1 Corinthiërs 8:7-13
De apostel na te hebben toegestemd en waarlijk bevestigd het gevoelen van sommigen der Corinthiërs, dat de afgoden niets zijn, gaat er nu toe over om aan te tonen dat hun toepassing van deze bewering onjuist was, namelijk dat zij daarom in heidense tempels mochten gaan, van de offeranden eten en daar met hun heidense geburen feestvieren. Maar hij legt den nadruk hier niet zozeer op het ongeoorloofde van die daad in zich zelve dan wel op het nadeel, dat zulke vrijheid zwakker Christenen berokkenen zou, mensen die niet zoveel kennis hadden als zij. En wel:
I. Hij merkt hun op dat toentertijd niet ieder Christen zo ten volle overtuigd en overreed was, dat een afgod niets is. Doch in allen is de kennis niet, maar sommigen met een geweten des afgods totnogtoe, eten als iets dat den afgoden geofferd is, met een geweten des afgods, dat is met zekere verwarde verering van den afgod. Ofschoon zij tot het Christendom bekeerd waren en den waren godsdienst beleden, waren zij niet geheel van den ouden zuurdesem gezuiverd, er was nog een ontoerekenbaar deel eerbied overgebleven voor de afgoden, die zij vroeger vereerd hadden. Merk op: Zwakke Christenen kunnen onwetend zijn, of slechts benevelde kennis van de grootste en duidelijkste waarheden hebben, zoals dat er slechts een God en een Middelaar is. En het schijnt dat sommigen van de Corinthiërs, die van het heidendom tot het Christendom bekeerd waren, toch nog zekeren eerbied voor hun afgoden behouden hadden, welke volkomen onverenigbaar was met deze grote beginselen, zodat wanneer ene gelegenheid zich voordeed om dingen te eten, die den afgoden geofferd waren, zij zich niet onthouden konden, niet hun afschuw van de afgoderij openbaren, niet met uitgesproken verachting van den afgod eten, door te verklaren dat ze dien voor niets hielden, en zo werd hun geweten, zwak zijnde, bevlekt, dat is: zij hadden schuld op zich, zij aten uit eerbied voor den afgod, met de onderstelling dat die toch iets goddelijks had, en bedreven zo afgoderij, terwijl het doel van het Evangelie was de mensen te bekeren van de stomme afgoden tot den levenden God. Zij waren zwak in hun verstand en niet geheel en al doordrongen van de ijdelheid der afgoden, en terwijl zij aten hetgeen dien geofferd was, uit eerbied voor hen, bevlekten zij hun geweten met afgoderij en benadeelden zich zelven grotelijks. Dit schijnt de bedoeling van deze plaats te zijn, ofschoon sommigen haar verstaan alsof zwakke Christenen zich bezondigden door te eten hetgeen den afgoden geofferd was, omdat ze onderstelden dat ze daardoor onrein werden in zedelijken zin, daar niet ieder de volle overtuiging had dat een afgod niets is en daarom hetgeen gegeten werd in geen geval verontreinigen kon. Merk op: wij mogen niets doen wat zwakke Christenen aanleiding geeft om hun geweten te bevlekken.
II. Hij zegt hun dat het eten en drinken op zichzelf niets deugdzaams en niets misdadigs heeft, niets dat hen beter of slechter maken kon, Gode mishagen of behagen. De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam. Want hetzij dat wij eten wij hebben geen overvloed (Engelse vertaling: wij zijn er niet beter om), hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek (Engelse vertaling: wij zijn er niet slechter om). Het schijnt dat sommige Corinthiërs het eten van hetgeen den afgoden geofferd was en dat zelfs in de tempels, voor iets verdienstelijks hielden, vers 10, omdat ze daardoor duidelijk toonden te weten dat een afgod niets was. Maar eten en drinken op zichzelf zijn onverschillige dingen. Het doet er weinig toe wat wij eten. Niets van hetgeen in den mens komt, reinigt of ontreinigt hem. Vlees van afgodenoffer kan op zichzelf even voedzaam zijn als ander vlees en het drinken of verbieden van drinken is in zichzelf geen deugd. Het is een grote dwaling te menen, dat het onderscheid tussen voedsel en voedsel voor God ook onderscheid maakt tussen de mensen onderling. Het ene voedsel te eten en het andere te verbieden maakt een mens niet aangenaam voor God. III. Hij waarschuwt hen tegen misbruik van hun vrijheid, de vrijheid die ze in dit opzicht meenden te hebben. Want dat ze deze zaak verkeerd opvatten en geen verlof hadden om maaltijden in afgodstempels bij te wonen, schijnt duidelijk te blijken uit Hoofdstuk 10:20 en v.v. Maar de apostel wijst hier slechts aan, hoe, zelfs ondersteld dat ze er toe bevoegd waren, ze toch angstvallig moesten zijn in het gebruik ervan, het zou een aanstoot kunnen zijn voor degenen die zwak zijn, vers 9, het kon dezen aanleiding geven om in heidense gewoonten terug te vallen, zelfs om geheel van het Christendom af te vallen en tot het heidendom terug te keren. Indien iemand ziet dat gij, die de kennis hebt (hogere kennis hebt dan hij, en daardoor besluit dat ge vrijheid hebt om in den afgodstempel aan een feestmaal aan te zitten, omdat gij zegt dat een afgod niets is), daaraan deelneemt, zal dan hij die op dit punt minder goed onderricht is, en denkt dat een afgod toch nog wel iets is, niet gestijfd worden om afgodenoffer te eten, niet als gewoon voedsel maar als offerande, en daardoor schuldig worden aan afgoderij? Zij behoorden angstig te zijn om zulk een gelegenheid tot vallen hun broederen voor te werpen, ongeacht welke vrijheid of macht zij zelven hadden. De apostel versterkt deze waarschuwing met twee redenen:
