Mattheus 9:9-13
In deze verzen hebben wij een bericht van de genade en gunst van Christus jegens arme tollenaren, inzonderheid jegens Mattheus. Wat Hij aan het lichaam der mensen deed, diende om Hem den weg te bereiden voor Zijne genaderijke bedoelingen ten opzichte van hun zielen. Nu hebben wij hier te letten:
I. Op de roeping van Mattheus, den schrijver van dit Evangelie. Markus en Lukas noemen hem Levi. Het was iets zeer gewoons dat een zelfde persoon twee namen had. Wellicht was hij als tollenaar het meest bekend onder den naam Mattheus, en heeft hij zich daarom in zijn ootmoed bij dien naam genoemd, veeleer dan bij den meer eervollen naam van Levi. Sommigen denken, dat Christus hem den naam Mattheus gegeven heeft, toen Hij hem tot het apostelschap riep, zoals Hij aan Simon den toenaam Petrus gegeven heeft. Mattheus betekent Gave Gods. Leraren zijn Gods gaven aan de kerk, hun bediening en hun bekwaamheid er voor zijn Gods gaven aan hen. Wij hebben hier te letten op:
1. De houding, waarin Christus Mattheus heeft gevonden. Hij zat in het tolhuis, want hij was een tollenaar, Lukas 5:27. Hij was beambte aan het tolhuis in de haven van Kapernaum, of commies, of ontvanger van grondbelasting. Hij was dus bezig in zijn beroep, evenals al de overigen, die door Christus geroepen werden, Hoofdstuk 4:18. Gelijk Satan met zijne verzoekingen komt tot hen, die ledig staan en niets doen, zo komt Christus met Zijne roeping tot hen, die aan den arbeid zijn. Het was echter een beroep, dat onder ernstige mensen slecht stond aangeschreven, omdat het gepaard ging met zo veel bederf en verzoeking, dat er slechts weinigen waren, die dat beroep uitoefenden, en toch eerlijk man bleven. Mattheus zelf erkent wat hij geweest is voor zijne bekering, zoals ook Paulus dit doet, 1 Timotheus 1:13, opdat de genade van Christus in zijne roeping des te meer groot gemaakt en verheerlijk zou worden, alsmede om aan te tonen, dat God onder allerlei soorten van mensen Zijn overblijfsel heeft. Niemand kan zijn ongeloof rechtvaardigen door zijn bedrijf of beroep in deze wereld: want er is geen zondig beroep, waar sommigen niet uit verlost zijn geworden, en er is geen wettig beroep, waar niet sommigen in behouden zijn.
2. De voorkomende kracht dezer roeping. Wij bevinden niet, dat Mattheus naar Christus heeft uitgezien, of enigerlei neiging had om Hem te volgen, hoewel sommigen zijner bloedverwanten reeds discipelen van Christus waren, maar Christus voorkwam hem met de zegeningen Zijner goedheid. Hij is gevonden van hen, die Hem niet zochten. Christus sprak het eerst. Wij hebben Hem niet uitverkoren. Hij zei: "Volg Mij": en dezelfde Goddelijke, almachtige kracht vergezelde dit woord ter bekering van Mattheus, welke dat woord vergezelde, vers 6, "Sta op, en wandel" ter genezing van den geraakte. Ene zaligmakende verandering wordt in de ziel gewrocht door Christus als den Werker en door Zijn woord als het middel. Zijn Evangelie is de kracht Gods tot zaligheid, Romeinen 1:16. De roeping was krachtig, want hij kwam op die roeping, hij stond op en volgde Hem, hij weigerde niet te gehoorzamen, en hij stelde dit evenmin uit. De kracht der Goddelijke genade ruimt spoedig alle hinderpalen uit den weg, en komt alle moeilijkheden te boven. Noch zijne aanstelling tot dit ambt, noch het gewin, dat hij er door verkreeg, konden hem terughouden, nu Christus hem riep. Hij is "niet te rade gegaan met vlees en bloed", Galaten 1:15, 16. Hij verliet zijn post, met zijne hoop op bevordering in die loopbaan, en, hoewel wij bevinden, dat de discipelen, die vissers van beroep waren geweest, nu en dan het vissersbedrijf nog uitoefenden, vinden wij Mattheus nooit meer, zittende in het tolhuis. II. Christus' omgang met tollenaren en zondaren bij deze gelegenheid. Christus riep Mattheus om zich aldus in te leiden tot ene kennismaking met de lieden van dat beroep. Jezus zit aan in het huis van Mattheus, vers 10. De andere Evangelisten zeggen ons, dat Mattheus "een groten maaltijd aanrichtte," hetgeen de arme vissers, toen zij geroepen werden, niet doen konden. Maar als hij zelf hiervan spreekt, maakt hij noch melding van zijn eigen huis noch van een groten maaltijd, hij zegt slechts dat Hij "aanzat in het huis", veeleer de herinnering bewarende aan Christus gunst en genade jegens den tollenaar, dan aan de eer, die hij aan Christus had bewezen. Het is betamelijk om slechts zeer spaarzaam van onze eigene goede daden te gewagen. Merk nu op, dat Mattheus, toen hij Christus uitnodigde, ook Zijne discipelen heeft uitgenodigd. Zij, die Christus welkom heten, moeten, om Zijnentwil ook alle de Zijnen welkom heten, en hun ene plaats geven in hun hart. Hij nodigde ook vele tollenaren