Mattheus 13:24-43
In deze verzen hebben wij:
I. Nog ene reden, waarom Christus door gelijkenissen geleerd en gepredikt heeft, vers 34, 35. Al deze dingen heeft Jezus gesproken door gelijkenissen, omdat de tijd nog niet gekomen was voor de helderder en duidelijker openbaringen van de verborgenheden des koninkrijks. Ten einde de aandacht en de verwachting des volks op te wekken, heeft Christus in gelijkenissen gesproken, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, namelijk op dien dag, en in deze leerrede. Christus beproeft alle wegen en middelen om goed te doen aan de zielen der mensen, en indrukken bij hen teweeg te brengen. Indien de mensen niet door het eenvoudig prediken onderwezen willen worden, dan zal Hij het met gelijkenissen beproeven, en de reden, die hiervoor gegeven wordt, is: opdat de Schriften zouden vervuld worden. De plaats, hier aangehaald, is een deel der inleiding van den historischen psalm, den 78sten. Ik zal mijn, mond opendoen in ene gelijkenis. Wat de psalmist, David, of Asaf, hier van zijn verhaal zegt, wordt toegepast op de leerredenen van Christus, en dit grote voorbeeld kon dienen om deze manier van prediken te rechtvaardigen, tegenover de ergernis, die er bij sommigen door werd opgewekt. Hier is:
1. De stof, of het onderwerp van Christus' prediking. Hij predikte dingen, die van de grondlegging der wereld verborgen waren gebleven. De geheimenis van het Evangelie was van alle eeuwen verborgen in God, in Zijne raadsbesluiten, Efeze 3:9. Vergelijk Romeinen 15:26, 1 Corinthiërs 2:7, Colossenzen 1:26. Als wij ons verlustigen in de berichten van oude dingen, en in de openbaring van verborgenheden, hoe welkom moest ons dan niet dit Evangelie zijn, dat van zo hoge oudheid en zo gewichtige verborgenheden spreekt! Het was van de grondlegging der wereld af gehuld in typen en afschaduwingen, die thans weggedaan zijn, en die verborgene dingen worden thans geopenbaarde dingen, welke voor ons zijn en voor onze kinderen, Deuteronomium 29:29.
2. De manier van Christus' prediking: Hij predikte door gelijkenissen, wijze gezegden, maar in beeldspraak, die ene hulpe is om de aandacht der hoorders op te wekken en hen tot een vlijtig onderzoek aan te sporen. Salomo's zinrijke gezegden, die vol zijn van gelijkenissen, worden spreuken genoemd, maar hierin geldt, evenals in alle andere dingen: Ziet, Een, meer dan Salomo is hier, in wie alle de schatten der wijsheid verborgen zijn.
II. De gelijkenis van het onkruid, en de verklaring er van, zij moeten samen gaan, want de verklaring verduidelijkt de gelijkenis, en de gelijkenis verduidelijkt de verklaring. De discipelen verzoeken hun Meester deze gelijkenis voor hen uit te leggen, vers 36, Jezus had de scharen van zich gelaten, en het is te vrezen, dat velen hunner weggingen, niet wijzer dan zij gekomen waren. Zij hadden een geluid van woorden gehoord, en dat was alles. Het is droevig te denken hoe velen weggaan van ene prediking met het woord der genade in hun oren, maar met geen werk der genade in hun hart. Christus ging naar huis, niet zo zeer voor Zijne eigene rust, als wel om nog een afzonderlijk gesprek te hebben met de discipelen, wier onderricht Hij voornamelijk op het oog had in Zijne prediking. Hij was bereid aan alle plaatsen goed te doen, de discipelen grepen de gelegenheid aan, en zij kwamen tot Hem. Zij, die voor alle dingen wijs willen zijn, moeten de wijsheid hebben om zich de gelegenheden ten nutte te maken, inzonderheid de gelegenheid om met Christus te spreken, met Hem alleen te spreken, in stille overdenking en gebed. Als wij terugkeren uit de plechtige bijeenkomst, dan is het heel goed om wat wij er gehoord hebben te bespreken, en door die gemeenzame gesprekken elkaar te helpen om het te verstaan en te onthouden, en om er door bewogen te zijn, want wij verliezen het nut van menige preek, door daarna over allerlei onnutte en ijdele zaken te spreken, Lukas 24:32, Deuteronomium 6:6, 7. Bijzondere samenspreking zou heel veel kunnen bijdragen om nut en voordeel te trekken voor onze ziel uit de openbare prediking. Nathan's: "Gij zijt die man" is doorgedrongen tot David's hart. Het verzoek der discipelen aan hun Meester was: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers. Dit duidt ene erkenning aan van hun onwetendheid, en zij schamen zich niet dit te bekennen. Waarschijnlijk hebben zij de algemene strekking der gelijkenis wel gevat, maar zij verlangden haar nog meer in bijzonderheden te begrijpen, en er ook zeker van te zijn, dat hun opvatting juist was. Diegenen zijn welgezind voor Christus' lering, die zich hunner onwetendheid bewust zijn, en oprecht begeren onderwezen te worden. Hij zal de nederigen onderwijzen, Psalm 25:8, 9, maar Hij wil hierom verzocht worden. Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere. Christus had de vorige gelijkenis verklaard zonder er om gevraagd te zijn, maar om de verklaring van deze vragen zij Hem. De zegeningen, die wij hebben ontvangen, moeten wij ons ook verder ten nutte maken, zowel tot leiding bij hetgeen wij bidden, als ter bemoediging in het gebed. Het eerste licht en de eerste genade zijn ons voorkomend geschonken, voor het verder toenemen in beide hebben wij dagelijks te bidden. 2. De verklaring, die Christus gaf van de gelijkenis, zo bereid is Christus om aan een dergelijk verzoek Zijner discipelen te voldoen. De strekking nu van de gelijkenis is ons ene voorstelling te geven van den tegenwoordigen en toekomenden staat van het koninkrijk der hemelen, de Evangelie-kerk, Christus' zorge er voor, des duivels vijandschap er tegen, de vermenging van goed en kwaad in deze wereld, en de scheiding er van in de toekomende wereld. De zichtbare kerk is het koninkrijk der hemelen, hoewel daar nu vele geveinsden in zijn, heerst Christus er toch in als Koning, en er is een overblijfsel in, die de onderdanen en erfgenamen des hemels zijn, naar wie, als het betere deel er van, zij genoemd is: de kerk is het koninkrijk der hemelen op aarde. Laat ons nu de bijzonderheden nagaan van de verklaring der gelijkenis.
Die het goede zaad zaait, is de Zoon, des mensen. Jezus Christus is de Heer van den akker, de Heer des oogstes, de Zaaier van het goede zaad. Toen Hij opgevaren is naar de hoogte, heeft Hij der wereld gaven gegeven, niet slechts goede leraren, maar ook andere goede, of Godvruchtige mensen. Alle goed zaad, dat er in de wereld is, komt uit de hand van Christus, en is door Hem gezaaid: waarheden, die worden gepredikt, genade, die in het hart wordt geplant, zielen, die geheiligd worden: dat alles is goed zaad, en wij zijn het alles aan Christus verschuldigd. Leraren zijn werktuigen in de hand van Christus om goed zaad te zaaien, zij worden gebruikt door Hem en onder Hem, en de goede uitslag van hun' arbeid hangt zuiver en alleen af van Zijn zegen. Zodat met recht gezegd kan worden, het is Christus, en niemand anders, die het goede zaad zaait, Hij is de Zoon des mensen, een onzer, zodat Zijne majesteit ons niet zal verschrikken, de Zoon des mensen, de Middelaar, die bekleed is met gezag.
De akker is de wereld, de wereld van het mensdom, een ruim veld, in staat om goede vruchten voort te brengen. Des te meer is het te betreuren, dat het zo vele kwade vruchten voortbrengt: de wereld is hier de zichtbare kerk, verspreid over de wereld, niet beperkt tot een enkel volk. In de gelijkenis wordt zij Zijn akker genoemd, de wereld is Christus' akker, want alle dingen zijn Hem van Zijn' Vader overgegeven. Alle macht en gezag, die de duivel in deze wereld heeft, heeft hij zich wederrechtelijk toegeëigend, als Christus komt om bezit te nemen, dan komt Hij, die daartoe het recht heeft, het is Zijn akker, en omdat hij de Zijne is, draagt Hij zorg om hem met goed zaad te bezaaien. Het goede zaad zijn de kinderen des koninkrijks, ware heiligen. Zij zijn: de kinderen des koninkrijks, niet slechts, gelijk de Joden, in belijdenis, Hoofdstuk 8:12, maar in oprechtheid, Joden in hun binnenste, waarlijk Israëlieten, in geloof en gehoorzaamheid, ingelijfd in Jezus Christus, den groten Koning der kerk. Zij zijn het goede zaad, kostbaar als zaad. Psalm 126:6. Het zaad is het steunsel van het veld, Jesaja 6:13, zo ook het heilig zaad. Het zaad wordt uitgestrooid, zo ook de heiligen, verstrooid en verspreid, hier een, en dáár een, hoewel in sommige plaatsen dichter gezaaid dan in andere. Het zaad is hetgeen, waarvan vrucht verwacht wordt, alle vrucht van eer, heerlijkheid en dienst, die God van deze wereld heeft, heeft Hij van de heiligen, die Hij zich op de aarde gezaaid heeft, Hosea 2:23.
