Johannes 12:17-36
Er wordt aan Christus hier ere gedaan door Zijn Vader in ene stem van den hemel, veroorzaakt door het volgende deel Zijner rede, en die aanleiding gaf tot een verder spreken met het volk. In deze verzen hebben wij:
I. Christus' bede tot Zijn Vader op het ogenblik, dat Zijne ziel ontroerd werd, Nu is Mijne ziel ontroerd, vers 27. Een vreemd woord om uit den mond van Christus te horen, en dat toen verrassend was, want het komt temidden van lieflijke vooruitzichten, waarin Hij, naar men zou denken, gezegd zou hebben: "Nu is Mijne ziel verruimd en verblijd". Ontroering der ziel volgt soms op grote verruiming van geest. In deze wereld van vermenging en verandering moeten wij na blijdschap neerslachtigheid verwachten, de hoogste mate van verkwikking en vertroosting kan gevolgd worden door de hoogste mate van ontroering en benauwdheid. Nadat Paulus in den derden hemel is geweest, had hij zijn doorn in het vlees. Wij hebben hier te letten op:
1. Christus' vreze voor Zijn naderend lijden: Nu is Mijne ziel ontroerd. Nu nam het treurige, sombere toneel een aanvang, nu begon Zijn doodstrijd, nu begon Zijne ziel geheel bedroefd te worden tot den dood toe. De zonde van onze ziel was de ontroering van Christus' ziel, toen Hij het ondernam ons te verlossen en zalig te maken en Zijne ziel stelde tot een offer voor onze zonde. De ontroering Zijner ziel was bestemd om de ontroering onzer ziel tot bedaren te brengen, want daarna zei Hij tot Zijne discipelen, Hoofdstuk 14:1. Uw hart worde niet ontroerd. "Waarom zou uw hart en het Mijne tevens ontroerd worden?" Onze Heere Jezus is blijmoedig voortgegaan met Zijn werk in het vooruitzicht van de vreugde, die Hem was voorgesteld, en toch onderwierp Hij zich ook aan zielsontroering. Een heilig treuren is bestaanbaar met geestelijke blijdschap, en is de weg tot eeuwige blijdschap. Christus was nu ontroerd, was nu in droefheid, nu in vreze, nu-voor een tijd, maar het zal niet altijd zo wezen, het zal niet lang zo wezen. Dat is ook de troost der Christenen in hun benauwdheid, het is slechts voor een ogenblik, en zal in blijdschap verkeerd worden.
2. De engte, de verlegenheid, waarin Hij zich hierop bevond, duidt Hij aan in deze woorden: Wat zal Ik zeggen? Dat geeft geen raadplegen te kennen met iemand anders, alsof Hij raad van iemand nodig had, maar een overwegen bij zich zelven van hetgeen nu het beste, het meest gepaste, is om te zeggen. Als onze ziel ontroerd is, dan moeten wij wèl acht geven om niet onbedachtelijk te spreken, maar liever bij ons zelven overleggen wat wij zeggen zullen. Christus spreekt als iemand, die in verlegenheid is, alsof Hij niet wist wat te kiezen. Er was strijd tussen het werk, dat Hij op zich had genomen en dat lijden meebracht, en de natuur, die Hij had aangenomen, die dat lijden vreesde. Tussen die twee nu staat Hij stil met: Wat zal Ik zeggen? Hij zag uit, en er was geen helper, hetgeen Hem in verlegenheid bracht. Calvijn beschouwt dit als een sterk voorbeeld van Christus' vernedering, dat Hij spreekt als iemand, die in verlegenheid is, niet weet wat te doen. "Hoe volkomener de Heere der heerlijkheid zich zelven ontledigde, hoe heerlijker en schitterender het bewijs is van de liefde, die Hij ons toedroeg,'. Aldus is Hij in alle dingen verzocht geweest gelijk als wij, om ons te bemoedigen, als wij niet weten wat te doen, en onze ogen alsdan op Hem te richten.