en zondaren om Hem te ontmoeten. Het was Mattheus' voornaamste bedoeling met dezen feestmaaltijd, de gelegenheid te hebben om zijne oude metgezellen met Christus in kennis te brengen. Hij wist bij ervaring aan welke verzoekingen zij waren blootgesteld, en had medelijden met hen. Hij wist bij ervaring wat de genade van Christus vermocht, en wilde dus niet wanhopen aan hen. Zij, die zelf krachtdadig bekeerd en tot Christus gebracht zijn, kunnen niet anders dan grotelijks begeren, dat ook anderen tot Hem gebracht zullen worden, en zij streven er naar om zelf hiertoe mede te werken. De ware genade stelt zich niet tevreden om alleen van het feestmaal te genieten, zij zal anderen uitnodigen om mede te genieten. Na Mattheus' bekering heeft hij zijn huis terstond opengesteld voor de andere tollenaars, en voorzeker zullen sommigen hem navolgen, gelijk hij Christus gevolgd is, zo deden ook Andreas en Filippus. Johannes 1:41, 45, 4:29. Zie ook Richteren 14:9.
III. Het ongenoegen der Farizeeën hierover, vers 11. Zij maakten er hun vittende aanmerking op. "Waarom eet u w Meester met de tollenaren en zondaren? Merk op, dat er met Christus getwist werd. Het was niet het minste bestanddeel in Zijn lijden, dat Hij "het tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen." Met niemand hebben de mensen ooit meer getwist dan met Hem, die gekomen was om den groten twist tussen God en den mens te beslechten. Aldus heeft Hij zich de eer ontzegd, welke aan den Mens geworden God toekwam, die in alles, wat Hij sprak, gerechtvaardigd had moeten worden, en voor alles wat Hij zei geredelijk instemming had behoren te verkrijgen, want hoewel Hij nooit iets verkeerds gezegd of gedaan had, vonden zij op alles wat Hij zei en deed iets aan te merken. Aldus heeft Hij ons geleerd versmaadheid te verwachten en er ons op voor te bereiden, en haar geduldig te verdragen. Zij, die met Hem twistten, waren Farizeeën, een hoogmoedig geslacht van mensen, vol van eigenwaan en bedilzucht van anderen. Zij waren van dezelfden aard als zij, die ten tijde van den profeet zeiden: "Houd u tot u zelven, en naak tot m ij niet, want ik ben heiliger dan gij." Zij waren zeer strikt en streng in het mijden van zondaren maar niet in het vermijden van zonde. Geen groter ijveraars dan zij voor den vorm der Godzaligheid, en geen groter vijanden dan zij van de kracht er van. Zij waren voor het in ere houden van de overleveringen der mensen, tot zelfs in de kleinste bijzonderheden, en alzo hebben zij den geest en de gezindheid, waardoor zij zelven beheerst werden, bij anderen ingang doen vinden. Zij kwamen met hun vitterij niet tot Christus zelf-zij hadden den moed niet om Hem zelven daarmee onder de ogen te komen-maar tot Zijne discipelen. De discipelen bevonden zich in hetzelfde gezelschap, maar de twist, de vittende aanmerking geldt den Meester, want zij zouden daar niet zijn, indien Hij er niet was, en zij vonden het erger in Hem, die een profeet was, dan in hen. Zij vonden, dat zijne waardigheid Hem op groter afstand van zulk gezelschap moest houden dan anderen. Zij zijn geërgerd door den Meester, en twisten met de discipelen. Christenen behoren in staat te zijn Christus, Zijne leerstellingen en Zijne wetten te rechtvaardigen en te handhaven tegenover Zijne tegensprekers, en "altijd bereid te zijn tot verantwoording aan een iegelijk, die hun rekenschap afeist van de hoop, die in hen is." 1 Petrus 3:17. Daar Hij onze Voorspraak is in den hemel, zo laten wij voor Hem spreken op de aarde, en Zijne versmaadheid tot de onze maken. De klacht gold Zijn eten met tollenaren en zondaren, gemeenzaam om te gaan met goddelozen is tegen de wet van God, Psalm 119:115, 1:1. Wellicht hebben zij door Christus hiervan te beschuldigen bij Zijne discipelen, gehoopt hen van Hem weg te lokken, hun afkeer voor Hem in te boezemen, en hen over te halen om hun discipelen te worden, die in beter gezelschap verkeerden, want zij "omreisden zee en land om Jodengenoten te maken." Gemeenzaam te zijn met tollenaren was tegen de overlevering der ouden en daarom achten zij dit hoog misdadig. Dit vertoornde hen tegen Christus, omdat zij Hem kwaad toewensten en gelegenheid zochten Hem in een verkeerd daglicht te stellen. Het is zeer gemakkelijk, en iets, dat daarom ook veelvuldig voorkomt, om aan iemands beste woorden en handelingen ene verkeerde uitlegging te geven. Het was ook, omdat zij den tollenaren en zondaren geen goeds toewensten, maar Christus' gunst benijdden, en het was hun een verdriet te zien, dat zij tot bekering kwamen. Men heeft alle recht tot het vermoeden, dat zij, die ontstemd worden, omdat zij anderen in de genade Gods zien delen, zelven aan die genade geen deel hebben.
