Mattheus 18:7-14
Onze Heiland spreekt hier van ergernissen, of het geven van aanstoot.
I. In het algemeen, vers 7. Gesproken hebbende van het ergeren der kleinen, neemt Hij daar aanleiding uit, om meer in het algemeen over ergernissen te spreken. Ergernis is:.
1. Hetgeen Schuld teweegbrengt, hetgeen door verleiding of door vreesaanjaging strekt om de mensen af te trekken van hetgeen goed, en heen te trekken naar hetgeen slecht is.
2. Hetgeen smart veroorzaakt, hetgeen het hart des rechtvaardigen bedroefd maakt. Nu zegt Christus hun, betreffende ergernissen: Dat dit zaken zijn, die ontwijfelbaar zullen plaatshebben: Het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen. Als wij er zeker van zijn, dat er gevaar is, dan moeten wij des te beter er tegen gewapend zijn. Niet alsof Christus' woord iemand noodzaakt tot ergernis geven, maar het is ene voorzegging, gegrond op de beschouwing der oorzaken. In aanmerking genomen de list en boosaardigheid van Satan, de zwakheid en verdorvenheid van het hart der mensen, en de dwaasheid, die er in wordt gevonden, is het zedelijk onmogelijk, dat er gene ergernissen zullen komen, en God heeft besloten met wijze en heilige bedoelingen, om ze toe te laten, opdat zowel zij, die volmaakt zijn, als zij, die het niet zijn, openbaar zouden worden. Zie 1 Corinthiërs 11:19, Daniël 11:35. Daar ons dus tevoren gezegd is, dat er verleiders, vervolgers en vele slechte voorbeelden zullen zijn, zo laat ons op onze hoede wezen, Hoofdstuk 24:24, Handelingen 20:29, 30. Dat het treurige, ellendige dingen zullen zijn, die noodlottige gevolgen zullen hebben. Er wordt hier een dubbel wee aan verbonden. Een wee voor de zorgelozen en onvoorzichtigen, aan wie de ergernis wordt gegeven.
Wee der wereld van de ergernissen. De tegenstand tegen en de belemmering van het geloof en van heiligheid in alle plaatsen zijn de plaag en het verderf van het mensdom, en de ondergang van duizenden. Deze tegenwoordige wereld is een boze wereld, zij is vol van ergernissen, van zonden, en strikken, en smarten, het is een gevaarlijke weg, dien wij bereizen, vol van struikelblokken, afgronden en valse gidsen. Wee der wereld. Wat hen betreft, die God heeft uitverkoren en geroepen van uit de wereld, en van de wereld verlost heeft, zij worden door de kracht Gods bewaard voor de vooringenomenheid met deze ergernissen en over al deze stenen en struikelblokken heen geholpen. Die Gods wet beminnen hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot, Psalm 119:165. Een wee voor de bozen, die moedwillig de ergernis geven: Doch wee dien mens, door welken de ergernis komt. Hoewel het noodzakelijk is, dat de ergernissen komen, zal dit toch gene verontschuldiging zijn voor hen, die de ergernis geven. Hoewel God de zonden der zondaars dienstbaar maakt aan Zijne doeleinden, zal dit toch niet tegen Zijn toorn beveiligen, en de schuld komt voor de verantwoording van hen, die de ergernis gaven, hoewel ook zij, die de ergernis namen, onder een wee vallen. Zij, die op enigerlei wijze de zaligheid van anderen in den weg staan, zullen er hun eigen verdoemenis des te zwaarder om vinden, zoals Jerobeam, die zondigde en Israël heeft doen zondigen. Dat wee is de verklaring van die wet in Exodus 21:33, 34 en 22:6, welke hem, die den kuil opende of het vuur aan- stak, verantwoordelijk stelde voor al de schade, die er door aangericht werd Het anti-christelijk geslacht, door hetwelk de grote ergernis kwam, zal onder dat wee vallen, vanwege hun misleiding der zondaren, 2 Thessalonicenzen 2:11, 12, en hun vervolgen van de heiligen, Openbaring 17:1, 2, 6, want de rechtvaardige God zal rekenschap eisen van hen, die het verderf hebben bewerkt der eeuwige belangen van kostelijke zielen, en de tijdelijke belangen van kostelijke heiligen, want dierbaar in de ogen des Heeren is het bloed der zielen, en het bloed der heiligen, en er zal rekenschap van de mensen geëist worden, niet slechts vanwege hun doen, maar ook vanwege de vrucht, de gevolgen van hun doen, vanwege het kwaad, dat zij veroorzaakt hebben.
