Nehemia 8:1-8
Hier hebben wij een bericht van een plechtige Godsdienstige vergadering en van het goede werk, dat in die vergadering gedaan werd, tot eer van God en tot stichting van de kerk.
I. De tijd er voor was de eerste dag van de zevende maand, vers 2. Dat was de dag van de gedachtenis van het geklank, die een sabbat, een rust, wordt genoemd, en op welke zij een heilige samenroeping moesten hebben, Leviticus 23:24, Numeri 29:1. Maar dat was niet alles, het was op die dag, dat het altaar werd opgericht en zij hun brandoffers begonnen te offeren na hun terugkeer uit de gevangenschap, een weldadigheid Gods, die zij kortgeleden ervaren hadden, en die velen, die toen leefden, zich nog konden herinneren. In dankbaar gedenken hieraan, hebben zij waarschijnlijk van toen aan dit feest met meer dan gewone plechtigheid gevierd. Door Goddelijke gunsten, die nog vers in het geheugen zijn en waarvan wij zelf de getuigen waren, moet, en zal ook meestal, ons hart het meest getroffen zijn.
II. De plaats was op _de straat voor de Waterpoort, vers 1, een ruime, brede straat, waar een grote menigte bijeen kon komen, hetgeen in het voorhof van de tempel niet kon, want waarschijnlijk was dit nu lang zo groot en ruim niet als dat van Salomo's tempel, maar bidden en danken en prediken zijn daden van Godsverering, die Gode even welbehaaglijk waren, en nog zijn, als zij in deze of in die plaats worden gedaan. Deze gemeente, bijeengekomen in een straat van de stad, heeft ongetwijfeld ervaren dat God in haar midden was.
III. De personen, die bijeenkwamen, waren: al het volk, zij waren niet gedwongen om te komen, maar hebben zich vrijwillig bijeenvergaderd en met onderling goedvinden. Niet alleen mannen kwamen, maar ook vrouwen en kinderen, zovelen als begrijpen konden wat zij hoorden. Hoofden van gezinnen moeten hun-gezin meenemen naar de plaats van de openlijke Godsverering. Vrouwen en kinderen hebben zielen, die verlost en behouden moeten worden het is dus van zeer groot belang voor hen om met het woord Gods bekend te worden en gebruik te maken van de middelen om kennis en genade te verkrijgen. Als de kleinen tot verstand en begrip komen, moet men hen er aan gewennen om de Godsdienstoefeningen bij te wonen.
IV. De voorzitter van deze vergadering was Ezra, de priester, hij heeft deze dienst geleid. Niemand zo geschikt als hij om de Schrift te verklaren en te prediken, die zo'n vaardig Schriftgeleerde was in de wet van zijn Gods.
1. Zijn roeping tot deze dienst was zeer duidelijk, want dienstdoende als priester en bekwaam zijnde als Schriftgeleerde, zei het volk tot hem dat hij het boek van de wet van Mozes zou halen om het voor hen te lezen, vers 1. God had hem bekwaamheid en gezag gegeven, en toen gaf het volk er hem gelegenheid en een uitnodiging toe. Kennis is een geestelijke aalmoes, welke zij, die er toe instaat zijn, aan ieder behoren te geven, die haar nodig heeft, aan iedereen, die er om vraagt.
2. Zijn standplaats was zeer geriefelijk, hij stond op een hoge houten stoel, of toren die zij gemaakt hadden voor het woord, zoals het oorspronkelijke luidt, voor de prediking van het woord, opdat hetgeen hij te zeggen had met te meer bevalligheid, of sierlijkheid, of aangenaamheid, uitgesproken zou worden, zoveel beter zou worden gehoord, en het oog van de hoorders op hem kon zijn, waardoor hun aandacht zou opgewekt worden, zoals Lukas 4:20. 3. Hij had verscheidene helpers, sommigen, die naast hem stonden, vers 4 zes aan zijn rechterhand, en zeven aan zijn linkerhand. De kansel was of zo gemaakt, dat zij er allen in een rij op konden staan, zoals op een galerij (maar dan zou hij nauwelijks een toren genoemd zijn kunnen worden), of zij stonden aan lessenaars een weinig beneden hem, een trap lager. Sommigen denken dat hij hen liet lezen als hij moede was, dat hij hen als bijzitters bij zich had, was tenminste een eer hun aangedaan voor het aangezicht van het volk, opdat zij een ander maal voor dezelfde dienst gebruikt zouden kunnen worden. Anderen, vermeld in vers 7, schenen op dezelfde tijd op andere plaatsen in de nabijheid gebruikt te zijn, om de Schrift te lezen en te verklaren voor hen, die niet onder het bereik van Ezra's stem konden komen. Ook van deze waren er dertien priesters, wier lippen de wetenschap zouden bewaren, Maleachi 2:7. Het is een grote zegen voor een volk om aldus voorzien te zijn van leraren, die geschikt zijn om te onderwijzen. Gelukkig was Ezra om zulke helpers te hebben, en gelukkig waren die helpers, om een leidsman en voorganger te hebben als Ezra was.
V. De Godsdienstoefening van deze vergadering was niet ceremoniëel maar moreel, zij bestond in bidden en prediken. Als voorzitter van de vergadering was Ezra:
1. De mond van het volk bij God, en zij hebben zich liefdevol met hem verenigd. Hij loofde de Heere als de grote God, gaf Hem eer door Zijn deugden te roemen en te bidden om Zijn gunst, en het volk heeft, ten teken van hun instemming beide met zijn gebeden en zijn lofzeggingen, Amen Amen gezegd, en hun handen opgeheven, ten teken dat hun begeerte naar God was en dat al hun verwachting van Hem was, zij bogen ook hun hoofd ten teken van hun eerbied voor Hem en hun onderworpenheid aan Hem. Aldus moeten wij God aanbidden, en ons tot Hem wenden, als wij het woord Gods gaan lezen of horen, als degenen die God zien in Zijn woord, Hem zeer groot en zeer goed zien.
