gemeente tot in alle tijden. Zolang de leraren het woord van Christus getrouwelijk verkondigen, en in hun bestuur der gemeente zich stipt gedragen naar deze wetten (clave non errante -den sleutel niet verkeerd omdraaien-)kunnen zij er van verzekerd wezen, dat Hij hen zal erkennen, hen zal handhaven, dat Hij zal bekrachtigen wat zij zeggen en doen, zodat het beschouwd zal worden als gezegd en gedaan door Hem zelven. Hij zal hen handhaven, steunen door Zijn gezag.
Ten eerste. In hun uitspraak van schorsing: Al wat gij op aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen. Indien de censuur der kerk wettiglijk en naar de instelling van Christus geschiedt, dan zal Zijn oordeel op de censuur der kerk volgen, Zijn geestelijke oordelen, die de zwaarste van allen zijn, zoals die, waaronder de verworpen Joden zijn gevallen, Romeinen 11:8, een geest des diepen slaaps, want Christus zal Zijn eigen instellingen niet laten vertreden, maar Hij zal amen zeggen op het rechtvaardig oordeel, dat de kerk over halsstarrige zondaars uitspreekt. Hoe weinig de spotters ook om de censuur der kerk geven, hoe gering zij haar ook mogen achten, laat hen weten, dat die censuur door het hof des hemels bevestigd zal worden, het is tevergeefs, dat zij een beroep doen op dat hof, want dáár is het vonnis reeds over hen geveld. Zij, die thans buitengesloten zijn van de vergadering der rechtvaardigen, zullen in den groten dag er niet in kunnen bestaan, Psalm 1:5. Christus zal diegenen niet als de Zijnen erkennen en hen niet aannemen, die door de kerk rechtvaardiglijk aan Satan waren overgegeven, maar indien de censuur der kerk uit dwaling of nijd onrechtvaardig is, dan zal Christus hen, die alzo uitgeworpen zijn, genadiglijk vinden, oh. 9:34, 35.
Ten tweede. In hun vrijspraak. Al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. Gene censuur der kerk legt zulk een vasten band aan, of hij kan en moet op des zondaars berouw en bekering weer losgemaakt worden. Voldoende is de straf, die haar doel bereikt heeft, en dan moet de overtreder begenadigd en vertroost worden, 2 Corinthiërs 2:6. Er is geen onoverkomelijke kloof gevestigd dan die tussen den hemel en de hel. Zij, die na hun berouw en bekering wederom zijn toegelaten in de gemeenschap der kerk, kunnen de vertroosting smaken van hun vrijspraak in den hemel, indien hun hart oprecht is voor God. Gelijk de schorsing geschiedt tot verschrikking van de hardnekkigen, zo is de vrijspraak of ontheffing van die kerkelijke straf tot bemoediging der boetvaardigen. Paulus spreekt in den naam van Christus, als hij zegt: Dien gij iets vergeeft, dien vergeef ik ook, 2 Corinthiërs 2:10. Nu is het een grote eer, die Christus hier legt op de kerk, dat Hij zich verwaardigt, niet slechts om kennis te nemen van hare uitspraken of vonnissen, maar ze wil bevestigen, en in de volgende verzen vinden wij twee zaken, die hier als reden voor zijn opgegeven.