II. In het bijzonder. Christus spreekt hier van ergernis gegeven:
1. Door ons aan ons zelven, hetgeen uitgedrukt wordt door onze hand, of onzen voet, die ons ergert, in zulk een geval moet die hand of voet afgehouwen worden, vers 8, 9. Christus had dit tevoren reeds gezegd, Hoofdstuk 5:29, 30, waar dit inzonderheid ziet op zonden tegen het zevende gebod. Hier wordt het meer in algemenen zin genomen. Die harde gezegden van Christus, die aan vlees en bloed mishagen, moeten ons telkens en nogmaals herhaald worden. Let hier nu op: Hetgeen geboden wordt. Wij moeten afstand doen van een oog, of een hand of een voet. dat is: van alles, wat het ook zij, dat ons dierbaar is, wanneer het blijkt, dat het ons anders onvermijdelijk tot zonde voert. Vele overmogende verzoekingen tot zonde ontstaan uit ons zelven, onze eigen ogen en handen ergeren ons. Indien er geen duivel ware om ons te verzoeken, wij zouden van onze eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt worden, ja, die dingen zelfs, welke op zich zelven goed zijn en als instrument en van goed gebruikt kunnen worden, blijken, door het bederf van ons hart, strikken voor ons te zijn, ons te neigen tot zonde, ons te hinderen in het betrachten van onzen plicht. In zulk een geval moeten wij, zover het wettig en geoorloofd is, afstand doen van datgene, het welk wij niet kunnen behouden. zonder er door verward en verstrikt te worden in zonde. Ten eerste. Het is zeker, dat de innerlijke lust gedood moet worden, schoon hij ons dierbaar is als een oog, of een hand. Het vlees met de bewegingen en begeerlijkheden moet gekruist worden, Galaten 5:24. Het lichaam der zonde moet teniet gedaan worden, verdorven neigingen en lusten moeten tegengegaan worden, de lust, die ons lieflijk was, moet opgegeven en verfoeid worden. Ten tweede. De uitwendige gelegenheden om te zondigen moeten vermeden worden, al zouden wij ons daarbij evenveel geweld moeten aandoen, als wanneer wij ons een hand afhieuwen of een oog uitrukten. Toen Abraham zijn geboorteland verliet uit vrees van anders in de afgoderij er van verstrikt te worden, en toen Mozes het hof van Farao verliet, uit vrees van in de zondige genoegens er van te delen, was dit als het afhouwen van een rechterhand. Wij moeten niets te kostelijk en te dierbaar achten om er van te scheiden ten einde een goed geweten te kunnen houden. De drijfveer tot dien eis: Het is u beter tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. Het argument is genomen uit den toekomenden staat van den hemel en van de hel, daaraan zijn de machtigste beweeggronden ontleend om af te manen van de zonde. Het argument is hetzelfde als van den apostel, Romeinen 8:13 :indien wij naar het vlees leven, zullen wij sterven, twee ogen hebbende, het lichaam der zonde onbeschadigd, het inwendige bederf, gelijk Adonia, nooit bedroefd, zullen wij in het vuur der hel geworpen worden. Indien wij door den Geest de werkingen des lichaams doden, zo zullen wij leven, dat is het wat bedoeld wordt met verminkt zijnde tot