Het onkruid zijn de kinderen des bozen. Hier is het karakter, de aard, der zondaren, het zijn geveinsden-alle onheilige en goddeloze mensen. Zij zijn de kinderen des duivels, hoewel zij zijn naam niet dragen, dragen zij toch zijn beeld, zij doen zijne begeerten, van hem ontvangen zij hun opvoeding, hij heerst over hen, hij werkt in hen, Efeze 2:2, Johannes 8:44. Zij zijn het onkruid op den akker der wereld, zij doen geen goed, maar kwaad, zij zijn onnut in zich zelven en schadelijk voor het goede zaad, beide door verzoeking en vervolging. Zij zijn onkruid in den hof, zij genieten van dezelfden zegen, en zonneschijn en grond als de goede planten, maar zij deugen nergens toe, zij zijn het onkruid onder de tarwe. God heeft het zo verordineerd, dat goed en kwaad in deze wereld dooreen gemengd zijn, opdat het goede beoefend zou worden en het kwaad niet te verontschuldigen zou zijn, en er tussen aarde en hemel onderscheid worde gemaakt.
De vijand, die het onkruid gezaaid heeft, is de duivel, een gezworen vijand van Christus en van al wat goed is tot eer en heerlijkheid van den goeden God, en de vertroosting en zaligheid van goede mensen. Hij is een vijand van den akker der wereld, dien hij poogt tot zijn akker te maken door er onkruid in te zaaien. Van dat hij zelf een boze geest is geworden, heeft hij er zich vlijtig op toegelegd boosheid te bevorderen, en zich ten doel gesteld Christus hierin tegen te werken. Ten opzichte nu van het zaaien van onkruid valt op te merken: Dat het gezaaid werd als de mensen sliepen. De overheidspersonen sliepen, die door hun macht, leraren sliepen, die door hun prediking dit kwaad hadden moeten verhoeden. Satan loert op alle gelegenheden, en grijpt alle middelen aan om ondeugd en onheiligheid te bevorderen en te verspreiden. Aan bijzondere personen brengt hij die schade toe als rede en geweten slapen, als zij niet op hun hoede zijn, daarom hebben wij nodig nuchteren te zijn en te waken. Het was in den nacht, want dat is de tijd om te slapen. Satan heerst in de duisternis dezer wereld, dat geeft hem de gelegenheid om onkruid te zaaien, Psalm 104:20. Het was als de mensen sliepen, en het is niet te verhelpen, dat de mensen een tijd moeten hebben om te slapen. Het is even onmogelijk voor ons te beletten, dat er geveinsden in de kerk komen, als het voor den landman is, om als hij slaapt, te verhinderen, dat een vijand zijn akker bederft. Toen de vijand het onkruid had gezaaid, ging hij weg, vers 25, opdat men niet zou weten, dat hij het gedaan heeft. Als Satan zijn grootste kwaad doet, legt hij er zich het ijverigst op toe zich te verbergen, want zijn plan loopt gevaar te mislukken, als men bemerkt, dat hij er in is, als hij dus komt om onkruid te zaaien verandert hij zich in een engel des lichts, 2 Corinthiërs 11:13, 14. Hij ging weg, alsof hij niets kwaads had aangericht. Alzo is de weg ener overspelige vrouw. Zo groot is de neiging van den gevallen mens om te zondigen, dat Satan, als hij onkruid gezaaid heeft, weg kan gaan, het onkruid komt van zelf wel op, en zal schade toebrengen, maar als goed zaad gezaaid wordt, dan moet het verzorgd worden, het moet worden bewaterd en omheind, of er komt niets van terecht. Het onkruid vertoonde zich niet, voor dat het koren tot kruid was opgeschoten, en vrucht voortbracht, vers 26. Er is zeer veel verborgen boosheid in het hart der mensen, die zich langen tijd schuil houdt onder den mantel van ene naar het uiterlijke, schone belijdenis, maar ten laatste uitbreekt. Evenals het goede zaad, ligt ook het onkruid langen tijd onder de aardkluiten, en bij het eerste ontspruiten is het moeilijk ze van elkaar te onderscheiden. Maar als de tijd van