1 Koningen 9:1-9
God had onmiddellijk Salomo's gebed verhoord en tekenen gegeven van Zijn welbehagen er in, door het vuur van de hemel, dat de offers verteerde, zoals wij bevinden in 2 Kronieken 7:1, maar hier hebben wij een meer bepaald en duidelijk antwoord er op.
Merk op:
1. Op welke wijze God hem dit antwoord heeft gegeven, Hij verscheen hem, zoals Hij hem te Gibeon was verschenen, in het begin van zijn regering namelijk in een droom, of visioen, vers 2. Dat deze verschijning vergeleken wordt met de vorige, duidt aan, dat het in de nacht was nadat hij de plechtigheden van het feest had voleindigd, want zo was het ook toen, 2 Kronieken 1:6, 7. En zo moet dan vers 1, waar gezegd wordt dat Salomo al zijn gebouwen voleindigd had-hetgeen niet was dan na vele jaren na de inwijding van de tempel-gelezen worden, zoals in 2 Kronieken 7:11. Alzo voltooide Salomo, en vers 2 moet gelezen worden en de Heere was verschenen.
II. De strekking van dat antwoord.
1. Hij verzekert hem van Zijn bijzondere tegenwoordigheid in de tempel, die hij gebouwd had, als antwoord op het gebed, dat hij gedaan heeft, vers 3. Ik heb dat huis geheiligd Salomo had het ingewijd, maar het was kroonrecht van God het te heiligen, de mensen kunnen geen plaats heilig maken, maar wij kunnen hopen, dat God wat wij Hem toewijden genadig zal aannemen als het Zijne, en dat Zijn ogen en Zijn hart daar zullen zijn. Pas dit toe op personen, de levende tempels: zij die God heiligt, die Hij zich afzondert, hebben Zijn oog, Zijn hart, Zijn liefde en zorg, en dat wel tot in eeuwigheid.
2. Hij toont hem dat hij en zijn volk voor de toekomst verantwoordelijk gesteld zijn voor hun goed gedrag, laat hen thans niet gerust zijn, alsof zij naar het goeddunken van hun harten mochten leven, nu zij de tempel des Heeren hadden, Jeremia 7:4. Neen, dit huis was bestemd om hen te beschermen in hun trouw aan God, maar niet in hun rebellie of ongehoorzaamheid. God handelt open met ons, stelt ons goed en kwaad voor, de zegen en de vloek, en laat ons weten waar wij op hebben te rekenen. God zegt hier aan Salomo:
A. Dat de bevestiging van zijn koninkrijk afhing van zijn gehoorzaamheid, vers 4, 5. "Zo gij voor Mijn aangezicht zult wandelen zoals David, die u een goed voorbeeld heeft nagelaten en aanmoediging genoeg om het te volgen, (een voorrecht, dat gij te verantwoorden zult hebben, indien gij er geen goed gebruik van maakt) indien gij, evenals hij, zult wandelen met volkomenheid des harten, en met oprechtheid," (want dat is het voornaamste geen Godsdienst dan oprechtheid) "dan zal Ik de troon van uw koninkrijk bevestigen, maar anders niet", want op die voorwaarde is de belofte gedaan, Psalm 132:12. Indien wij van onze zijde het verbond houden, dan zal God van Zijn zijde niet in gebreke blijven het te houden, indien wij, de genade, die God ons gegeven heeft gebruiken, dan zal Hij haar ten einde toe bevestigen. Laat de kinderen van Godvruchtige ouders het erfdeel van de zegen niet verwachten, tenzij zij treden in de voetstappen van hen, die hun voorgegaan zijn naar de hemel, en de deugd en Godsvrucht van hun voorouders beoefenen. B. Dat de ondergang van zijn rijk het stellige gevolg zal zijn van zijn of van zijn kinderen afval van God, vers 6. Maar weet, en laat uw geslacht en uw koninkrijk het weten, en er door gewaarschuwd zijn, dat, zo gij u ten enenmale afkeren zult van Mij na te volgen, indien gij Mijn dienst verlaat, Mijn altaar veronachtzaamt en andere goden gaat dienen" -want dat was de zonde, die het verbond verbreekt -"indien gij of uw kinderen van Mij weggaat, dan zal dit huis u niet redden". Maar:
a. Israël zal, hoewel het een heilig volk is, uitgeroeid worden, van het land, vers 7, door het ene oordeel na het andere, totdat zij tot een spreekwoord en spotrede zullen worden, het meest verachte volk onder de zon, hoewel zij nu het meest eervolle volk zijn, dit veronderstelt ook de ondergang van de koninklijke familie, hoewel dit niet in zoveel woorden bedreigd wordt, als het rijk vernietigd is, dan is het ook met de koning gedaan.
b. De tempel, hoewel hij een heilig huis is, dat God zelf Zijn naam geheiligd heeft, zal verlaten en in puin gelegd worden, vers 8, 9. Dit huis, dat verheven zal geweest zijn. Zij waren trots op de statigheid en pracht van het gebouw, maar laat hen weten, dat het niet zo hoog verheven is dat het buiten het bereik is van oordelen van God, indien zij het honen en verlagen door het te verlaten voor bossen en afgodstempels, en het toch tegelijk zo verheerlijken, dat zij denken dat het hun de gunst van God verzekert, al hebben zij zichzelf ook nog zo verdorven. Dit huis, dat verheven zal geweest zijn-die het nu voorbijgaan zijn verbaasd over de grootte en schoonheid er van. Zijn rijkdom en sierlijkheid worden bewonderd door allen, die het aanzien, en het wordt een verbazingwekkend gebouw genoemd, maar zo gij God verlaat zal zijn hoogte zijn val nog ontzettender maken, en die voorbijgaan zullen even verbaasd zijn over zijn verderf, terwijl de schuldige, zichzelf veroordelende Israëlieten gedwongen zullen zijn te erkennen, te erkennen met schaamte, dat zij zelf er het verderf van zijn geweest. Want, als er gevraagd zal worden: Waarom heeft de Heere alzo gedaan aan dit huis? dan kunnen zij niet anders dan antwoorden: Omdat zij de Heere hun God verlaten hebben, zie Deuteronomium 29:24, 25. Hun zonde zal uitgedrukt worden in hun straf, zij verlieten de tempel, en daarom heeft God hem verlaten, zij hebben hem ontheiligd door hun zonden en maakten hem tot iets gewoons, daarom heeft God hem ontheiligd met Zijn oordelen en legde hem in puin. God heeft Salomo hiervoor gewaarschuwd, nu hij de tempel pas gebouwd en ingewijd heeft, opdat hij en zijn volk niet hoog-gevoelende zouden zijn, maar zouden vrezen.