3. Zijn gebed tot God in deze verlegenheid: Vader! verlos Mij uit deze ure! Biddende niet zozeer, dat die ure niet zou komen, als wel dat Hij er in door geholpen zou worden. Verlos Mij uit deze ure, dat was de taal der onschuldige natuur, en hetgeen zij gevoelde, uitgestort in het gebed. Het is de plicht en het belang van ontroerde zielen, om zich tot God te wenden in gelovig en vurig gebed en Hem als Vader te beschouwen. Christus heeft vrijwillig geleden, en toch heeft Hij gebeden om er uit verlost te worden. Gebed tegen benauwdheid is zeer wel bestaanbaar met geduld onder lijden of benauwdheid, en met onderworpenheid aan den wil Gods. Hij noemt Zijn lijden deze ure, bedoelende de verwachte gebeurtenissen, welke nu stonden plaats te hebben. Hiermede duidt Hij aan, dat de tijd van Zijn lijden:
a. Een bestemde tijd was, vastgesteld op ene ure, en Hij wist dit. Twee maal tevoren was gezegd, dat Zijne ure nog niet was gekomen, maar nu was zij zo nabij, dat Hij wel kon zeggen, dat zij gekomen is.
b. Een korte tijd is. Een uur is spoedig voorbij, zo was het met Christus' lijden, Hij vermocht er door heen te zien op. de vreugde, die Hem was voorgesteld.
4. Zijne berusting evenwel in den wil Zijns Vaders. Hij herroept, als het ware, wat Hij gezegd had: Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. De onschuldige natuur had het eerste woord, maar de Goddelijke wijsheid en liefde had het laatste. Wie regelmatig te werk wil gaan, moet volgens nader bedenken handelen. De klager spreekt het eerst, maar als wij rechtvaardig willen oordelen, dan moeten wij ook de andere zijde horen. Met dit nader bedenken weerhield Hij zich: Hierom ben Ik in deze ure gekomen. Hij legt zich hiermede het zwijgen niet op, dat Hij het niet kan vermijden of ontgaan, dat er niets aan te doen was, maar Hij stelt zich hiermede tevreden, dat Hij het niet zou willen ontgaan of vermijden, want het was ingevolge de verbintenis, die Hij vrijwillig op zich had genomen, en het moest de kroon wezen op geheel Zijn werk en onderneming. Indien Hij er zich nu aan onttrok, dan zou hierdoor alles wat Hij tot nu toe gedaan had, verijdeld en vernietigd worden. Er wordt hier verwezen naar de Goddelijke raadsbesluiten betreffende Zijn lijden, krachtens welke het Hem betaamde zich aldus te onderwerpen en te lijden. Dat is het wat moet verzoenen met de donkerste uren van ons leven, namelijk dat wij hiertoe gesteld zijn, zie 1 Thessalonicenzen 3:3.
5. Zijn acht hebben op Zijns Vaders ere hierin. Na het terugnemen van Zijn eerste bede, biedt Hij een tweede aan, en daar zal Hij bij blijven. Vader! verheerlijk Uwen naam, hetgeen dezelfde strekking heeft als: Vader! Uw wil geschiede! want Gods wil is tot Zijne eer en heerlijkheid. Dit drukt meer uit dan een blote onderwerping aan Gods wil, het is ene toewijding van Zijn lijden aan de heerlijkheid Gods. Het was een Middelaarswoord, en werd door Hem gesproken als onzen Borg, die het op zich had genomen aan de Goddelijke gerechtigheid te voldoen voor onze zonde. Het onrecht, dat wij door de zonde Gode hebben aangedaan, is in Zijne eer en heerlijkheid, want in niets anders kunnen wij Hem schaden of beledigen. Wij zijn nooit bij machte geweest Hem voor dit gedane onrecht voldoening te geven, er bleef dus niets anders over, dan dat God zich zou verheerlijken in ons verderf. Daarom is hier onze Heere Jezus tussenbeide getreden, Hij heeft op zich genomen Gode voor Zijn geschonden ere voldoening te geven, en Hij deed het door Zijne vernedering. Hij verloochende zich zelven in, en ontdeed zich van, de eer, die aan den in het vlees verschenen Zoon van God toekomt, en onderwierp zich aan de grootste versmaadheid. Nu biedt Hij hier deze voldoening aan als een evenredige vergoeding: Vader! verheerlijk Uwen naam! Laat Uwe gerechtigheid geëerd worden door het offer, niet door den zondaar, laat de schuld van Mij gevorderd worden, Ik ben bij machte haar te betalen, terwijl de schuldenaar het niet is. Aldus heeft Hij wat Hij niet had geroofd, wedergegeven. II. Des Vaders antwoord op deze bede, want Hij heeft Hem altijd gehoord, en hoort Hem nog. Merk op:
1. Hoe dit antwoord werd gegeven. Door ene stem van den hemel. De Joden spreken veel van ene Bath-kol -de dochter ener stem, als een van de verschillende wijzen, waarop God voormaals tot de profeten gesproken heeft, maar wij vinden er geen voorbeeld van, dat Hij aldus tot iemand anders dan tot onzen Heere Jezus heeft gesproken, het was ene eer, die voor Hem bewaard is gebleven, Mattheus 3:17, 17:5, en hier is deze hoorbare stem waarschijnlijk ingeleid door een zichtbaar verschijnsel, hetzij van licht of van duisternis, want die beiden zijn als voertuig gebruikt geworden van de Goddelijke heerlijkheid.