beproeving komt, als er vrucht moet voortgebracht worden, dat met moeite en gevaar gepaard gaat, dan zult gij wederkeren en tussen de oprechten en de geveinsden weten te onderscheiden, dan zult gij kunnen zeggen: Dit is tarwe, en dat is onkruid. Toen de dienstknechten het bespeurden, gingen zij klagen bij hun meester, vers 27. Heere! hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? Ongetwijfeld heeft hij dit. Wat er ook verkeerd moge gaan in de kerk, wij zijn er zeker van, dat dit niet van Christus is. In aanmerking genomen het zaad, dat Christus zaait, kunnen wij wel verwonderd vragen: Van waar dan dit onkruid? Het ontstaan van dwalingen, het uitbreken van schandalen, het toenemen van onheiligheid: dat alles is ene grote smart voor de dienstknechten van Christus, inzonderheid voor Zijne getrouwe leraren, aan wie het toekomt er over te klagen bij Hem, wiens de akker is. Het is treurig zulk onkruid te zien in den hof des Heeren, den goeden grond te zien bedorven, het goede zaad verstikt, en een smaad geworpen op den naam en de eer van Christus, alsof Zijn akker niet beter was dan de akker eens luiaards, gans opgeschoten van distels. De Meester bemerkte spoedig van waar dit was, vers 28. Een vijandig mens heeft dat gedaan. Hij geeft er de dienstknechten de schuld niet van, zij konden het niet helpen, zij hadden gedaan wat in hun vermogen was, om dit te voorkomen. De dienstknechten van Christus, die naarstig zijn en getrouw, zullen door Christus niet veroordeeld worden, en daarom moeten ook de mensen gene verwijtingen tot hen richten wegens deze vermenging van slecht en goed, geveinsden en oprechten, op den akker der kerk. Het kan niet wezen, dat er gene ergernissen komen, en zij komen niet voor onze rekening als wij onzen plicht doen, al is het dan ook zonder den gewensten goeden uitslag. Hoewel zij slapen, zo zij den slaap niet liefhebben, hoewel er onkruid gezaaid is, zo zij het niet zaaien, noch bewateren, noch het toelaten, zal de schuld er van niet voor hun rekening komen. De dienstknechten toonden grote voortvarendheid om dit onkruid uit te roeien. Wilt gij dan, dat wij heengaan en dat zelve vergaderen? De overhaastige, onbezonnen ijver van Christus' dienstknechten eer zij met hun Meester te rade zijn gegaan, is soms gereed, om met gevaar voor de kerk, alles uit te roeien wat zij onkruid denken te zijn: Heere! wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale? De Meester heeft dit zeer wijselijk voorkomen, vers 29. Neen, opdat gij het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. Het is voor een mens niet mogelijk, onfeilbaar tussen onkruid en tarwe te onderscheiden, hij kan zich vergissen, en daarom is het de wijsheid en genade van Christus, om veeleer het onkruid te laten staan, dan de tarwe in gevaar te brengen. Voorzeker! op ergerlijke overtreders moet de censuur worden toegepast, en wij behoren ons van hen te onttrekken, zij, die openlijk de kinderen zijn van den boze, behoren niet tot de sacramenten te worden toegelaten. Toch is het mogelijk, dat er ene tucht is, zo verkeerd in hare regelen, of zo over- nauwkeurig in de toepassing er van, dat zij ene kwelling en ergernis wordt voor velen, die oprecht en nauwgezet Godvruchtig zijn. Er moet bij de toepassing van de kerkelijke censuur grote omzichtigheid en gematigdheid in acht genomen worden, opdat de tarwe niet vertreden, of zelfs uitgerukt wordt. De wijsheid, die van Boven is, is zuiver, maar zij is ook vreedzaam, en zij, die tegenstaan, moeten niet afgesneden, maar met zachtmoedigheid onderwezen worden, 2 Timotheus 2:25. Het onkruid kan, zo het onder de middelen der genade blijft, goed koren worden, hebt er dus geduld mede.
