13. Maar die buiten zijn oordeelt God, zodat wij ons in het geheel niet over hun oordeel hebben te bekommeren. En doet u daarentegen, zoals dat reeds de Oud-Testamentische regeling van het volk van God verlangt, deze boze uit jullie midden weg (
Deuteronomium 13:5;
24:7).
In de eerste optelling van zondaars, met wie hij de omgang verbiedt (Vers 10), voegt Paulus bij degenen, die in geslachts-zonden leven (hoereerders), aan de ene kant die, wat het mijne en het uwe aangaat, zonder nauwgezetheid zijn, die zonder schroom er op bedacht zijn, het hunne te vermeerderen of het goed van vreemden tot hun eigendom te maken (gierigaards en rovers) en aan de andere kant, die aan de afgodendienst deelnemen (afgodendienaars), die, zonder zelfs de heidense afgoden enigszins te achten, door deel te nemen aan hun dienst het voortduren van vriendelijkheid en omgang met de heidenen, kopen. (Hoofdstuk 10:7, 19). De tweede optelling daarentegen (Vers 11) bestaat uit drie paren - hoereerders en gierigaards - die de begeerlijkheid laten werken tot geslachtsgemeenschap en tot het verkrijgen van bezittingen - afgodendienaars en lasteraars - die de eer van God en de eer van de naasten krenken - dronkaards en rovers, die Gods aardse gave misbruiken en het aardse goed van de naaste begerig zich toe-eigenen. De apostel had door zijn brief vermaand om met dergelijke zondaars geen omgang te hebben en niet verwacht om zo verkeerd te worden verstaan, zoals de gemeente in haar schrijven aan hem zich voordoet, hem te hebben begrepen, wanneer zij tegen hem inbrengt, dat het afbreken van alle dergelijk verkeer het leven in deze wereld onmogelijk zou maken. Zij moesten toch zelf weten dat een oordelen van degenen, die buiten de kerk zijn (want een oordelen van deze zou voor hen uitsluiting zijn uit de omgang van de Christenen) nooit zijn werk kon zijn. Hij laat hen, die zich buiten de kerk bevinden, aan het oordeel van God over, alleen tot hen, die binnen haar zijn, strekt zich zijn oordelende werkzaamheid uit. In dit opzicht is hij niet onderscheiden van de gemeente. Hij doet alleen wat zij zelf doet en naar hetgeen zij zelf doet, had zij hem moeten verstaan. Het is echter een voorrang, die tegelijk met het behoren tot de gemeente is gegeven, onder haar gericht te staan, omdat dit den zondaar daartoe kan dienen, dat hij niet in het gericht van God komt (Hoofdstuk 11:31), waaraan de wereld, die zich buiten haar bevindt, ten prooi wordt. Staat nu de gemeente werkelijk in zo geheel andere verhouding tot hen, die tot haar behoren, dan tot hen, die zich buiten haar bevinden, dan spreekt vanzelf wat haar verder te doen staat. In plaats van er zich om te bekommeren, dat er buiten haar zware zondaars zijn, moet zij uit eigen midden wegdoen, die boos is.
Dat de uitoefening van de kerkelijke tucht een plicht is voor de kerk, dat die op apostolische regeling berust en dus door God gewild is, zal niemand na het lezen van dit hoofdstuk kunnen ontkennen. Maar waarom wekt reeds het noemen van deze zaak zoveel tegenspraak op en stoot haar uitoefening op nauwelijks te overwinnen moeilijkheden. Omdat het onderscheid, dat zij veronderstelt en waarop de apostel zijn bevel doet rusten, het onderscheid tussen binnen en buiten, tussen kerk en wereld wel niet opgeheven is, maar toch aan uitwendige waarneming ontrukt. De kerk staat niet meer in de wereld, maar de wereld staat midden in de kerk. Daarom verzet zij zich tegen maatregelen, waardoor zij haar plaats weer buiten de kerk zou krijgen en de kerk zelf kent haar leden niet meer en is op iedere tred belemmerd door de menigte van hen, die alle recht als leden van de kerk zich toe-eigenen, zonder haar plichten. Waarover wij zo ten gevolge van een proces van de wereld moeten klagen, zal in hoofdzaak blijven totdat God door wegen van oordeel aan de tegenwoordige toestanden in het algemeen een einde maakt. Tot die tijd bewaart ieder zijn geweten zo goed hij kan en vergeet hij tenminste niet, wat hij moet, ook waar het onmogelijk is, dat dadelijk ten uitvoer te brengen.
Men vindt nu de heren van deze wereld midden in de kerk; het kleine hoopje van gelovigen heeft daar geen macht.
God geeft Zijn dienaren meer van die ware apostolische geest, meer van dat overvloeien van heilige liefde, die die brandende ijver bestuurt tegen de zonde en zich openbaart in getrouwe plichtsbetrachting. Deze schitterde zo heerlijk in de apostel en daarin stelt hij zichzelf terecht als een voorbeeld ter navolging voor zijn geestelijke kinderen en broeders.