het leven in te gaan, dat is: het lichaam der zonde is verminkt, en op zijn best genomen, is dit, zolang wij in de wereld zijn, toch niet anders dan verminkt. Indien de rechterhand van den ouden mens afgehouwen wordt, en zijn rechteroog uit gerukt: -zijn grote raadslagen, zijn beleid teniet gedaan, zijne macht verbroken, dan is het wel, maar nu is er nog een oog en een hand overgebleven, waarmee hij zal worstelen. Die van Christus zijn hebben het vlees gekruist, maar het is nog niet dood, zijn leven wordt verlengd, maar zijn heerschappij wordt weggenomen, Daniël 7:12, en de dodelijke wond, die er aan toegebracht, is, zal niet genezen. 2. Betreffende ergernissen, gegeven door ons aan anderen, inzonderheid aan Christus' kleinen, waaromtrent ons hier geboden wordt er ons voor te wachten, overeenkomstig hetgeen Hij gezegd had in vers 6, waarbij wij hebben te letten op: De waarschuwing zelf: Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Dit wordt gezegd tot de discipelen. Gelijk Christus misnoegd zal zijn op de vijanden Zijner kerk, als zij enig lid er van verongelijken, al was het ook een der geringste leden, zo zal Hij misnoegd zijn op de groten en aanzienlijken der kerk, indien zij de kleinen of geringen er van verachten. Gij, die onder elkaar strijdt, wie de meeste zal zijn, ziet toe, dat gij in dien strijd de kleinen niet veracht. Wij kunnen het in letterlijken zin opvatten van kinderkens, van hen heeft Christus gesproken, vers 2, 4. De kinderen der gelovigen behoren tot het huisgezin van Christus en moeten niet veracht worden. Of in overdrachtelijken zin: oprechte, doch zwakke gelovigen zijn deze kleinen, die in hun uitwendigen staat, of in hun gemoedsgesteldheid als kinderkens zijn, de lammeren van Christus' kudde. Wij moeten hen niet verachten, niet gering over hen denken, als verachte fakkels, Job 12:5. Wij moeten den spot niet drijven met hun zwakheden of gebreken, hen niet met minachting aanzien, ons niet hoog en minachtend jegens hen gedragen, alsof wij er ons niet om bekreunden wat er van hen zal worden. Wij moeten niet zeggen: Wat deert het ons, als zij geërgerd en bedroefd worden, en struikelen? En wij moeten het ook geen kleine zaak achten, om iets te doen, dat hen in verwarring en verlegenheid brengt. Tegen dit verachten van de kleinen worden wij veel en dikwijls gewaarschuwd, Romeinen 14:3, 10, 15, 20, 21. Wij moeten over de consciëntie van anderen niet willen heersen, hen niet willen onderwerpen aan onze grillen, zoals zij doen, die tot de ziel der mensen zeggen: Buig u neer, dat wij over u gaan. Wij zijn eerbied verschuldigd aan het geweten van iedere mens, die zich nauwgezet toont in zijn wandel. Wij moeten wèl toezien, dat wij hen niet verachten, wij moeten bevreesd zijn voor de zonde, en zeer voorzichtig zijn in hetgeen wij zeggen en doen, opdat wij niet onbedachtelijk ergernis geven aan Christus' kleinen, geen smaad over hen brengen, zonder dat wij er ons van bewust zijn. Er waren er, die hen haatten en uitwierpen, en toch zeiden: Laat