De oogst is de voleinding der wereld, vers 39. Deze wereld, hoe lang zij ook duurt, zal een einde hebben, zij zal niet eeuwig duren, de tijd zal weldra verzwolgen worden door de eeuwigheid. Aan het einde der wereld zal er een grote oogstdag zijn, een oordeelsdag, bij den oogst is alles rijp en gereed om gemaaid te worden, zowel het goede als het slechte is rijp op den groten dag, Openbaring 6:11. Het is de oogst der aarde, Openbaring 14:15. In den oogsttijd wordt door de maaiers alles afgemaaid, geen akker, geen hoek wordt overgeslagen, en zo zullen op den groten dag allen geoordeeld worden, Openbaring 20:12, 13. God heeft een oogst gezet, Hosea 6:11, en hij zal niet falen, Genesis 8:22. Bij den oogst maait een iegelijk wat hij gezaaid heeft, ieders grond, en zaad, en bekwaamheid, en vlijt zullen openbaar worden, Galaten 6:7, 8. Dan zullen zij, die het kostbare zaad zaaiden, wederkomen met gejuich, Psalm 126:5, 6, met de blijdschap van den oogst, Jesaja 9:2, als de luiaard, die om den winter niet ploegt, in den oogst zal bedelen, maar daar niets zal zijn, Prediker 20:4, zal roepen: Heere, Heere, maar te vergeefs, wanneer de oogst van hen, die zaaiden voor het vlees, een dag der ziekte en der pijnlijke smart zal zijn, Jesaja 17:11. De maaiers zijn de engelen. Zij zullen in den groten dag gebruikt worden om de rechtvaardige vonnissen van Christus, zowel die ter goedkeuring, als die ter veroordeling, te volvoeren, als dienaren Zijner gerechtigheid, Hoofdstuk 25:31. De engelen zijn bekwame, sterke, snelle en gehoorzame dienstknechten van Christus, heilige vijanden van de goddelozen, en getrouwe vrienden van al de heiligen, en daarom zijn zij geschikt, om tot dezen dienst gebruikt te worden. Die maait ontvangt loon, en de engelen zullen niet onbetaald blijven voor hun' dienst, want die zaait en die maait zullen zich te zamen verblijden, Johannes 4:36, dat is de blijdschap in den hemel voor de engelen Gods. De helse pijniging is het vuur, waarin het onkruid alsdan zal worden geworpen, en waarin het verbrand zal worden. Op den groten dag zal onderscheid worden gemaakt, en daarmee een zeer groot verschil, het zal in waarheid een zeer grote dag zijn. Het onkruid zal dan vergaderd worden. De maaiers, wier voornaamste werk het is om het koren te vergaderen, zullen dan belast worden, om er eerst het onkruid uit bijeen te zoeken. Hoewel in deze wereld het goed en het kwaad dooreen gemengd zijn, zullen ze op den groten dag toch worden gescheiden. Dan zal er geen onkruid onder de tarwe worden gevonden, gene zondaars onder de heiligen, dan zult gij duidelijk verschil zien tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, hetgeen hier soms zo moeilijk te onderkennen is. Maleachi 3:18, 4:1. Zij zullen uit Zijn koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen. Als Hij begint zal Hij voleindigen. Al die bedorven leerstellingen, erediensten en praktijken, die ene ergernis zijn geweest voor de kerk, en een struikelblok voor der mensen geweten, zullen op dien dag door den rechtvaardigen Rechter veroordeeld worden, en te niet gemaakt door de verschijning Zijner toekomst, al het hout, hooi en stoppelen, 1 Corinthiërs 3:12. En dan, wee dien, die ongerechtigheid doen en er in volharden, niet slechts in de laatste eeuw van Christus' koninkrijk op aarde, maar in alle eeuwen. Wellicht is hier ene toespeling op Zefanja 1:3. Ik zal wegrapen de ergernissen met de goddelozen. Het zal dan in busselen gebonden worden, vers 30. Zondaren van dezelfde soort zullen in den groten dag bijeengevoegd worden, een bundel van Godloochenaars, een bundel van epicuristen , een bundel van vervolgers, en een groten bundel van geveinsden. Zij, die elkanders metgezellen waren in de zonde, zullen ook elkanders metgezellen zijn in schande en smart, en dat zal ene verzwaring zijn van hun ellende, gelijk het gezelschap der verheerlijkte heiligen hun zaligheid zal verhogen, Laat ons met David bidden: "Heere raap mijne ziel niet weg met de zondaren" Psalm 26:9, maar laat zij ingebonden zijn in het bundelken der levenden bij den Heere, onzen God, 1 Samuël 25:9. Zij zullen in den vurigen oven geworpen worden. Dat zal het einde wezen der goddelozen, der schadelijke lieden, die in de kerk zijn als onkruid op den akker. Zij zijn voor niets geschikt dan voor het vuur, daarin zullen zij komen, het is de geschiktste plaats voor hen. De hel is een vuuroven, ontstoken door den toorn Gods, en brandend gehouden door de busselen van onkruid, die er in worden geworpen, altijd verterende zijn, maar nooit verteerd. Maar Hij laat nu de beeldspraak daar, om ene beschrijving te geven van die pijniging. Daar zal wening zijn en knersing der tanden, troosteloze smart, ene ongeneeslijke verontwaardiging tegen God, tegen hen zelven en tegen elkaar, zal de eindeloze kwelling zijn der verdoemden. Laat ons daarom, wetende den schrik des Heeren, bewogen worden, om af te laten van de ongerechtigheid. De hemel is de schuur, waarin Gods tarwe op den dag des oogstes vergaderd zal worden.
