Mattheus 18:1-6
Gelijk er nooit een groter voorbeeld van ootmoed is geweest, zo is er ook nooit een groter prediker van geweest dan Christus. Alle gelegenheden nam Hij waar om ootmoed aan Zijne discipelen en volgelingen te bevelen en aan te bevelen.
I. De aanleiding tot deze rede over nederigheid was een onbetamelijke strijd onder de discipelen over den voorrang, zij kwamen tot Hem, zeggende, (onder elkaar want zij schaamden zich het Hem te vragen, Markus 9:36): Wie is toch de meeste in het koninkrijk der hemelen? Zij bedoelen niet wie de meeste zou zijn door zijn karakter, zijne hoedanigheden, (want dan zou de vraag goed zijn geweest, ten einde te weten in welke genadegaven en plichten zij behoorden uit te munten), maar wie dit zou zijn in naam. Zij hadden veel gehoord van, en gepredikt over het koninkrijk der hemelen, het koninkrijk van den Messias, Zijne kerk in deze wereld, maar het was er nog zo ver vandaan, dat zij er een helder denkbeeld van hadden, dat zij droomden van een tijdelijk koninkrijk, met de uitwendige praal en macht, die daaraan verbonden is. Christus had kort tevoren Zijn lijden voorzegd en de heerlijkheid, die daarop volgen zou, dat Hij zou opstaan uit de doden, en zij dachten, dat dan Zijn koninkrijk een aanvang zou nemen. En nu vonden zij, dat het tijd was om naar de ereplaatsen er van te dingen, want in zulke gevallen moet men er immers "vroeg bij zijn." Ook na andere redenen van Christus over dat onderwerp zijn dergelijke besprekingen onder hen gehouden, Hoofdstuk 20:19, 20, Lukas 22:24, Hij sprak vele woorden over Zijn lijden, maar slechts een over Zijne heerlijkheid, maar op dat ene vallen zij aan, daaraan klemmen zij zich vast, terwijl zij de andere voorbijzien, en in plaats van te vragen hoe zij kracht en genade zullen hebben om met Hem te lijden, vragen zij Hem: Wie zal de hoogste zijn in de regering met Hem? Velen willen gaarne horen en spreken van voorrechten en heerlijkheid, die met hun gedachten niet gaarne verwijlen bij arbeid en moeite. Zij zien zo veel op de kroon, dat zij het juk en het kruis vergeten. Zo hebben ook de discipelen hier gedaan, toen zij vroegen: Wie is toch de meeste in het koninkrijk der hemelen?
1. Zij onderstellen dat allen, die ene plaats hebben in dat koninkrijk, groot zijn, want het is een koninkrijk van priesters. Zij zijn waarlijk groot, die waarlijk goed zijn, en als zodanig zullen zij ten laatste ook verschijnen, als Christus hen als de Zijnen zal erkennen, al waren zij ook nog zo arm en gering in de wereld.
2. Zij onderstellen, dat er graden zijn in die grootheid. Al de heiligen zijn achtbaar en loffelijk, maar niet allen in gelijke mate, de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. Niet al de krijgsoversten van David waren helden, en al zijne helden kwamen niet tot de eerste drie.
3. Zij onderstelden, dat sommigen onder hen het moesten zijn, die tot eerste staatsdienaren verheven zouden worden. Tot wier eer zou Koning Jezus een welbehagen hebben, indien niet tot de eer van hen, die voor Hem alles hadden verlaten, en die thans Zijne medegenoten waren in de lijdzaamheid en in de verdrukking?
4. Zij twistten er over wie dit zijn zou, daar ieder hunner er aanspraak op meende te hebben. Petrus was altijd de voornaamste woordvoerder, en reeds waren hem de sleutels overgegeven. Hij verwacht de grootkanselier te zijn, of de voornaamste kamerheer, en dus de meeste onder hen te zijn. Judas had de beurs, en daarom verwacht hij schatmeester te zijn, hetgeen, naar hij hoopt, hem tot den eerste en voornaamste onder hen zal maken, hoewel hij thans de laatste onder hen is. Simon en Judas-niet de Iskariot-waren aan Christus na verwant, en zij hopen, als prinsen van den bloede, al de grote plaatsen en ambten van den staat te zullen bezetten. Johannes is de beminde discipel, de gunsteling van den vorst, en daarom hoopt hij de meeste onder hen te zijn. Andreas was het eerst geroepen, waarom zou hij dan ook niet het eerst tot hoog aanzien worden bevorderd? Wij zijn maar al te geneigd om ons met zulke dwaze droombeelden te vleien, droombeelden, die nooit verwezenlijkt zullen worden.