2. Wat het antwoord was. Het was een bepaald antwoord op de bede, Vader! verheerlijk Uwen naam. Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem wederom verheerlijken. Als wij bidden, zoals ons geleerd is: Onze Vader, Uw naam worde geheiligd, dan is het ons ene vertroosting, dat het een verhoord gebed is, verhoord voor Christus hier, en in Hem voor alle ware gelovigen.
a. De naam Gods is verheerlijkt in het leven van Christus, in Zijne leer en Zijne wonderen, in al de voorbeelden, die Hij gaf van heiligheid en goedheid.
b. Hij zal verder verheerlijkt worden in den dood en het lijden van Christus. Zijne wijsheid en macht, Zijne gerechtigheid en heiligheid, Zijne waarheid en goedheid zijn grotelijks verheerlijkt, aan de eisen van een verbroken wet werd ten volle voldaan, voor de belediging van Gods regering is voldoening gegeven, en God heeft die voldoening aangenomen, en verklaard er een welbehagen in te hebben. Wat God gedaan heeft voor de verheerlijking van Zijn naam is ene aanmoediging voor ons om te verwachten wat Hij verder doen zal.
III. De mening der omstanders betreffende deze stem, vers 29. Wij kunnen hopen, dat er sommigen onder hen waren, wier hart zo toebereid was om een Goddelijke openbaring te ontvangen, dat zij verstonden wat er gezegd was en er getuigenis van hebben afgelegd. Maar er wordt hier ook kennis genomen van de verkeerde mening der schare, sommigen van hen zeiden, dat er een donderslag geschied was. Anderen, die opgemerkt hadden, dat er een duidelijke, verstaanbare stem geschied was, zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Dit toont aan:
1. Dat het iets wezenlijks was, zelfs naar het oordeel van hen, die Hem niet genegen waren.
2. Dat zij er afkerig van waren zo duidelijk een bewijs van Christus' Goddelijke zending te erkennen. Zij wilden liever zeggen, dat het dit, of dat, of wat anders was, dan dat God tot Hem gesproken had in antwoord op Zijn gebed, en toch! indien het donderde met een gearticuleerd geluid, zoals in Openbaring 10:3, 4, was dat dan niet Gods stem? Of, indien engelen tot Hem spraken, zijn zij dan niet Gods boodschappers? Maar aldus spreekt God eens of tweemaal, doch men let daar niet op. IV- De verklaring, die onze Heiland zelf van deze stem geeft.