1. Het gevaar, dat er uit voortspruit voor zwakke broederen, zelfs die zwakke broederen, voor welken Christus stierf. Liever moeten we ons ontzeggen zelfs hetgeen geoorloofd is, dan hun gelegenheid tot struikelen te geven en hun zielen in gevaar te brengen, vers 11. Zal de broeder, die zwak is, door uwe kennis verloren gaan, voor welken Christus gestorven is? Zij, welken Christus verlost heeft door Zijn dierbaar bloed, moeten ons zeer dierbaar en kostelijk zijn. Indien Hij zoveel medelijden met hen had, dat Hij in den dood ging opdat zij niet verloren zouden gaan, dan behoren wij zoveel liefde voor hen te gevoelen dat we om hunnentwille ons zelven verloochenen, in verschillende omstandigheden, en niet onze vrijheid ten hunnen nadele gebruiken, waardoor we hun een struikelblok voorwerpen en hen bederven. Die man heeft zeer weinig van den geest des Verlossers, die eer zou dulden dat zijn broeder verloren ging, dan dat hem in enig opzicht iets van zijn vrijheid benomen werd. Hij, die den Geest van Christus heeft, zal hen liefhebben, die Christus zo liefhad dat Hij voor hen stierf, en zal er op bedacht zijn hun geestelijk en eeuwig welzijn te bevorderen en alles te vermijden wat hun onnodig verdriet doen zal, hoe veel meer alles wat hun mogelijk een aanleiding tot struikelen en vallen in de zonde zou kunnen zijn.
2. Het leed hun aangedaan, rekent Christus als zich zelven berokkend. Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus, vers 12. Beledigingen, den Christenen aangedaan, zijn beledigingen van Christus, inzonderheid wanneer het zwakke Christenen, zuigelingen in Christus zijn, en meest van al, wanneer zij er door schuldig en in het geweten gekwetst worden. Hij draagt bijzondere zorg voor de lammeren der kudde. Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen en in Zijn schoot dragen, Jesaja 40:11. Sterke Christenen moeten zeer zorgvuldig zijn in het vermijden van alles wat de zwakken kan beledigen of hun een struikelblok in den weg werpen. Zullen we tekortschieten in medegevoel voor hen, wie Christus zoveel liefde betoonde? Zullen wij zondigen tegen Christus, die leed voor ons! Zullen wij er ons toe lenen om Zijn genadig voornemen te verijdelen en helpen hen te verwoesten om wie te redden Hij stierf?
IV. Hij zet alles kracht bij door zijn eigen voorbeeld, vers 13. Daarom, indien de spijze mijnen broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijnen broeder niet moge ergeren. Hij zegt niet dat hij nooit meer zou eten. Dat zou hem zelf verwoesten en een schandelijke zonde zijn, om een val in de zonde van zijn broeder te verhinderen. Zulk kwaad mag niet begaan worden opdat het goede er uit voortkome. Doch ofschoon het nodig was te eten, was het niet nodig vlees te eten. En daarom, liever dan zijn broeder te doen zondigen, zou hij daarvan levenslang afstand doen. Hij hechtte zoveel waarde aan de ziel van zijn broeder, dat hij gewillig zich zelven verloochenen zou op enig punt van zijn vrijheid, en afzien van enig bepaald voedsel, dat hij volkomen geoorloofd eten mocht en ook gaarne at, wanneer dat een struikelblok op den weg van een zwakken broeder zou zijn en hem tot zonde brengen, indien deze zijn voorbeeld volgde, zonder in zijn geweten overtuigd te zijn dat zulks hem geoorloofd was. Wij behoren zeer teder te zijn in het doen van iets, dat onzen broeder aanstoot geven kan, ofschoon het op zichzelf onschuldig is. Vrijheid is kostelijk, maar de zwakheid van een broeder moet ons aanleiding zijn en soms verplichten haar in te boeten. Wij moeten niet te streng onze rechten eisen en handhaven, tot schade en verwoesting van de ziel eens broeders, en daardoor den Verlosser, die voor hem stierf, beledigen. Wanneer met zekerheid kan voorzien worden dat ik door te doen wat ik ook laten kan, veroorzaak dat mijn broeder iets doet wat hij laten moet, dan beledig ik hem, doe hem schande aan of laat hem struikelen, hetgeen zonde is ofschoon de daad zelf zo geoorloofd mogelijk zij, En indien we zo zorgvuldig moeten vermijden dat anderen door ons zondigen, hoe angstvallig behoren we dan te verhoeden dat we zelf zondigen. Indien ik reeds zo nauwgezet moet toezien dat eens anders ziel niet door mij gevaar loopt, hoezeer moet ik er dan op bedacht zijn dat ik mijn eigen ziel niet verwoest.