10. Die u nu iets vergeeft, die vergeef ik ook, zodat ik mij nu integendeel aan uw handelwijze aansluit, want u zult nu wel zonder bedenking de liefde, waarom ik u in
Vers 8 heb gevraagd, aan hem willen bewijzen. Want zo ik ook iets vergeven heb, die ik vergeven heb, heb ik het vergeven omwille van u voor het aangezicht van Christus. En evenals u nu zonder bedenking hem weer kunt aannemen, zo zal ook de Christelijke wijsheid eisen dat u dit doet, opdat de satan over ons geen voordeel krijgt.
In de vermaning van de apostel (Vers 8) om nu liefde te betonen jegens hem, die zo groot een droefheid had veroorzaakt, kon men misschien een tegenspraak vinden met de inhoud van zijn brief, waarin hij toch zo grote ernst had betoond en misschien opnieuw aanleiding nemen om hem te beschuldigen, zoals daarop in Hoofdstuk 1:17 is gewezen. Paulus stelt daartegenover wat hij in Vers 9 zegt, dat zijn brief ten doel had, te onderzoeken of de gemeente haar plicht zou volbrengen. Nadat dit doel bereikt was, zo was, zoals hij tevens wil te kennen geven, ook het doel van zijn schrijven bereikt en was er geen reden aanwezig, om de aanwijzingen daarover vast te houden.
Evenals wij hem in Vers 4, waar over een scherpe berisping gesproken wordt, die hij aan de gemeente had geschreven, de voorstelling zagen tegenspreken, alsof hij haar graag leed zou hebben veroorzaakt, zo stelt hij hier, waar van zijn scherpe handelwijze jegens die zondaar gehandeld wordt, zich tegenover de andere voorstelling, alsof hij slechts vertoornd was geworden om een krenking hem persoonlijk aangedaan. Zij moesten zijn liefde leren kennen, zei hij daar; hij wilde hun gehoorzaamheid leren kennen, zei hij hier. Dat hij zich echter voldaan verklaarde met hetgeen tegen deze zondaar was geschied, kon voor de gemeente niet voldoende zijn; zij was slechts ten halve tevreden gesteld, als hij toch wel toeliet of aanbeval, hem vergeving te doen toekomen, maar zonder uit te spreken, dat hij haar vergaf. Hij voegt er dit daarom uitdrukkelijk bij, maar in een vorm, waardoor hij ook hier, evenals hij tot hiertoe reeds deed, vermijdt de persoon van de zondaar te noemen, zodat hij in de vergeving, als die volgen mag, zijn eigen insluit. Hij had toch reeds vergeven en wel omwille van hen vergeven; want aldus moet in deze zin het "want" worden opgevat.
De apostel drukt in deze zin zijn vergeving uit nog van een andere kant, namelijk voor zijn persoon en onafhankelijk van hetgeen de Korinthiërs deden. van Zijn kant, om zijn apostolische liefde tot hen, had hij reeds het besluit opgevat tot verzoening. In de hypothetische vorm, waarin hij dat uitspreekt, "zo ik ook iets vergeven heb", ligt een grote tederheid, omdat Paulus de vergeving en daarmee ook de misdaad zelf, op de achtergrond plaatst, als iets dat is afgedaan en waarover nauwelijks meer valt te spreken. Deze is de vergeving, die volkomen is, die de ander opheft en hem met al de volheid van medegevoel en vertroosting verblijdt, als weet men zelf niet meer dat men iets heeft vergeven. Dit is bij het vergeven wat bij het geven is: het niet weten van de linkerhand van wat de rechter doet (Mattheus 6:3). Door de bijvoeging "voor het aangezicht van Christus" sluit zich de acte van de vergeving als een heilige ambtsverrichting en een daad van de gemeente voor de Heere van de gemeente en als door Hem gewettigd, aan de bestraffing in 1 Corinthiërs 5:5 besloten, harmonisch aan.