IV. Christus' verdediging van zich zelven en Zijne discipelen ter rechtvaardiging van hun' omgang met tollenaren en zondaren. De discipelen, nog onervaren zijnde, schijnen niet geweten te hebben hoe op het vitten der Farizeeën te antwoorden, en daarom gaan zij met de zaak tot Christus, en Hij hoorde het, vers 12, of wel, Hij kan hun fluisterende aanmerking tot de discipelen reeds gehoord hebben. Maar Hij is volkomen in staat zich te verdedigen, voor zich zelven, en ook voor ons te antwoorden. Tweeërlei zaken worden door Hem in die verdediging aangevoerd. Ten eerste: De nood der tollenaren, die luid om hulp tot Hem riep, en Hem dus rechtvaardigde in Zijn omgang met hen tot hun heil en welzijn. Het was de schreiende nood van arme, verloren zondaren, die Christus de zuivere atmosfeer hier Boven deed verlaten, om op deze onreine aarde te komen, en diezelfde nood was het, die Hem in dit onrein geachte gezelschap bracht. Nu bewijst Hij dien nood der tollenaren, als Hij zegt: "Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.' De tollenaren zijn ziek, zij hebben iemand nodig om hen te helpen en te genezen, terwijl de Farizeeën denken, dat zij daar gene behoefte aan hebben. Zonde is de ziekte der ziel, zondaren zijn geestelijk ziek. Het oorspronkelijk bederf is de kwaal der ziel, dadelijke, werkelijke overtredingen zijn hare wonden, het naar buiten treden der ziekte. Zij, die ziekte namelijk, misvormt, verzwakt, verteert, maar geloofd zij God, zij is niet ongeneeslijk. Jezus Christus is de grote Geneesmeester der ziel. Zijn genezen van lichaamskwalen betekende, dat Hij als de Zon der gerechtigheid opging met genezing onder Zijne vleugelen. Hij is een bekwaam, getrouw en medelijdend Arts, en het is Zijn ambt en werk kranken te genezen. Wijze en vrome mensen behoren als artsen te zijn voor allen, die hen omringen, Christus was dit. Zielen, die ziek zijn door de zonde, hebben dezen Geneesmeester nodig, want hun kwaal is gevaarlijk, de natuur kan zich zelf niet redden, geen mens kan ons helpen, Christus is ons zo nodig, dat wij, zonder Hem, verloren zijn, voor eeuwig verloren. Zondaren, die bij hun verstand zijn, zien hun gevaar in, en wenden zich dien tengevolge tot Hem. Er zijn zeer velen, die zich volkomen gaaf en gezond wanen, en denken, dat zij Christus niet nodig hebben, maar het heel goed buiten Hem kunnen stellen, evenals Laodicea, Openbaring 3:17. Zo begeerden ook de Farizeeën de kennis niet van Christus' woord en weg, niet omdat zij Hem niet nodig hadden, maar omdat zij dachten Hem niet nodig te hebben, Johannes 9:40, 41. Hij bewijst dat hun nood Zijn gedrag in Zijn' gemeenzamen omgang met hen volkomen rechtvaardigde, en dat Hij deswege niet gelaakt behoorde te worden, want dat die nood dit tot ene daad van barmhartigheid maakte, waaraan steeds de voorkeur gegeven behoort te worden boven de vormen en plechtigheden ener Godsdienstige belijdenis, waarin goedheid en weldadigheid zo oneindig hoger staan dan praal en pracht, gelijk het wezen beter is dan schijn en schaduw. Zedelijke en natuurlijke verplichtingen hebben den voorrang zelfs boven de Goddelijke wetten, die van rituelen (Dat is tot kerkelijke gebruiken behorend.) aard zijn, hoeveel te meer geldt dit dan niet voor die inzettingen van mensen en overleveringen der ouden, die Gods wet strenger en strikter maken dan Hij haar gemaakt heeft. Dit bewijst Hij, vers 13, uit ene plaats bij Hosea: "Ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer." Hosea 6:6. Dat norse zich afgezonderd houden van het gezelschap der tollenaren, dat door de Farizeeën geboden werd, was minder dan offerande: maar Christus' verkeren met hen was meer dan ene daad van gewone barmhartigheid en daarom