II. De rede zelf, die een rechtvaardige bestraffing is van de vraag: Wie zal de meeste zijn? Wij hebben alle reden om te geloven, dat Christus, indien het ooit Zijne bedoeling was geweest, dat Petrus en zijne opvolgers te Rome de hoofden zouden zijn van de kerk en Zijn voornaamste plaatsvervangers op aarde, nu van deze schone gelegenheid gebruik zou hebben gemaakt, om dit aan Zijne discipelen bekend te maken, maar dit is er zo ver vandaan, dat Zij n antwoord de zaak zelf afkeurt en veroordeelt. Christus wil nergens zulk ene oppermacht in Zijne kerk instellen, wie zich zodanige oppermacht aanmatigt, is een overweldiger. In plaats van aan iemand onder de discipelen zulk ene waardigheid toe te kennen, waarschuwt Hij allen, om er niet naar te staan. Christus leert hun hier nederig te zijn:
1. Door een teken, vers 2, Jezus, een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen. Christus heeft dikwijls geleerd door tekenen of aanschouwelijk onderricht, door vergelijkingen, die door het oog waargenomen konden worden, gelijk de profeten vanouds dit ook gedaan hebben. Ootmoed is ene les, die zo moeilijk te leren is, dat wij haar door allerlei middelen leren moeten. Als wij een kindeken aanzien, dan behoren wij ons te herinneren, hoe Christus van zulk een kind gebruik heeft gemaakt. Dingen, die door de zinnen waargenomen kunnen worden, moeten wij tot geestelijke doeleinden gebruiken. Hij stelde dat in het midden van hen, niet om met dit kind te spelen, maar om er van te leren. Volwassen mensen, grote of aanzienlijke personen, moeten het gezelschap van kleine kinderen niet versmaden, of het beneden zich achten, om er enige aandacht aan te schenken. Zij kunnen of met zulke kinderen spreken, en ze onderwijzen, of wel hen aanzien, en lering van hen ontvangen. Christus zelf bevond zich als kind in het midden der leraren. Lukas 2:46.
2. Door ene leerrede over dit teken, waarin Hij hun en ons toont: De noodzakelijkheid van ootmoed, vers 3. Zijne inleiding is plechtig en ernstig, gebiedt aandacht en instemming: Voorwaar zeg Ik u, Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, zeg het: Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Merk hier op: Wat Hij eist en waarop Hij aandringt. Ten eerste: Gij moet u veranderen, gij moet van een andere gezindheid worden, gij moet andere denkbeelden koesteren, zowel over uzelven als over het koninkrijk der hemelen, eer gij geschikt zijt om er ene plaats in te hebben. De hoogmoed en de eerzucht, het streven naar eer en heerschappij, die zich in u vertonen, moeten betreurd worden, daarover moet gij berouw hebben, die moeten in u gedood worden, en gij moet dan weer tot uzelven komen. Behalve de eerste bekering ener ziel van den staat der natuur tot den staat der genade, zijn er nog daarna vele bekeringen van bijzondere paden van afzwerving of afval, die ook zeer noodzakelijk zijn voor de zaligheid. Iedere stap buiten den weg door de zonde, moet gevolgd worden door een stap terug op den weg door berouw en bekering. Toen Petrus berouw had van zijn verloochenen van zijn Meester, was hij bekeerd. Ten tweede: Gij moet worden als de kinderkens. Bekerende genade maakt ons als kinderkens, niet als kinderkens in het verstand, dus dwaze kinderen, 1 Corinthiërs 14:20, noch als wispelturige kinderen, Efeze 4:14, noch als speelzieke kinderen, Hoofdstuk 11:16, maar als kinderkens moeten wij begerig zijn naar de redelijke onvervalste melk des woords, 1 Petrus 2:2, als kinderen moeten wij om geen ding bezorgd zijn, maar het aan onzen hemelsen Vader overlaten om voor ons te zorgen, Hoofdstuk 6:31. Als kinderen moeten wij onnozel en argeloos zijn, 1 Corinthiërs 14:20, handelbaar, gezeggelijk onder gezag, Galaten 2:2, en -hetgeen hier voornamelijk bedoeld is-wij moeten