de Heere verheerlijkt worden. En wij moeten bevreesd zijn voor de straf: Ziet toe, dat gij hen niet veracht, want het zal u duur te staan komen. De redenen, die aan deze waarschuwing kracht bijzetten. Wij moeten deze kleinen niet beschouwen als verachtelijk, want in werkelijkheid zijn zij aanzienlijk en van gewicht. Laat de aarde hen niet verachten, die door den hemel worden geëerd, laat degenen niet door ons met minachting worden aangezien, aan wie God eer en gunst bewijst. Om te bewijzen dat de kleinen, die in Christus geloven, eer en achting waardig zijn, bedenkt: Dat de goede engelen hen dienen: Hun engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht Mijns Vaders. Dit zegt ons Christus, en wij kunnen het geloven op Zijn woord, die van den hemel is gekomen, om ons te doen weten wat daar door de wereld der engelen gedaan wordt. Hen betreffende maakt Hij hen bekend met twee zaken: Ten eerste: Dat zij de engelen zijn der kleinen. Gods engelen zijn hun engelen, want al het Zijne is het onze, indien wij van Christus zijn, 1 Corinthiërs 3:22. Zij zijn hun engelen, want zij hebben in last hen te dienen tot hun welzijn, Hebreeën 1:14, zich rondom hen te legeren, hen in hun armen te dragen. Sommigen hebben gedacht, dat iedere heilige zij n eigen beschermengel heeft, maar waarom zouden wij dit denken, als wij er zeker van zijn, dat iedere heilige, als het er op aan komt, ene wacht van engelen heeft? Dit wordt hier in het bijzonder toegepast op de kleinen, omdat zij het meest veracht en het meest aan gevaar bloot gesteld zijn. Zij hebben weinig, dat zij het hun kunnen noemen, maar door het geloof kunnen zij zien op de hemelse heirscharen, en die de hunnen noemen. Terwijl de groten der aarde eerbare mannen tot hun gevolg en lijfwacht hebben, zijn de kleinen der kerk vergezeld door glorierijke engelen, hetgeen niet slechts hun waardigheid aanduidt, maar ook het gevaar, dat diegenen lopen, die hen verachten en mishandelen. Het is een gevaarlijke, netelige zaak om vijanden te zijn van hen, die zo wèl bewaakt en bewaard worden, en het is goed en kostelijk om God tot onzen God te hebben, want dan hebben wij Zijne engelen tot onze engelen.
Ten tweede. Dat zij altijd het aangezicht zien van den Vader, die in de hemelen is. Hierdoor wordt aangeduid:
1. De voortdurende gelukzaligheid der engelen. De gelukzaligheid des hemels bestaat in het zien van God, Hem te zien van aangezicht tot aangezicht gelijk Hij is, aanschouwende Zijne schoonheid. Dit genot smaken de engelen zonder stoornis, als zij ons dienen op aarde, zien zij door innerlijke aanschouwing toch nog het aangezicht Gods, want zij zijn van binnen vol ogen. Gabriël, tot Zacharias sprekende, staat toch voor God, Openbaring 4:8, Lukas 1:19. Naar sommiger mening geeft die uitdrukking te kennen de bijzondere waardigheid en eer van de engelen der kleinen, de eerste staatsdienaren worden gezegd het aangezicht des konings te zien, Esther 1:14, alsof de machtigste engelen belast waren met de wacht over de zwakste heiligen.