1. Waarom zij gezonden was, vers 30. Zij kwam niet om Mijnentwil, niet bloot ter Mijner bemoediging en voldoening-want dan zou het Hem in het oor gefluisterd zijn kunnen worden-maar om uwentwil. Opdat gij allen, die haar gehoord hebt, moogt geloven, dat de Vader Mij gezonden heeft. Wat van den hemel omtrent onzen Heere Jezus gezegd is, en van de verheerlijking van den Vader in Hem, is om onzentwil gezegd, opdat wij er toe gebracht worden om ons aan Hem te onderwerpen en op Hem te betrouwen.
b. Opdat gij, Mijne discipelen, die Mij zult moeten volgen in Mijn lijden, er vertroost in zult worden met dezelfde vertroosting, die Mij doet voortgaan. Laat dit hen aanmoedigen om van het leven afstand te doen om Zijnentwil, indien zij daartoe geroepen worden, namelijk dat het strekken zal tot eer en heerlijkheid Gods. De beloften en ondersteuningen, onzen Heere Jezus geschonken in Zijn lijden, waren bedoeld voor ons, om onzentwil. Om onzentwil heeft Hij zich geheiligd, en zich vertroost.
2. Wat de betekenis er van was. Hij, die in den schoot des Vaders was, kende Zijne stem, kende er de betekenis van, en het waren twee dingen, die God bedoelde, toen Hij zei, dat Hij Zijn eigen naam zou verheerlijken.
a. Dat door den dood van Christus Satan zou worden overwonnen, vers 31, Nu is het oordeel. Hij spreekt met een Goddelijk, zegevierend juichen. "Nu is het jaar Mijner verlosten gekomen, en de tijd, tevoren vastgesteld voor het vermorzelen van den kop der slang, en de algehele verplettering van de machten der duisternis, nu zal dat glorierijke werk volbracht worden, dat zo lang tevoren in de Goddelijke raadsbesluiten bepaald was, en waarvan zo lang en zo veel in het Goddelijke woord gesproken is, dat zo lang de hope der heiligen en de vrees der duivelen is geweest". De zaak, waarover aldus gejuicht wordt, is: Dat nu het oordeel der wereld is, krisis, neem dit als een medische uitdrukking. "Nu is het de crisis der wereld". De zieke wereld is nu op het keerpunt gekomen, het is de kritieke dag, waarop de balans der schaal over zal slaan naar het leven of naar den dood voor geheel het mensdom, allen, die hierdoor niet tot herstel komen, zullen hulpeloos en hopeloos gelaten worden. Of liever, het is, zoals wij het opvatten, een rechtsterm: "Nu is het oordeel gekomen, dat volvoerd zal worden aan den overste dezer wereld". De dood van Christus was het oordeel der wereld. Ten eerste. Het is een oordeel van ontdekking en onderscheiding -judicium discretionis, zegt Augustinus. Nu is het het gerechtelijk onderzoek der wereld, want de mensen zullen hun getuigenis ontvangen al naar het kruis van Christus voor hen is, voor sommigen is het dwaasheid en een steen des aanstoots, voor anderen is het de wijsheid en de kracht Gods, waarvan men een beeld, of type, kan zien in de twee moordenaren, die met Hem gekruisigd werden. De mensen worden geoordeeld naar hetgeen zij van den dood van Christus denken. Ten tweede. Het is een oordeel van gunst en vrijspraak voor de uitverkorenen, die in de wereld zijn. Christus aan het kruis heeft zich gesteld tussen een rechtvaardig God en een schuldige wereld, als een offer voor de zonde en als borg voor de zondaren, zodat, toen Hij geoordeeld was, en de Heere onzer aller ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen, het, als het ware het oordeel dezer wereld is geweest, want er is een eeuwige gerechtigheid door aangebracht, niet slechts voor de Joden, maar voor geheel de wereld, 1 Johannes 2:1, 2, Daniël 9:24. Ten derde. Het is een oordeel der verdoemenis, uitgesproken over de machten der duisternis, zie Hoofdstuk 16:11. Het woord oordeel is ook genomen voor rechtvaardiging, verdediging van een aangevallen recht. Bij den dood van Christus moest beslist worden in een groot rechtsgeding tussen Christus en Satan, de slang en het beloofde Zaad, het ging om de wereld en de heerschappij er over. De duivel had lang den staf gezwaaid over de kinderen der mensen, sedert onheuglijke jaren reeds, en nu voert hij verjaring aan als pleitgrond, en grondt zijne aanspraken ook op de verbeuring door de zonde. Wij vinden hem bereid om tot ene schikking te komen, Lukas 4:6, 7, hij zou de koninkrijken dezer wereld aan Christus hebben willen geven, mits Hij ze van hem ontving, en onder hem, als zijn afhangeling, hield. Maar Christus wilde den strijd met hem volhouden: door te sterven heft Hij de verbeuring op der Goddelijke gerechtigheid, en daarna betwist Hij hem rechtmatig zijne aanspraken, en wint voor het hof des hemels Zijn geding. Satans heerschappij wordt als overweldiging verklaard, en de wereld wordt aan den Heere Jezus als Zijn recht toegekend, Psalm 2:6, 8. Het oordeel dezer wereld is: dat het Christus toebehoort, en niet aan Satan, zo laat ons dan Christus als onzen rechtmatigen Heere erkennen. Dat nu de overste dezer wereld buiten geworpen zal worden. Ten eerste. Het is de duivel, die hier de overste dezer wereld genoemd wordt, omdat hij over de mensen dezer wereld heerst door de dingen dezer wereld. Hij is de geweldhebber der duisternis dezer eeuw, dat is: dezer duistere wereld, van hen, die in duisternis wandelen, 2 Corinthiërs 4:4, Efeze 6:12.