nederig zijn als kinderen, die er niet aan denken, dat zij hun waardigheid moeten ophouden, niet staan "op het punt van eer", daar het kind van een aanzienlijk man met het kind van een bedelaar zal willen spelen, Romeinen 12:16, het kind in lompen aan de borst der moeder is tevreden, en benijdt het fraais niet van het kind, dat in zijde gekleed is. Kleine kinderen hebben het oog niet op hoge plaatsen der eer, koesteren gene plannen om vooruit te komen in de wereld, zij wandelen niet in dingen, die hun te hoog en te wonderlijk zijn, aldus hebben ook wij ons te gedragen, wij moeten onze ziel zetten en stil houden, Psalm 131:1, 2. Evenals kinderen klein van lichaam zijn, zo moeten wij ook klein zijn in geest en gemoed, en in de schatting van ons zelven. Dit is ene gemoedsstemming, die naar andere goede gezindheden leidt, de leeftijd van het kind is de tijd van leren. Welk een nadruk Hij hierop legt. Zonder dit, zonder die kinderlijke gezindheid, zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Discipelen van Christus moeten in ontzag gehouden worden door bedreigingen, opdat zij vrezen achtergebleven te zijn, Hebreeën 4:1. Toen de discipelen die vraag deden, vers 1, dachten zij zeker te zijn van het koninkrijk der hemelen, maar Christus wekt hen op, om wat ongerust te zijn over zich zelven. Zij koesterden de eerzucht om de meesten te zijn in het koninkrijk der hemelen, Christus zegt hun, dat zij, indien zij niet tot een betere gezindheid komen, er in het geheel niet zullen ingaan. Velen, die zich als groot en voornaam voordoen in de kerk, blijken niet slechts klein, maar in het geheel niets te zijn, en zij worden bevonden geen deel noch lot in deze zaak te hebben. Onze Heere bedoelt hier het grote gevaar van hoogmoed en eerzucht aan te tonen. Welke belijdenis de mensen ook afleggen, als zij zich toegeven in deze zonde, zullen zij uitgeworpen worden van Gods tabernakel en van Zijn heiligen berg. Hoogmoed heeft de engelen, die gezondigd hebben, uitgeworpen uit den hemel, en zal ons, zo wij er niet van bekeerd worden, er buiten houden. Zij, die opgeblazen worden door hoogmoed, vallen in het oordeel des duivels. Om dit te voorkomen, moeten wij worden als de kinderkens, en daarvoor moeten wij wedergeboren worden, moeten wij aandoen den nieuwen mens, moeten wij wezen gelijk het heilig kind Jezus, aldus wordt Hij zelfs na Zijne hemelvaart nog genoemd, Handelingen 4:27. Hij toont de eer en het voordeel aan der nederigheid, vers 4, en geeft hun hiermede een direct, doch verrassend, antwoord op hun vraag. Hij, die zich zelven vernedert als een kindeke, is, hoewel hij kan vrezen zich hierdoor verachtelijk te maken als iemand van een verlegen, beschroomd karakter, die zich door die beschroomdheid zelf den weg tot bevordering afsluit, de meeste in het koninkrijk der hemelen. De nederigste Christenen zijn de beste Christenen, het meest aan Christus gelijkvormig, en het hoogst bij Hem in gunst. Zij zijn het geschiktst voor de mededelingen der Goddelijke genade, en om God in deze wereld te dienen en van Hem te genieten in de toekomende. Zij zijn groot, want God ziet in hemel en op aarde uit naar dezulken, en voorzeker moeten zij het meest geacht en geëerd worden in de gemeente, die het nederigst zijn, en het meest zich zelven verloochenen, want hoewel zij dit het minst zoeken of begeren, verdienen zij het toch het meest. De bijzondere zorg, die Christus draagt over hen, die nederig zijn. Hij omhelst hun zaak, Hij beschermt hen, deelt in hun belangen, en zal wèl toezien dat zij niet verongelijkt worden zonder dat hun daarna recht wedervaart. Zij, die zich aldus vernederen, zullen vrezen: Dat niemand hen zal ontvangen, maar, vers 5, Wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn naam, die