1 Thessalonicenzen 3:6-10
Hier zien wij Paulus' grote voldoening bij de terugkomst van Timotheus met goede berichten aangaande de Thessalonicenzen, waarin wij kunnen opmerken:
I. Het gunstige verslag, dat Timotheus omtrent hen uitbracht, vers 6. Zonder twijfel was hij een zeer gewillig boodschapper van deze goede tijding. Betreffende hun geloof, dat is: betreffende hun standvastigheid in het geloof, dat zij niet waren geschokt in hun zielen of afgedreven van de belijdenis van het Evangelie. Evenzo was hun liefde gebleven, hun liefde voor het Evangelie en voor de dienaren des Evangelies. Want zij hadden altijd goede gedachtenis van den apostel. De naam van den apostel was hun zeer dierbaar, en de gedachte aan hem en aan hetgeen zij van hem genoten hadden, niet minder, zodat zij zeer begerig waren om hem te zien en enige geestelijke gave van hem te ontvangen. En geen liefde was verloren, want ook de apostel was begerig hen te zien. Het is gelukkig wanneer er zo wederkerige liefde tussen dienaren en gemeente bestaat. Dit strekt tot verhoging van den godsdienst en van den zegen des Evangelies. De wereld haat hen en daarom moeten zij elkaar des te meer liefhebben.
II. De grote troost en voldoening, welke de apostel genoot door die goede berichten omtrent hen, vers 7, 8. Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geweest door uw geloof. De apostel achtte dat goede nieuws voldoende om tegen al zijn moeilijkheden op te wegen. Het viel hem gemakkelijk verdrukkingen en vervolging en aanvechting van buiten te verdragen, toen hij den goeden uitslag van zijne bediening en de standvastigheid van hen, die door hem tot het Christendom gebracht waren, vernam. Zijne droefheid door zijn vrees, dat hij misschien tevergeefs zou gearbeid hebben, was nu voorbij, nu hij hun geloof en standvastigheid daarin vernomen had. Dit gaf den apostel opnieuw leven en geestkracht, en maakte hem ijverig en sterk in het werk voor den Heere. Hij was daardoor niet alleen vertroost, maar ook grotelijks verblijd. Want nu leven wij, indien gij vast staat in den Heere, vers 8. Het zou voor den apostel een dodelijk ding geweest zijn, indien de belijders van het Evangelie onstandvastig geweest waren of afvallig geworden, terwijl niets hem meer levenskracht gaf dan hun standvastigheid.
III. De gevolgen daarvan waren dankzegging aan en gebed tot God om hunnentwil. Merk op:
1. Hoe dankbaar de apostel was, vers 9. Hij was vervuld met blijdschap, prijs en dankzegging. Wanneer wij het meest verblijd zijn, behoren wij het dankbaarst te wezen. Wat ons verheugt moet ons tot dankzegging brengen. Dat is ons verblijden in God, onze blijdschap geestelijk maken. Paulus spreekt alsof hij niet onder woorden kon brengen hoe dankbaar hij jegens God was, en hoe hij zich om hunnentwil verblijdde. Maar hij was bezorgd dat God de heerlijkheid niet zou ontberen voor de vertroosting, welke het welzijn zijner vrienden hem geschonken had. Zijn hart was vervuld met liefde tot hen en met dankzegging voor God. Hij was gewillig om zowel het ene als het andere tot uitdrukking te brengen. Wat de dankbaarheid aan God aangaat, die voornamelijk is in onzen tegenwoordigen toestand altijd onvolkomen, maar eenmaal in den hemel zullen wij die beter betonen dan ons ooit hier mogelijk is.
2. Hij bad voor hen nacht en dag, vers 10, avond en morgen, zeer dikwijls, midden onder de werkzaamheden van den dag of in slapeloze uren des nachts hief hij het hart tot God voor hen omhoog. Zo moeten wij zonder ophouden bidden. En Paulus' gebeden waren vurig. Hij bad met nadruk en was ernstig in zijne smekingen. Wanneer wij het dankbaarst zijn, moeten wij ons het meest tot het gebed begeven, en zij, voor wie wij dankzeggen, hebben tegelijkertijd behoefte aan onze gebeden. Zij, over welken wij ons het meest verheugen en die ons het meest tot vertroosting verstrekken, moeten voorwerpen van onze bestendige zorg zijn, omdat zij leven in een wereld van verzoeking en onvolmaaktheid. Er ontbrak ook nu nog iets aan hun geloof, want Paulus begeerde hun aangezichten te mogen zien, om te volmaken hetgeen aan hun geloof ontbrak, vers 10. Bij de beste mensen ontbreekt iets aan het geloof, hetzij aan het voorwerp des geloofs, dat sommige verborgenheden of leerstellingen niet voldoende gekend en geloofd worden, hetzij aan de helderheid en vastheid des geloofs, dat er enige duisterheid en twijfel overgebleven is, hetzij tenminste aan de vruchten en werkzaamheden des geloofs, dat die niet zo volkomen en zo merkbaar zijn als ze wezen konden. De bediening van het woord en der sacramenten kan daaraan verhelpen, en is begeerlijk en nuttig om te volmaken wat aan ons geloof ontbreekt.