Maar brengt de tarwe samen in mijne schuur, vers 30. Op den akker dezer wereld zijn de Godvruchtigen de tarwe, het kostelijkste graan, hetgeen op den akker de meeste waarde heeft. Deze tarwe zal weldra vergaderd worden, uitgelezen van onder het onkruid, allen bijeengebracht in ene algemene vergadering, alle de heiligen des Ouden Testaments, al die van het Nieuwe Testament, geen enkele zal ontbreken. Verzamelt Mij Mijne gunstgenoten, Psalm 50:5. Al Gods tarwe zal verblijven in Gods schuur, bijzondere zielen worden in het graf als een hoop koren opgevoerd, Job 5:26, maar de algemene inzameling zal aan het einde des tijds plaats hebben. Dan zal Gods tarwe saamgebracht worden, en niet langer verstrooid zijn. Er zullen schoven van koren zijn, zowel als busselen van onkruid. Zij zullen dan veilig zijn, niet meer blootgesteld aan wind en weer, aan zonde en smart, niet langer op een groten afstand, van verre op den akker, maar nabij, in de schuur. Ja, de hemel is ene schuur, Hoofdstuk 3:12, waarin niet slechts de tarwe van het onkruid der slechte metgezellen gescheiden zal zijn, maar ook gezift van het kaf van hun eigen bederf. Heerlijk wordt dit in de verklaring der gelijkenis aangetoond, vers 43 :Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het koninkrijk huns Vaders. Ten eerste: Het is hun tegenwoordige ere, dat God hun Vader is. Nu zijn wij kinderen Gods, 1 Johannes 3:2, onze Vader in den hemel is daar Koning. Toen Christus naar den hemel ging, ging Hij tot Zijn Vader en onzen Vader, Johannes 20:17. Het is het huis onzes Vaders, Zijn paleis, Zijn troon, Openbaring 3:21.
Ten tweede. De ere, voor hen weggelegd, is dat zij zullen blinken gelijk de zon in dat koninkrijk. Hier zijn zij onbekend en verborgen, Colossenzen 3:3, hun schoonheid wordt verduisterd door hun armoede en het geringe van hun uitwendige omstandigheden, hun eigene zwakheden en gebreken, en de smaad en de verachting, die over hen wordt uitgestort omhullen hen als met ene wolk, maar dan zullen zij blinken gelijk de zon van achter ene donkere wolk. Bij den dood zullen zij blinken voor zich zelven, in den groten dag zullen zij blinken in het openbaar, voor geheel de wereld. Hun lichaam zal aan Christus' heerlijk lichaam gelijkvormig worden gemaakt. Zij zullen blinken door terugkaatsing, met een licht, dat aan de Fontein des lichts ontleend is. Hun heiligmaking zal volkomen wezen en hun rechtvaardigmaking bekend worden gemaakt. God zal hen erkennen als Zijne kinderen, en het register van hun dienst en van hun lijden om Zijns naams wil openbaar maken. Zij zullen blinken als de zon, het heerlijkste van alle zichtbare wezens. De heerlijkheid der heiligen wordt in het Oude Testament vergeleken bij die van het firmament en de sterren, maar hier bij die van de zon, want het leven en de onsterfelijkheid zijn door het Evangelie in een veel helderder licht gesteld, dan onder de wet. Zij, die als lichten schijnen in deze wereld opdat God verheerlijkt worde, zullen in de andere wereld blinken als de zon, opdat zij verheerlijkt worden. Evenals te voren besluit de Heiland ook deze gelijkenis met een beroep op hun aandacht: Die oren heeft om te horen, die hore. Het is ons geluk en onze zaligheid, om van deze dingen te horen, het is onze plicht er naar te luisteren, er acht op te slaan.