Ten tweede. Hij wordt gezegd buiten geworpen te worden, nu buiten geworpen te zijn, want al wat tot nu toe gedaan is ter verzwakking van het rijk des duivels, was gedaan krachtens de komst van Christus, en daarom wordt gezegd, dat het nu gedaan is. Christus' verzoening van de wereld met God door de verdienste van Zijn dood, heeft de macht des doods verbroken en Satan als een bedrieger buiten geworpen. Het vermorzelen van Zijne verzenen was het vermorzelen van den kop der slang, Genesis 3:15. Toen zijne orakelen verstomden, zijne tempels verlaten werden, zijne afgoden vergingen, en de koninkrijken dezer wereld Christus' koninkrijken zijn geworden, toen is de overste dezer wereld buiten geworpen, gelijk blijkt uit de vergelijking hiervan met het visioen van Johannes, Openbaring 12:8-11, waar gezegd wordt, dat dit gedaan is door het bloed des Lams. Christus' menigvuldig uitwerpen van duivelen uit het lichaam van mensen is ene aanduiding van het grote doel van geheel Zijne onderneming. Zie met welk ene verzekerdheid Christus spreekt van de zegepraal over Satan, zij is reeds zo goed als behaald, en zelfs als Hij zich onderwerpt aan den dood, overwint Hij den dood.
b. Dat door den dood van Christus zielen bekeerd zullen worden, en dat zal de uitwerping zijn van Satan, vers 32, Zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal Ik hen allen tot. Mij trekken. Hier valt te letten op twee dingen Het grote doel van den Heere Jezus, hetwelk was, "alle mensen tot zich te trekken", niet alleen de Joden, die reeds lang, naar hun belijdenis, een volk waren, nabij God, maar ook de heidenen, die verre waren, want Hij zou de wens aller heidenen zijn, Haggai 2:8, en tot Hem moeten de volken vergaderd worden. Wat Zijne vijanden vreesden was, dat de gehele wereld Hem na zou gaan, en niettegenstaande hun tegenstand zal Hij hen allen tot zich trekken. Merk hier op, hoe Christus zelf alles in alles is in de bekering ener ziel.
Ten eerste. Het is Christus, die trekt: Ik zal hen trekken. Soms wordt dit toegeschreven aan den Vader, Hoofdstuk 6:44, maar hier aan den Zoon, die de arm des Heeren is. Hij drijft niet door geweld, maar trekt hen met mensenzielen, Hosea 11:4, Jeremia 31:3, trekt hen, zoals de magneet, de ziel wordt gewillig gemaakt, maar het is in den dag Zijner heirkracht.