2. Het duidt aan hun voortdurende bereidheid om de heiligen te dienen. Zij aanschouwen het aangezicht Gods, orders van Hem verwachtende wat te doen ten beste der heiligen. Gelijk de ogen van den dienstknecht zijn op de hand zijns meesters, bereid om op zijn geringsten wenk te komen en te gaan, zo zijn de ogen der engelen op het aangezicht Gods, wachtende op de aanduiding van Zijn wil, dien deze gevleugelde boden, snel heen vliegende, ten uitvoer brengen. Zij lopen en keren weer als de gedaante van weerlicht, Ezechiël 1:14. Als wij hiernamaals evenals de engelen het aangezicht Gods in heerlijkheid willen aanschouwen, Lukas 20:36, dan moeten wij thans het aangezicht Gods aanschouwen in de bereidvaardigheid om, evenals zij, onzen plicht te doen, Handelingen 9:6. De genaderijke bedoeling van Christus hen betreffende, vers 11. Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken dat verloren was. Dat is ene reden: Ten eerste. Waarom de engelen der kleinen dien last hen betreffende hebben, en over hen waken om hen te dienen, het is in overeenstem min g met Christus' bedoeling om hen zalig te maken. De dienst der engelen is gegrond op Christus' middelaarswerk. Door Hem zij n de engelen met ons verzoend, en als zij Gods welbehagen in de mensen loven, vlechten zij daar hun eigen welbehagen bij in. Ten tweede. Waarom zij niet veracht moeten worden, omdat Christus gekomen is om hen zalig te maken, om zalig te maken die verloren waren, de kleinen, die verloren zijn in hun eigen ogen, Jesaja 66:2, en met zich zelven geen raad weten. Of liever, de kinderen der mensen. Van nature zijn onze zielen verloren zielen, zoals een reiziger verdwaald of verloren is, dat is: hij is buiten zijn weg, en zoals een veroordeelde gevangene verloren is. God verloor den dienst van den gevallen mens, verloor de eer, die Hij van ons had moeten ontvangen.
3. Christus' boodschap in deze wereld was zalig te maken dat verloren was, ons terug te brengen tot onze trouw, ons te herstellen in ons werk, ons weer in het bezit te stellen van onze voorrechten, en ons aldus op den rechten weg te brengen, die heenvoert naar ons groot doel, hen zalig te maken, die geestelijk verloren zijn, en hen aldus er voor te behoeden om voor eeuwig verloren te zijn.
4. Dit is een goede reden, waarom de geringste en zwakste gelovigen niet veracht of geërgerd moeten worden. Indien Christus hen in zo hoge waarde houdt, zo laat ons hen dan niet onderschatten. Indien Hij zich, om hen te redden en zalig te maken, zozeer verloochend heeft, dan voorzeker behoren wij ons zelven te verloochenen ter hunner stichting en vertroosting. Zie hoe dit argument nader aangedrongen wordt in Romeinen 14:15, 1 Corinthiërs 8:11, 12. Indien Christus in deze wereld is gekomen om zielen zalig te maken, en Hij zijn hart zozeer op dat werk gezet heeft, dan zal Hij ook streng rekenschap afeisen van hen, die het belemmeren, door den voortgang te verhinderen van hen, die hun aangezicht hemelwaarts hebben gericht, en die Hem aldus in Zijn groot plan tegenwerken. Wij hebben er voorts ook op te letten met hoeveel tederheid onze hemelse Vader deze kleinen gadeslaat en voor hun welzijn zorgt. Dit wordt aangetoond door ene vergelijking, vers 12-14. Let op de opklimming in het argument: de engelen Gods zijn hun dienaren, de Zone Gods is hun Zaligmaker, en, om hun eer volkomen te maken, God zelf is hun vriend.
Niemand zal ze uit Mijne hand rukken, Johannes 10:28. Hier is Ten eerste, De vergelijking, vers 12, 13. De eigenaar van honderd schapen heeft er een verloren. Dit verlies wordt door hem niet gering geacht, neen, vlijtig zoekt hij er naar, en is zeer verblijd als hij het gevonden heeft, ja zijne blijdschap in dat ene weergevonden schaap is groter dan in de negen en negentig, die niet verdwaald waren. De vrees, die hij koesterde, van het te moeten verliezen, en de verrassing van het gevonden te hebben, verhogen zijne vreugde. Nu is dit toepasselijk:
1. Op den staat van den gevallen mens in het algemeen. Hij is verdwaald als een verloren schaap, de engelen, die staande zijn gebleven, waren als de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn. De verdwaalde mens wordt gezocht op de bergen, die Christus met grote vermoeienis besteeg en doorkruiste, om hem te zoeken, en hij wordt gevonden, hetgeen ene oorzaak is van vreugde. Er is in den hemel meer blijdschap over de bekering van zondaren dan over het blijven der engelen.