verreweg te verkiezen. Indien zelf wel te doen beter is dan offerande, gelijk Samuël aantoont, 1 Samuël 15, 22, 23, hoeveel te meer dan niet in het weldoen aan anderen. Christus' omgaan met zondaren wordt hier barmhartigheid genoemd. De bekering van zielen te bevorderen is de grootst mogelijke daad van barmhartigheid, het is: "Ene ziel van den dood te behouden", Jakobus 5:20. Let er op hoe Christus dit aanhaalt: "Gaat heen en leert, wat het zij." Het is niet genoeg bekend te zijn met de letter der Schrift, wij moeten er ook de betekenis van leren verstaan. En diegenen hebben het best de betekenis der Schriften leren verstaan, die geleerd hebben ze toe te passen als ene bestraffing van hun eigene gebreken, en een regel ter hunner eigene beoefening. De Schriftuurplaats, door Christus aangehaald, diende niet slechts om Hem te rechtvaardigen, maar ook om aan te tonen, waarin de ware Godsdienst bestaat: niet in het waarnemen van uitwendige plechtigheden, niet in spijs en drank" en een vertoon van heiligheid, niet in kleinzielige bijzondere meningen en twijfelachtige twistredenen, maar in het doen van al het goed, dat wij kunnen aan het lichaam en de ziel van anderen, in rechtvaardigheid en vrede, in het "bezoeken van wezen en weduwen." Het aanhalen dier Schriftuurplaats diende ook om de Farizese geveinsdheid te veroordelen van hen, die den Godsdienst meer plaatsen in plechtigheden, dan in het zedelijk gedrag der mensen, Hoofdstuk 23:23. Zij omhelzen die vormen van Godzaligheid, die zij bestaanbaar maken met, of wellicht dienstbaar aan, hun hoogmoed, hun eerzucht, hun geldgierigheid en hun boosheid, terwijl zij er de kracht van haten, omdat deze hun lusten zou doden. Ten tweede: Hij wijst op den aard en het oogmerk Zijner eigene zending. Hij moet zich houden aan Zijne orders, en voortvaren met hetgeen, waartoe Hij als de grote Leraar was verordineerd. "Ik ben niet gekomen" zegt Hij, "om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering", en daarom moet Ik ook verkeren met tollenaren. Let nu op hetgeen Zijne opdracht was, "roepen tot bekering." Dit was zijn eerste tekst, Hoofdstuk 4:17, en het was de strekking van geheel Zijne prediking. De roepstem van het Evangelie is ene roepstem tot bekering, ene roepstem tot ons, om ons hart, en onzen weg, dat is onzen levenswandel, te veranderen. Tot wie Zijne opdracht was, niet tot rechtvaardigen, maar tot zondaars. Dat is: Indien de kinderen der mensen gene zondaars waren geweest, dan zou er voor Christus gene reden zijn geweest om tot hen te komen. Hij is de Zaligmaker, niet van den mens als mens maar als gevallen mens. Indien de eerste Adam in zijn oorspronkelijken staat der rechtheid ware gebleven, dan zouden wij geen tweeden Adam nodig gehad hebben. Daarom is Zijn voornaamste werk, Zijn werk aan de grootste zondaren, hoe gevaarlijker de kwaal is van den zieke, hoe groter noodzakelijkheid er is voor de hulp van den geneesheer. Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken, maar inzonderheid, de voornaamsten, 1 Timotheus 1:15, niet zo zeer om diegenen te roepen, die, hoewel zondaren, toch vergelijkenderwijs, nog rechtvaardigen zijn, maar de ergste zondaren. Hoe meer de zondaren zich hunner zondigheid bewust zijn, hoe meer welkom hun Christus zal wezen en Zijn Evangelie, en ieder gaat het liefst waar zijn gezelschap begeerd wordt, niet tot hen, die hem liever zien gaan dan komen. Christus is niet in de verwachting van welslagen gekomen onder de rechtvaardigen, die zo zeer met zich zelven ingenomen zijn, en dus eerder een afkeer zullen hebben van hun Zaligmaker dan van hun zonden, maar onder overtuigde, ootmoedige zondaren, tot hen zal Christus komen, want aan hen zal Hij welkom wezen.