ontvangt Mij. Alle vriendelijkheid, aan de zodanige bewezen, beschouwt Christus als bewezen aan Hem zelven. Wie een nederig en zachtmoedig Christen ontvangt, hem ondersteunt, hem door zijne bescheidenheid niets laat verliezen, hem liefde en vriendschap toedraagt, hem in zijn gezelschap opneemt, voor hem zorgt, er zich op toelegt om hem vriendelijkheid te bewijzen, en dit doet in den naam van Christus en om Zijnentwil, omdat hij het beeld van Christus draagt, Christus dient en Christus hem ontvangen heeft, die zal door Christus aangenomen worden, en zijn doen zal beloond worden als een welbehaaglijk blijk van eerbied voor Christus. Hoewel het slechts zulk een kindeke is, dat in Christus' naam ontvangen wordt, zal dit Hem welbehaaglijk zijn. De tedere zorg van Christus over Zijne kerk strekt zich uit tot ieder lid er van, ook tot de geringsten, niet slechts over het gehele gezin, maar over ieder kind van het gezin. Hoe minder zij zijn in zich zelven, aan wie wij vriendelijkheid bewijzen, hoe meer liefde hierin blijkt voor Christus, hoe minder het is om hunnentwil, hoe meer het is om Zijnentwil, en als zodanig neemt Hij het ook op. Wij denken dat, indien Christus zich persoonlijk onder ons bevond, wij nooit genoeg zouden doen, om Hem welkom te heten, de armen, de armen van geest, hebben wij altijd met ons, en zij zijn Zijne ontvangers, Hoofdstuk 25:35-40. Zij vrezen, dat iedereen hen zal mishandelen, de slechtste mensen scheppen er behagen in de nederigen te vertreden. Dit bezwaar ruimt Hij uit den weg, vers 6, daar Hij alle mensen ten ernstigste waarschuwt, om aan Zijne kleinen geen schade of nadeel toe te brengen. Dit woord wordt een vurige muur rondom hen, wie hen aanraakt, raakt Gods oogappel aan. Let nu ten eerste op de veronderstelde misdaad van een van deze kleinen, die in Christus geloven, te ergeren. Hoewel zij kleinen zijn, worden zij toch door hun geloven in Christus aan Hem verbonden. Hierdoor maakt Hij hun zaak tot de Zijne, zodat, gelijk zij delen in het voordeel van Zijn lijden, Hij deelt in het onrecht van hun lijden. De kleinen, die geloven, hebben dezelfde voorrechten als de groten, want allen zijn zij hetzelfde dierbare geloof deelachtig geworden. Er zijn er, die deze kleinen ergeren door hen te doen zondigen, 1 Corinthiërs8:10, 11, hun rechtvaardige ziel te kwellen, hen te ontmoedigen, hun zachtmoedigheid te baat nemen om hen tot ene prooi te maken in hun persoon, hun gezin, hun bezittingen of hun goeden naam. Aldus hebben de voortreffelijkste mensen dikwijls de slechtste behandeling in de wereld ondervonden.
Ten tweede. De straf op deze misdaad aangeduid in dat woord: Het ware hem nutter, dat hij verzonken ware in de diepte der zee. Die zonde is zo snood, en het verderf naar verhouding zo groot, dat het hem beter ware om de zwaarste straf te ondergaan, die aan de ergste misdadigers opgelegd wordt, en die alleen maar het lichaam kan doden. De hel is erger dan de diepte der zee, want het is een bodemloze afgrond en een brandende poel. De diepte der zee doodt slechts, maar de hel pijnigt. Wij ontmoeten een mens, die in de diepte der zee vertroosting smaakte, het is Jona, Hoofdstuk 2:2, 4, 9, maar nooit heeft iemand het minste straaltje van hoop of vertroosting gezien in de hel, en hij zal die ook tot in alle eeuwigheid niet zien. Het onweerstaanbare, onherroepelijke vonnis van den groten Rechter zal sneller en zekerder doen verzinken dan een molensteen, die om iemands hals gehangen is. Het vestigt een kloof, waarover men niet heen kan komen, Lukas 16:26. Het ergeren van Christus' kleinen, al is het ook slechts door nalaten, wordt als reden aangegeven van het schrikkelijke vonnis: Gaat weg, gij vervloekten, dat ten laatste het oordeel over de hovaardige vervolgers zijn zal.