2. Gods mond bij het volk en zij hebben aandachtig naar Hem gehoord. Dit was het voornaamste van deze plechtigheid, en merk op:
A. Ezra bracht de wet voor de gemeente, vers 3. Hij had zich van het beste en nauwkeurigste handschrift van de wet voorzien, en wat hij voor zijn eigen gebruik en genot had weggelegd, heeft hij hier als een goed heer des huizes uit zijn schat voortgebracht tot welzijn van de gemeente.
Merk op:
a. Het boek van de wet moet niet opgesloten zijn in de studeerkamer van de Schriftgeleerde, maar tot de gemeente gebracht worden, om voor hen in hun eigen taal te worden gelezen.
b. Als leraren naar de kansel gaan, moeten zij hun Bijbel medenemen, Ezra heeft dit gedaan, daaruit moeten zij hun kennis putten, en naar die regel moeten zij spreken, en zij moeten tonen dat zij dit doen. Zie 2 Kronieken 17:9.
B. Met grote eerbied en plechtigheid opende hij het boek voor de ogen van het hele volk vers 6. Hij bracht het voort in het besef van de grote zegen van God over hen in hun dat boek te geven, hij opende het in het besef van Zijn genade over hen in hun verlof te geven om het te lezen, dat het geen besloten wel, geen verzegelde fontein was. Het nemen van een boek en het openen van zijn zegelen zien wij met blijdschap en dankbaarheid gevierd, Openbaring 5:9. Laat ons leren om ons met statige plechtigheid tot onze Godsdienstoefeningen te begeven, er niet roekeloos, lichtvaardig en gehaast bij te wezen, laat ons bedenken wat wij doen als wij Gods boek in handen nemen en het openen, en evenzo ook als wij onze knieen buigen in het gebed, en wat wij doen, moeten wij met bedaardheid en nadenken doen, Prediker 5:1.
C. Hij en anderen lazen in het boek van de wet van het morgenlicht aan tot op de middag, vers 4, en zij lazen duidelijk, vers 9. Het lezen van de Schrift in Godsdienstige bijeenkomsten is een inzetting Gods, waardoor Hij geëerd en Zijn gemeente gesticht wordt. En bij bijzondere gelegenheden moeten wij bereid zijn om vele uren achtereen naar het lezen en verklaren van Gods woord te horen, deze hier hebben er aldus gedurende zes uren naar gehoord. Laat hen, die het woord lezen en prediken, ook leren zich duidelijk verstaanbaar te maken, als degenen die begrijpen wat zij lezen en zeggen, en zelf onder de indruk ervan zijn, en wensen dat zij, tot wie zij spreken, het zullen verstaan, het zullen onthouden, en er door in het hart getroffen zullen worden. Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt.
D. Wat zij lazen, verklaarden zij, toonden er de bedoeling en betekenis van, en welk gebruik ervan gemaakt moet worden, zij duidden de zin ervan aan in andere woorden zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen, vers 8, 9. Het is nodig dat zij, die het woord horen, het verstaan, want anders is het voor hen slechts een lege klank van woorden, Mattheus 24:15. Daarom is het een vereiste in hen, die door hun ambt leraren zijn, dat zij het woord uitleggen en er de zin en de betekenis van aanduiden. Verstaat gij ook hetgeen gij leest? en Hebt gij dit alles verstaan? zijn goede vragen om aan de hoorders te doen, maar, "Hoe zouden wij toch kunnen, zo ons niet" "iemand onderricht? is" een gepaste vraag, die zij aan hun leraren kunnen doen, Handelingen 8:30, 31. Lezen is goed, en prediken is goed, maar het verklaren brengt het lezen en het prediken tot elkaar, waardoor het lezen zoveel beter verstaan wordt, en de prediking met des te meer kracht van overtuiging tot het hart wordt gebracht.
E. Het volk gedroeg zich zeer betamelijk toen hun het woord gelezen en verklaard werd.
a. Met grote eerbied. Toen Ezra het boek opende, stond al het volk, vers 6, waarmee zij eerbied betoonden, beide voor Ezra en voor het woord, dat hij ging lezen. Het betaamt dienaren te staan, als hun meester tot hen spreekt ter ere van hun meester en om bereidwilligheid te betonen om te doen wat hun gezegd wordt.
b. Met grote vastheid en kalmte stonden zij op hun standplaats, vers 8, verscheiden leraren lazen en verklaarden de Schrift op enige afstand van elkaar, en iedereen van het volk bleef op zijn plaats, zij gingen niet eerst naar de een en dan weer naar de ander, om aanmerkingen op hen te maken, maar stonden op hun plaats, teneinde noch anderen te storen noch zelf gestoord te worden.
c. Met grote aandacht, de oren van het hele volk waren naar het wetboek, vers 4, waren er als het ware aan gekluisterd, zij hoorden gretig en namen ieder woord ter harte. Het woord Gods gebiedt aandacht, en verdient haar. Als wij door geen acht te geven bij het horen, ons veel laten ontglippen, dan is er gevaar dat door vergeetachtigheid na het horen ons alles zal ontglippen.