Jeremia 5:1-9
Hier is:
1. Een uitdaging om een rechtvaardig en eerlijk man aan te wijzen, of enkele van hen in Jeruzalem, vers 1. Jeruzalem was aan de oude wereld gelijk geworden, waarin alle vlees zijn weg verdorven had. Er waren wellicht enkelen die zich vleiden met de hoop dat er nu verscheidene godvrezenden in Jeruzalem waren, die in de bres zouden staan om Gods toorn af te wenden. Anderen roemden er waarschijnlijk op dat Jeruzalem de heilige stad was en meenden dat zij daarom behouden zou worden. Maar God zegt hun de stad te doorzoeken, en geeft te kennen dat zij nauwelijks een man in haar zouden vinden, die recht deed en er een gewetenszaak van maakte wat hij zei of deed. Zoekt op de straten, waar zij verschijnen en met elkaar omgaan, en gaat rond door de wijken, of op de brede plaatsen dat is de ruimten waar men markt houdt, en zoekt of gij iemand vindt, bijvoorbeeld een overheidspersoon, die recht doet en onpartijdig oordeelt, die de wet zal handhaven tegen goddelozen en onheiligen. Wanneer alzo de getrouwen ophouden in den lande, is het tijd om te roepen: Wee mij! Micha 7:1, 2, en hoog tijd om te bidden: Help o Heere! Psalm 12:2. Is er nog hier en daar iemand die waarlijk nauwgezet van geweten is en de waarheid ten minste spreekt, dan zult gij hem niet in de straten en op de markten vinden, hij durft niet in het openbaar verschijnen, want hij zou beledigd ja onder de voet gelopen worden. "De waarheid struikelt op de straten," Jesaja 59:14, en is genoodzaakt zich te verschuilen. Zo aangenaam zou het God zijn indien Hij zo iemand vond, dat Hij om zijnentwil de gehele stad vergeving schenken zou. Indien er slechts tien rechtvaardigen in Sodom waren, en er slechts één op de duizend of op de tienduizend in Jeruzalem, dan zou de stad gespaard blijven. Zie hoe gereed God is om te vergeven, hoe bereid om barmhartigheid te bewijzen. Maar men zou kunnen vragen: Hoe staat het dan met hen in Jeruzalem, die voortgaan om de godsdienst te belijden en gemeenschap met God zoeken? Zijn zij dan geen mensen, om wier wil Jeruzalem kan gespaard blijven? Neen, want zij zijn niet oprecht in hun belijdenis. Zij zeggen wel, vers 2 :Zo waarachtig als de Heere leeft, en zweren alleen bij Zijn naam, maar zij zweren valselijk. Dat is:
a. Zij zijn niet oprecht in hun belijdenis van eerbied voor God, maar zijn vals tegen Hem, zij eren Hem met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Hem.
b. Ofschoon zij alleen God aanroepen, maken zij er geen gewetenszaak van om Hem tot een getuige van leugen te maken. Of schoon zij niet bij de afgoden zweren, zweren zij toch valselijk, hetgeen niet minder een belediging van God is, want Hij is de God van de waarheid en de enige waarachtige God.
II. Een klacht over de hardnekkigheid en eigenzinnigheid van dit volk, welke de profeet tot God opheft. God had zich beroepen op hun ogen, maar hier beroept de profeet zich op Gods ogen, vers 1,3 O Heere, zien Uw ogen niet naar waarheid? Ziet Gij niet ieder zoals hij werkelijk is? En is dit niet hun ware karakter, dat zij hun aangezicht harder gemaakt hebben dan een steenrots? Zie, Gij hebt lust aan waarheid in het binnenste, maar waar wordt die gevonden onder de mensen van dit geslacht? Want ofschoon zij zeggen: Zo waarachtig de Heere leeft! slaan zij toch nooit acht op Hem, gij hebt hen geslagen met de ene droefenis voor de andere, maar zij zijn er gelijk stokken en stenen onder gebleven, en nog veel minder hebben zij hun zonden betreurd, waardoor zij die kastijdingen over zich gebracht hebben. Gij zijt verder gegaan, en hebt hen verteerd, hebt hen gestrenger gestraft, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen, zich te schikken naar Uw bedoeling, waarmee Gij hen tuchtigde, en daaraan te beantwoorden. Zij wilden niet door Uw kastijding geleerd worden. Zij hebben er zich toe gezet om het goddelijk vonnis af te wachten en de uitvoering daarvan te trotseren, want zij hebben hun aangezicht harder gemaakt dan een rots, zij kunnen hun houding niet veranderen, niet blozen van schaamte of verbleken van vrees, zij kunnen niet teruggedreven worden van het najagen van hun lusten, hoe zij ook geslagen worden, want, ofschoon menigmaal geroepen, weigeren zij zich te bekeren, en willen, goed of niet goed, voorthollen als een paard in de strijd.