10. Die u nu iets vergeeft, die vergeef ik ook, zodat ik mij nu integendeel aan uw handelwijze aansluit, want u zult nu wel zonder bedenking de liefde, waarom ik u in Vers 8 heb gevraagd, aan hem willen bewijzen. Want zo ik ook iets vergeven heb, die ik vergeven heb, heb ik het vergeven omwille van u voor het aangezicht van Christus. En evenals u nu zonder bedenking hem weer kunt aannemen, zo zal ook de Christelijke wijsheid eisen dat u dit doet, opdat de satan over ons geen voordeel krijgt.
In de vermaning van de apostel (Vers 8) om nu liefde te betonen jegens hem, die zo groot een droefheid had veroorzaakt, kon men misschien een tegenspraak vinden met de inhoud van zijn brief, waarin hij toch zo grote ernst had betoond en misschien opnieuw aanleiding nemen om hem te beschuldigen, zoals daarop in Hoofdstuk 1:17 is gewezen. Paulus stelt daartegenover wat hij in Vers 9 zegt, dat zijn brief ten doel had, te onderzoeken of de gemeente haar plicht zou volbrengen. Nadat dit doel bereikt was, zo was, zoals hij tevens wil te kennen geven, ook het doel van zijn schrijven bereikt en was er geen reden aanwezig, om de aanwijzingen daarover vast te houden.
Evenals wij hem in Vers 4, waar over een scherpe berisping gesproken wordt, die hij aan de gemeente had geschreven, de voorstelling zagen tegenspreken, alsof hij haar graag leed zou hebben veroorzaakt, zo stelt hij hier, waar van zijn scherpe handelwijze jegens die zondaar gehandeld wordt, zich tegenover de andere voorstelling, alsof hij slechts vertoornd was geworden om een krenking hem persoonlijk aangedaan. Zij moesten zijn liefde leren kennen, zei hij daar; hij wilde hun gehoorzaamheid leren kennen, zei hij hier. Dat hij zich echter voldaan verklaarde met hetgeen tegen deze zondaar was geschied, kon voor de gemeente niet voldoende zijn; zij was slechts ten halve tevreden gesteld, als hij toch wel toeliet of aanbeval, hem vergeving te doen toekomen, maar zonder uit te spreken, dat hij haar vergaf. Hij voegt er dit daarom uitdrukkelijk bij, maar in een vorm, waardoor hij ook hier, evenals hij tot hiertoe reeds deed, vermijdt de persoon van de zondaar te noemen, zodat hij in de vergeving, als die volgen mag, zijn eigen insluit. Hij had toch reeds vergeven en wel omwille van hen vergeven; want aldus moet in deze zin het "want" worden opgevat.
De apostel drukt in deze zin zijn vergeving uit nog van een andere kant, namelijk voor zijn persoon en onafhankelijk van hetgeen de Korinthiërs deden. van Zijn kant, om zijn apostolische liefde tot hen, had hij reeds het besluit opgevat tot verzoening. In de hypothetische vorm, waarin hij dat uitspreekt, "zo ik ook iets vergeven heb", ligt een grote tederheid, omdat Paulus de vergeving en daarmee ook de misdaad zelf, op de achtergrond plaatst, als iets dat is afgedaan en waarover nauwelijks meer valt te spreken. Deze is de vergeving, die volkomen is, die de ander opheft en hem met al de volheid van medegevoel en vertroosting verblijdt, als weet men zelf niet meer dat men iets heeft vergeven. Dit is bij het vergeven wat bij het geven is: het niet weten van de linkerhand van wat de rechter doet (Mattheus 6:3). Door de bijvoeging "voor het aangezicht van Christus" sluit zich de acte van de vergeving als een heilige ambtsverrichting en een daad van de gemeente voor de Heere van de gemeente en als door Hem gewettigd, aan de bestraffing in 1 Corinthiërs 5:5 besloten, harmonisch aan.