a. Gods bereidwilligheid om het gebed der gemeente te verhoren, vers 19, Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden. Pas dit toe: In het algemeen, op al de wensen van het gelovige, biddende zaad van Jakob, zij zullen Gods aangezicht niet tevergeefs zoeken. Wij hebben in de Schrift vele beloften van een genadige verhoring van het gebed des geloofs, maar deze belofte hier geeft een bijzondere aanmoediging voor het verenigd bidden. De bede, waarin twee van u samenstemmen, en nog zoveel te meer, als velen samenstemmen. Geen wet des hemels beperkt het aantal der bidders. Het heeft Christus behaagd een bijzondere eer te leggen op, en een bijzondere kracht te verlenen aan, het verenigd gebed der gelovigen, de gezamenlijke smeking, die zij tot God opzenden. Als zij zich verenigen in dezelfde bede, als zij volgens afspraak samenkomen en zich voor den troon der genade stellen met een bijzondere boodschap, of wel, als zij, hoewel op een afstand van elkaar, overeenkomen omtrent een bijzondere zaak, die zij van God begeren, dan zullen zij wèl slagen. Behalve dat God in het algemeen acht slaat op de gebeden der heiligen, is Hem hun eenheid en gemeenschap in den gebede zeer bijzonder welbehaaglijk. Zie 2 Kronieken 5:13, Handelingen 4:31. Die beden inzonderheid, die tot God opgaan in zake het binden en ontbinden, waarop deze belofte meer bijzonder betrekking heeft. Deze macht ter uitoefening van kerkelijke tucht is niet aan een enkel persoon gegeven, er worden er minstens twee voor verondersteld. Als de Corinthiër, die bloedschande had bedreven, uitgeworpen moest worden, werd de gemeente saamgeroepen, 1 Corinthiërs 5:4, en het was ene bestraffing door velen, 2 Corinthiërs 2:6. In ene zaak van zoveel gewicht zijn twee beter dan een en de behoudenis is in de veelheid der raadslieden. Het is goed hen, aan wie de kerkelijke tucht is opgedragen, eenstemmig er in te zien. Toorn en verbittering bij hen, wier werk het is ergernissen weg te nemen, zal de grootste van alle ergernissen zijn. Met kerkelijke tucht moet altijd gebed gepaard gaan. Spreek geen vonnis uit, waarvan gij in het geloof de bevestiging niet aan God kunt vragen. Het binden en ontbinden, waarvan gesproken werd in Hoofdstuk 16:19, geschiedde door prediking, en dit door gebed. Zo is dan de gehele macht der Evangeliedienaars bepaald tot het woord en het gebed, waaraan zij zich geheel en al hebben te wijden. Hij zegt niet: Als gij samenstemt om ene zaak te verordineren, dan zal zij geschieden (alsof leraren rechters en gebieders waren), maar: Als gij samenstemt om het van God te vragen, dan zult gij het van Hem verkrijgen. Al onze pogingen tot bekering van zondaren moeten vergezeld gaan van gebed, Jakobus 5:16 Het eendrachtig gebed van de kerk Gods ter bekrachtiging van haar rechtvaardige censuur zal in den hemel gehoord en verhoord worden. Zij zal hun geschieden, het zal in den hemel gebonden en ontbonden worden. Indien Christus (die hier spreekt als machthebbende) zegt: Het zal geschieden, dan kunnen wij er van verzekerd wezen, dat zij geschied is, hoewel wij er de uitwerking niet van bespeuren op de wijze, zoals wij die verwachten. God schenkt ons zeer bijzonder Zijne goedkeuring, als wij bidden voor hen, die tegen Hem en ons overtreden hebben. De Heere heeft de gevangenis van Job gewend, niet toen hij voor zich zelven bad, maar toen hij bad voor zijne vrienden, die tegen hem gezondigd hadden.