III. De proef, die op rijken en armen genomen wordt, en het slechte getuigenis, dat van beide gegeven wordt.
1. De armen waren onwetend en daarom waren zij goddeloos. Hij vond menigeen, die weigerde zich te bekeren, voor wie hij de meest verzachtende omstandigheid in aanmerking nemen wilde, en dat was: Zeker, deze zijn arm, daarom handelen zij zottelijk. Zij hebben niet het voorrecht genoten van een goede opvoeding, en zij hebben nu geen kans om zich te helpen aan de middelen van onderricht. Zij zijn genoodzaakt om hard te werken voor hun dagelijks brood, en hebben tijd noch bekwaamheid om te lezen en te horen, daarom weten zij de weg des Heeren, het recht huns Gods niet. Zij begrijpen evenmin de weg waarin God door Zijn voorschriften van hen vraagt, om in te wandelen, als de weg waarin Hij door Zijn voorzienigheid met hen wandelt. Overwegende onwetendheid is de beklagenswaardige oorzaak van grote goddeloosheid en onreinheid. Wat anders dan werken van de duisternis kan men verwachten van ruw en verdwaasd volk, dat niets weet van God en Zijn dienst, maar verkiest in duisternis te zitten? Dit is gewoonlijk de heersende zonde onder de armen. Zij zijn tegenover de duivel arm evenals tegenover God, die, ongeacht hun armoede, de weg des Heeren weten konden genoeg om daarin te wandelen en hun plicht te doen, zonder boekengeleerdheid, maar zij zijn willens onwetend en daarom zal hun onwetendheid hen niet verontschuldigen.
2. De rijken waren onbeschaamd en hooghartig, en daarom goddeloos, vers 5. Ik zal gaan tot de groten en zien of zij vatbaarder zijn voor het woord en de voorzienigheid Gods. Ik zal tot hen spreken en het hun verkondigen in de hoop van enige indruk te maken op de mensen van hoge ontwikkeling. Maar alles tevergeefs, ofschoon zij de weg des Heeren en het recht huns Gods weten, waren zij te hardnekkig om zich aan Zijn bestuur te onderwerpen. Zij hadden tezamen het juk verbroken en de banden verscheurd. Zij kennen de wil van hun Meester, maar zijn besloten om hun eigen wil te volgen, te wandelen in de weg van hun hart en het gezicht van hun ogen. Zij houden zich voor veel te goed om nagegaan te worden, te groot om terecht gewezen te worden, zelfs door de oppermachtige Heere van allen. Zij willen hun banden verbreken, Psalm 2:3. De armen zijn zwak en de rijken eigenzinnig, en zo doet niemand zijn plicht.
IV. Sommige bijzondere zonden worden genoemd waaraan zij voornamelijk schuldig waren en welke luider dan andere ten hemel om wraak riepen. Hun overtredingen waren inderdaad vele, van allerlei aard en menigmaal herhaald, en hun afkeringen waren machtig vele geworden, en werden al meer en meer brutaal herhaald, vers 6. Maar twee zonden werden terecht als onvergeeflijke misdaden beschouwd.
1. Hun geestelijk overspel, waardoor zij aan de afgoden de eer gaven, die God alleen toekomt. Hun kinderen hadden God verlaten, ofschoon zij voor Hem geboren en aan Hem gewijd waren en opgevoed tot Zijn dienst. En zij zweren bij hen, die geen god zijn, zij roepen die aan alsof zij almachtig waren en hun rechters zijn konden. Hieronder worden alle godsdienstige verrichtingen begrepen, die men alleen aan God verschuldigd is, maar waarmee zij hun afgoden vereerd hadden. Zij hebben hun gezworen, zo kan men ook lezen, zich bij hen gevoegd en met hen een verbond gemaakt. Zij die God verlaten voor andere goden, doen een slechte ruil.