2. Op bijzondere gelovigen, die geërgerd en buiten hun weg gevoerd worden door de struikelblokken, die hun in den weg gelegd zijn, of de listen en lagen van hen, die hen van den weg aflokken. Al was het nu maar een van de honderd, dat aldus weggedreven wordt, gelijk dit met schapen maar al te gemakkelijk gaat, toch zal het met grote zorg nagegaan en gezocht worden, de terugkeer wordt met grote blijdschap welkom geheten, en daarom zal ook het onrecht, dat er aan geschied is, met groot ongenoegen bezocht en gestraft worden. Indien er blijdschap is in den hemel wegens het vinden van een dezer kleinen, dan is er ook toorn in den hemel wegens het ergeren van hen. God stelt genadiglijk belang, niet slechts in Zijne kudde in het algemeen, maar ook in ieder lam of schaap, dat er toe behoort. Daar er zo velen zijn, kan Hij uit zo velen allicht een missen, want Hij is een grote Herder, maar Hij kan het niet zo licht of gemakkelijk verliezen, want Hij is een goede Herder, en Hij neemt meer bijzonder kennis van Zijne kudde dan ooit, want Hij roept Zijne schapen bij name, Johannes 10:3. Zie een volledige verklaring van deze gelijkenis in Ezechiël 34:2, 10, 16, 19.
Ten tweede. De toepassing onzer vergelijking, vers 14, Alzo is de wil niet uws Vaders, die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga. Er wordt meer stilzwijgend te kennen gegeven dan in woorden uitgedrukt. Het is Zijn wil niet, dat er van verloren gaan, maar,
1. Het is Zijn wil, dat deze kleinen behouden en zalig worden, het is de wil van Zijn voornemen en het is Zijne verlustiging. Hij heeft het plan er toe beraamd en er Zijn hart op gezet, en Hij zal het volvoeren. Het is de wil van Zijn gebod, dat allen zullen doen wat zij kunnen om dit te bevorderen, en niet te verhinderen. 2. Deze zorg strekt zich uit over ieder schaap van de kudde, ook over het geringste. Wij denken, dat, zo er slechts een of twee geërgerd en verlokt worden, wij daar niet veel om behoeven te geven, maar Gods gedachten van liefde en tederheid zijn boven onze gedachten.
3. Er wordt te kennen gegeven, dat zij, die iets doen waardoor een dezer kleinen in gevaar wordt gebracht van om te komen, den wil van God tegenstaan, en Hem grotelijks tot toorn verwekken. En hoewel dit hun niet zal gelukken, zullen zij er toch om ter verantwoording worden geroepen door Hem, die in Zijne heiligen, evenals in andere dingen, ijvert voor Zijne eer, en haar niet zal laten vertreden. Jesaja 3:15, Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt en de aangezichten der ellendigen vermaalt? Christus noemde God Mijn Vader, die in de hemelen is, vers 19, in vers 14 noemt Hij Hem Uw Vader, die in de hemelen is, te kennen gevende, dat Hij zich niet schaamt om Zijn arme discipelen broeders te noemen, want hebben niet Hij en zij eenzelfde Vader? Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, Johannes 20:17, de onze, omdat hij de Zijne is. Dit geeft ook evenzeer den grond der veiligheid te kennen van Zijne kleinen, dat God hun Vader is, en dus geneigd is hen te ondersteunen, Een vader zorgt voor al zijne kinderen, maar zeer bijzonder zorgt hij voor de kleinen, Genesis 33:13. Hij is hun Vader in de hemelen, ene plaats van waar Hij al het onrecht kan zien, dat hun aangedaan wordt, en daarom kan Hij hen wreken. Dit vertroost de geërgerde kleinen, dat hun Getuige in den hemel is. Job 16:19, hun Rechter is daar, Psalm 68:6.