b. Christus' tegenwoordigheid in de vergadering der gelovigen, vers 20. Christus is tegenwoordig bij iedere gelovige, maar de belofte heeft hier betrekking op de bijeenkomsten, waarin twee of drie vergaderd zijn in Zijn naam, niet slechts tot oefening der kerkelijke tucht, maar voor de aanbidding Gods, of voor enigerlei handeling der Christelijke gemeenschapsoefening. Vergaderingen van Christenen tot heilige doeleinden zijn hiermede aangewezen en aangemoedigd. Zij zijn hiermede aangewezen, de kerk van Christus in de wereld bestaat het meest zichtbaar in de Godsdienstige bijeenkomsten. Het is de wil van Christus, dat deze gehouden zullen worden tot eer van God, tot stichting van mensen, en ter bewaring van een Godsdienstig aanzien in de wereld. Als God voornemens is een bijzondere gebedsverhoring te schenken, dan roept Hij een plechtige vergadering samen, Joël 2:15, 16. Indien er gene vrijheid of gelegenheid is voor grote en talrijke vergaderingen, dan is het de wil van God toch, dat twee of drie samen zullen komen. Als wij in zake van den Godsdienst niet kunnen doen wat wij zouden wensen te doen, dan moeten wij doen wat wij kunnen, en dan zal God ons aannemen. Hun wordt hiermede voorgeschreven om samen te komen in den naam van Christus. In de uitoefening der kerkelijke tucht moeten zij samen vergaderd zijn in den naam van Christus, 1 Corinthiërs 5:4. Deze naam zet gezag bij op aarde aan hetgeen zij doen, en maakt het welbehaaglijk in den hemel. In het bijeenkomen ter Godsverering moeten wij het oog hebben op Christus, wij moeten samenkomen krachtens Zijne volmacht en aanwijzing, ten teken van onze betrekking tot Hem, geloof belijdende in Hem, en in gemeenschap met allen, die aan alle plaatsen Hem aanroepen. Als wij samenkomen om God te aanbidden in afhankelijkheid van den Geest en de genade van Christus als Middelaar, voor hulp en bijstand, en van Zijne verdienste en gerechtigheid als Middelaar om aangenomen te worden, op Hem ziende als op onzen Weg tot den Vader en onzen Voorspraak bij den Vader, dan zijn wij samengekomen in Zijn naam. Hiermede worden zij bemoedigd door de verzekering van Christus' tegenwoordigheid: Daar ben Ik in het midden van hen. Door Zijn algemene tegenwoordigheid als God is Hij aan alle plaatsen, maar dit is ene belofte van Zijn bijzondere tegenwoordigheid. Waar Zijne heiligen zijn, daar is Zijn heiligdom, en dáár zal Hij wonen, het is Zijne ruste, Psalm 132:14, dáár wandelt Hij, Openbaring 2:1. Hij is in het midden van hen, om hen levend te maken en te versterken, om hen te verkwikken en te vertroosten, zoals de zon in het midden des heelals. Hij is in het midden van hen, dat is: in hun hart, het is een geestelijke tegenwoordigheid, Christus' tegenwoordigheid met hun geest, die hier bedoeld wordt. Daar ben Ik, niet slechts: daar zal Ik zijn, maar daar ben Ik, alsof Hij het eerst aanwezig is, voor hen gereed is, zij zullen Hem er vinden. Deze belofte heeft Hij herhaald bij het scheiden, Hoofdstuk 28:20 :Ziet, Ik ben met ulieden al de dogen. De tegenwoordigheid van Christus in de bijeenkomsten der Christenen is beloofd, er kan in het geloof om worden gebeden, en op worden gerekend. Dáár ben Ik. Dit staat gelijk met de Shechina, een bijzondere tegenwoordigheid Gods in den tabernakel en den tempel vanouds, Exodus 40:34. 2 Koningen 5:14. Hoewel er slechts twee of drie samen zijn gekomen, is Christus toch in hun midden. Dit is ene bemoediging voor de bijeenkomst van weinigen, wanneer zij plaatsheeft: Ten eerste. Door keuze. Behalve de aanbidding in het verborgene, in de binnenkamer, door bijzondere personen, en de openbare Godsdienstoefeningen van de gehele gemeente, kan er soms aanleiding zijn voor twee of drie om samen te komen, hetzij tot wederzijdse hulp in beraadslaging, of verenigde hulp in het gebed, niet uit minachting voor den openbaren eredienst, maar in overeenstemming er mede, dáár zal Christus tegenwoordig zijn. Of, Ten tweede. Uit nooddwang, als er niet meer dan twee of drie zijn, of indien er wel meerderen zijn, maar om de vreze der Joden niet durven samenkomen, dan zal Christus toch in hun midden zijn, want het is niet de menigte, maar het geloof en de oprechte Godsvrucht der aanbidders, die de tegenwoordigheid van Christus uitlokt, en hoewel er slechts twee of drie zijn, het kleinste getal, dat bij elkaar te krijgen is, toch is, zo Christus, die de voornaamste is, tot hun getal behoort, hun bijeenkomst even eervol en troostrijk, alsof er twee of drie duizend waren.