III. De gelijkenis van het mostaardzaad, vers 31, 32. De strekking er van is: aan te tonen' dat het begin des Evangelies gering zal zijn, maar deszelfs laatste zeer vermeerderd zal worden. Op die wijze zal de Evangelie-kerk, het koninkrijk Gods onder ons, in deze wereld opgericht worden, op die wijze zal het werk der genade in het hart, het koninkrijk Gods binnen in ons, in bijzondere personen voortgezet worden. Betreffende het werk nu van het Evangelie valt op te merken:
1. Dat het in het eerst gewoonlijk zeer zwak en klein is, gelijk aan het mostaardzaad, hetwelk wel het minste is onder al de zaden. Het koninkrijk van den Messias, dat nu aan zijne oprichting was, had slechts een gering aanzien. Vergeleken bij den groten der wereld, schenen Christus en Zijne apostelen als een mostaardzaad, het nietigste en zwakste ding ter wereld. In bijzondere plaatsen is het eerste schijnsel van het licht des Evangelies slechts als het aanbreken van den dag, en in bijzondere zielen is het in het eerst als de dag der kleine dingen, als een gekrookt riet. Pas bekeerden zijn als lammeren, die in zijne armen gedragen moeten worden, Jesaja 40:11. Er is weinig geloof, en veel dat er aan ontbreekt, 1 Thessalonicenzen 3:10, en onuitsprekelijke zuchtingen, een beginsel van geestelijk leven, dat echter nauwelijks merkbaar is.
2. Dat het evenwel wast en toeneemt. Op wondervolle wijze heeft Christus' koninkrijk veld gewonnen, het heeft zich grotendeels uitgebreid. In weerwil van al den tegenstand, dien het van de hel en van de aarde ondervond, werden ganse volken als op een dag geboren. Ware genade in de ziel zal wezenlijk groeien, zij het ook onmerkbaar wellicht. Een mostaardzaadje is klein, het is echter zaad, en heeft de neiging en het vermogen om te groeien. De genade zal veld winnen, voortgaande, en lichtende, Prediker 4:18. Godvruchtige gewoonten worden bevestigd, goede werken worden vermenigvuldigd, de kennis wordt helderder, het geloof vaster, de liefde vuriger. Dat is het groeien van het zaad.
3. Dat het ten laatste tot ene grote mate van kracht en van nuttigheid zal worden: wanneer het opgewassen is, dan wordt het een boom, veel groter en omvangrijker in die landen, dan in het onze. Evenals de wijnstok uit Egypte overgebracht, Psalm 80:9-11, heeft hij wortel geschoten, en het land vervuld. De kerk is als een grote boom, waarin de vogelen des hemels verblijven, Gods volk vinden er voedsel en rust, schaduw en beschutting. In bijzondere personen zal het beginsel van ware genade volharden en ten laatste volmaakt worden, toenemende genade zal sterke genade worden en veel tot stand brengen. Vergevorderde Christenen moeten er naar streven nuttig te zijn voor anderen, zoals het mostaardzaad, opgegroeid zijnde, nuttig is voor de vogelen, opdat zij, die nabij, of onder hun schaduw verwijlen, er te meer om wel mogen varen, Hosea 14:7.
IV. De gelijkenis van den zuurdesem, vers 33. Hare strekking is ongeveer gelijk aan die der voorgaande, n.l. aan te tonen, dat het Evangelie trapsgewijze overmogen en voorspoedig zal zijn, op stille, onmerkbare wijze. De prediking des Evangelies is als zuurdesem en werkt als zuurdesem in het hart van hen, die het aannemen.
1. Ene vrouw nam dien zuurdesem, dat was haar werk. Evangeliedienaren worden gebruikt, om plaatsen en zielen met het Evangelie te doortrekken als met een zuurdesem. De vrouw is het zwakkere vat, en in zulke vaten hebben wij dien schat.