2. Hun vleselijk overspel. Omdat zij God verlieten en vreemde goden volgden, heeft God hen overgegeven aan onreine begeerten, zij die Hem onteerden werden overgelaten om zichzelf en hun gezinnen te onteren. Zij bedreven overspel van de schandelijkste aard, zonder gevoel van schaamte of vrees voor straf, want zij verzamelden zich bij hopen in het hoerenhuis, en bloosden niet wanneer zij elkaar zagen op de onreinste plaatsen. Zo onstuimig en hevig was hun begeerte, zo ongeduldig waren zij er naar, en zo gierig om ze te bevredigen, dat zij aan de beesten gelijk werden, vers 8, als welgevoederde hengsten hunkerden zij een ieder naar de huisvrouw van zijn naaste. Ongebreidelde lusten maken de mensen aan onbetoomde beesten gelijk, zo afschuwelijk worden zij. En de verzwaring van hun zonden was dat zij daardoor Gods gunsten misbruikten. Wanneer zij wel gevoed waren, kwamen zij tot die uitspattingen. Overvloed van brood was voedsel voor het vuur te Sodom. Weelderig leven is de vlam van de lusten. Vasten zou het onnatuurlijk kwaad beteugelen, dat zo vol is van dodelijk venijn en zou het lichaam in onderwerping brengen.
V. Een bedreiging van Gods wraak tegen hen voor de goddeloosheid en het algemene verval in het land.
1. Het bepaalde oordeel, waarmee zij bedreigd worden, vers 6. Een buitenlandse vijand zal hen overvallen, heerschappij over hen verkrijgen en alles verwoesten, hun land zal er uitzien alsof het overrompeld en geheel in bezit genomen was door wilde beesten. De vijand zal zijn:
a. gelijk een leeuw uit het woud, zo sterk, zo woest, zo onweerstaanbaar, en hij zal hen verslaan.
b. gelijk een wolf van de wildernissen, die des avonds, of des nachts uitkomt, zijn prooi zoekt en zeer wreed en verscheurend is. Zowel het gebrul van de leeuw als het janken en huilen van de wolf is zeer afkeerwekkend.
c. Gelijk een luipaard, die zeer vlug en zeer wreed is, en zorgt dat zijn prooi hem niet ontgaat. Het leger van de vijanden zal over hun steden waken, zo stipt en streng dat de inwoners slechts tussen deze beide te kiezen hebben, blijven zij er in, dan verhongeren zij, gaan zij er uit, dan worden zij afgemaakt. Al wie er uitgaat, zal verscheurd worden, waardoor aangeduid wordt dat de vijand geen lijfsbehoud geeft. En al dit bloedig werk is te wijten aan hun overtredingen. De zonde veroorzaakt deze grote slachting.
2. Een beroep op hen wat het recht van deze bezoeking te kennen geeft, vers 9 :Zou Ik over deze dingen geen bezoeking doen? Kunt gij zelf u voorstellen dat God, wiens naam is ijveraar, zulke afgoderij ongestraft laten zal? Of dat God, die de heiligheid zelf is, zo vreeslijke onzedelijkheid niet bezoeken zal? Dat zijn dingen, waarvan rekenschap moet afgelegd worden, anders kan de eer van Gods regering niet worden gehandhaafd en worden Zijn wetten niet voor verachting gevrijwaard. Maar zondaren zijn geneigd altijd te denken dat Hij is gelijk zij zelf zijn, geheel tegen de inspraak van hun eigen geweten in, dat getuigt dat het recht Gods Zijn loop moet hebben, en dat zij die zulke dingen doen, des doods waardig zijn, Romeinen 1:32. Wanneer God de zonde straft, wordt van Hem gezegd dat Hij haar bezoekt of er een onderzoek naar instelt, want Hij overweegt de zaak alvorens Hij vonnis velt. Zondaren hebben reden om straf te verwachten door de overweging van Gods heiligheid, waarvoor de zonde ten hoogste beledigend is, zowel als naar aanleiding van Zijn gerechtigheid, voor welke zij onuitstaanbaar is. Dit wordt aangeduid door de woorden: Zal Mijn ziel zich niet wreken aan zo'n volk als dit is? Niet alleen het Woord Gods, maar Zijn ziel neemt wraak. En Hij heeft nationale bezoekingen om wraak te nemen over nationale zonden. Zulke volken als dit kunnen niet lang ongestraft blijven, vers 7. Hoe zou Ik u over zulks vergeven? Niet in die zin dat zij dat zich aan zulke zonden schuldig gemaakt hebben, geen barmhartigheid bij God kunnen vinden ten aanzien van hun eeuwige staat, ook Manasse die er zich zo zwaar door bezondigd had, vond genade, maar volken als zodanig, op welke alleen in dit leven vergelding en straf toegepast kan worden, kunnen, indien zij zo goddeloos worden niet zonder sprekend teken van Gods ongenoegen gelaten worden, zonder Zijn heerlijkheid tekort te doen.