2. De zuurdesem werd verborgen in drie maten meels. Evenals het meel, is het hart week en kneedbaar, het is het weke hart dat zich het woord ten nutte zal maken. In ongemalen koren zal de zuurdesem gene werking doen, en evenmin zal het Evangelie iets uitwerken in de zielen, die niet verootmoedigd en verbroken zijn vanwege de zonde. De wet vermaalt het hart, en dan komt het Evangelie, om het als door zuurdesem te doortrekken. Het zijn drie maten meels, ene grote hoeveelheid, want, een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg. Het meel moet, voordat het den zuurdesem ontvangt, gekneed worden, en gelijk ons hart verbroken moet worden, zo moet het ook worden bevochtigd, er moet moeite worden gedaan om het te bereiden voor het woord, opdat het er den indruk van ontvange. De zuurdesem moet in het hart worden verborgen, Psalm 119:11, niet om hem geheim te houden, (want hij zal zich toch openbaren) maar om hem veilig te bewaren. Onze innerlijke gedachten moeten er mede bezig zijn, wij moeten hem bewaren, zoals Maria de gezegden van Jezus in haar hart bewaarde, Lukas 2:51. Als de vrouw den zuurdesem in het meel verbergt, dan is het met de bedoeling, dat hij er zijn smaak en geur aan zal mededelen, zo moeten wij het woord als een schat in onze ziel bewaren, opdat wij er door geheiligd worden, Johannes 17:17.
3. De zuurdesem, aldus in het deeg verborgen zijnde, doet er werking, hij gist, het woord Gods is levend en krachtig, Hebreeën 4:12. De zuurdesem werkt snel, zo ook het woord, en toch ook trapsgewijze. Welk ene plotselinge verandering bracht Elia's mantel in Elisa teweeg l 1 Koningen 19:20. Hij werkt stil en onmerkbaar, Markus 4:26, 27, maar toch krachtig en onweerstaanbaar. Hij werkt zonder gerucht te maken, want dat is de wijze des Geestes, maar dat werk faalt niet. Verberg slechts den zuurdesem in het deeg, en de ganse wereld kan niet beletten, dat hij er smaak en geur aan mededeelt, toch ziet niemand hoe het geschiedt, maar langzaam en trapsgewijze is het gehele deeg doorzuurd. Zo was het in de wereld. Door hun prediking hebben de apostelen ene handvol zuurdesem in de massa der mensheid verborgen, en dit had ene wondervolle uitwerking. Het bracht de ganse wereld in beweging, en in zekeren zin werd zij er onderst boven door gekeerd, Handelingen 17:6. Langzamerhand ontstond er ene wonderlijke verandering in den smaak der mensen, de reuk van het Evangelie werd openbaar in alle plaatsen, 2 Corinthiërs 2:14 :Romeinen 15:19. Deze krachtige uitwerking werd door geen uitwendig geweld veroorzaakt, maar door den Geest van den Heere der heirscharen, die werkt, en niemand zal het keren. Aldus is het in het hart. Als het Evangelie in de ziel komt, werkt het ene verandering, niet in de substantie-het deeg is hetzelfde-maar in de hoedanigheid er van. Het brengt te weeg, dat wij een anderen geur van ons geven, en dat andere dingen voor ons een anderen geur verkrijgen, dan zij vroeger hadden, Romeinen 8:5. Het werkt ene algemene verandering, het verspreidt zich in alle gaven en vermogens der ziel, en verandert zelfs de eigenschappen van de leden des lichaams, Romeinen 6:13. Deze verandering is van zulk een aard, dat zij de ziel doet delen in de natuur van het woord, gelijk het deeg deelt in de natuur van den zuurdesem, wij nemen er den vorm van aan, zoals het was den indruk van het zegel ontvangt. Het Evangelie heeft den geur van God, van Christus en van vrije genade, en in deze dingen heeft de ziel thans een welbehagen. Het is een woord van geloof en van bekering, van heiligheid en liefde, en deze worden er door gewerkt in de ziel. Die geur deelt zich onmerkbaar mede, want ons leven is verborgen, maar zij is onafscheidelijk, want de genade is het goede deel, dat nooit weggenomen zal worden van hen, die haar bezitten. Is het deeg doorzuurd, dan naar den oven er mede! Die verandering gaat gewoonlijk gepaard met beproeving en benauwdheid, maar aldus worden de heiligen geschikt gemaakt om brood te zijn voor de tafel onzes Meesters.