Ten tweede. Het is tot Christus, dat wij worden getrokken: "Ik zal, als het middelpunt der eenheid, hen tot Mij trekken." De ziel, die op een afstand was van Christus, wordt in kennis met Hem gebracht, hij, die schuw en wantrouwend van Hem was, wordt er toe gebracht Hem lief te hebben en op Hem te vertrouwen, Zijne voorwaarden aan te nemen, zich in Zijne armen te werpen. Christus ging nu naar den hemel, en dáár zijnde, zal Hij het hart der mensen tot zich trekken. De vreemde methode, die Hij volgde om dit doel te bereiken, namelijk door van de aarde verhoogd te worden. Om misverstand te voorkomen, wordt ons gezegd wat Hij daarmee bedoelde, vers 33. Dit zei Hij, betekenende hoedanigen dood Hij sterven zou, den dood aan het kruis, hoewel zij bedoeld en gepoogd hadden Hem te stenigen. Wie gekruisigd werd, werd eerst aan het kruis genageld, en dan er mede overeind geheven. Hij was verhoogd als een schouwspel voor de wereld, verhoogd, opgeheven tussen hemel en aarde, als beiden onwaardig, toch betekent het woord, dat hier gebruikt wordt, een eervolle verheffing, Hij achtte Zijn lijden ene eer. Welken dood wij ook sterven, zo wij in Christus sterven, zullen wij van uit dit kerkerhol worden opgeheven, uit dezen kuil der leeuwen, naar het gebied van liefde en licht. Wij moeten van onzen Meester leren om met heilige opgeruimdheid van sterven te spreken, en te zeggen: "Wij zullen dan verhoogd worden". Dit trekken nu van alle mensen tot Hem volgde op Zijn verhoogd worden van de aarde. Ten eerste. Het volgde er op met betrekking tot den tijd. De grote toeneming der kerk had plaats na den dood van Christus. Terwijl Christus leefde, lezen wij van duizenden, die bij, of na, ene prediking wonderdadig gespijzigd werden, maar na Zijn dood lezen wij van duizenden, die na ene prediking aan de kerk werden toegevoegd. Israël begon zich in Egypte te vermenigvuldigen na den dood van Jozef.
Ten tweede. Zij volgde er op, als een gezegend uitvloeisel er van. Er is een grote kracht van uitwerking in den dood van Christus, waardoor de zielen tot Hem worden getrokken. Het kruis van Christus is voor sommigen wel een steen des aanstoots, maar voor anderen is het een magneetsteen. Sommigen nemen het als toespeling van het trekken van vissen in een net, de verhoging van Christus was als het uitwerpen van het net, Mattheus 13:47, 48, of van het oprichten van ene banier, die de soldaten bij elkaar doet komen, of liever, het verwijst naar de oprichting der koperen slang in de woestijn, die allen tot zich trok, die door de vurige slangen gebeten waren, zodra het bekend was dat zij was opgericht en er genezende kracht in was. O! hoe zijn zij er heen gestroomd! Zo was er ook een heen stromen tot Christus, toen er zaligheid door Hem allen volken gepredikt werd, zie Hoofdstuk 3:14, 15. Wellicht ziet het ook op de houding, waarin Christus gekruisigd werd, met Zijn armen uitgestrekt, om allen tot zich te nodigen en allen, die komen, te omhelzen. Zij, die Christus dien smadelijken dood hebben doen ondergaan, hebben gedacht, dat zij er alle mensen mede van Hem weg zouden drijven, maar de duivel is met zijn eigen wapen verslagen: Spijze ging uit van den eter.
V. De tegenwerping des volks tegen hetgeen Hij zei, en hun vittende aanmerking er op, vers 35. Ofschoon zij de stem uit den hemel en de genaderijke woorden, die uit Zijn mond voortkwamen, hebben gehoord, maken zij toch tegenwerpingen, en twisten zij met Hem. Christus had zich de Zoon des mensen genoemd, vers 23, en zij wisten dat dit een der titels of benamingen was van den Messias, Daniël 7:13. Hij had ook gezegd, dat de Zoon des mensen verhoogd moet worden, hetgeen zij verstonden van Zijn sterven, en waarschijnlijk heeft Hij zich ook aldus nader verklaard, en sommigen denken, dat Hij hier herhaald heeft wat Hij aan Nicodemus had gezegd, Hoofdstuk 3:14, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Hiertegen nu:
1. Voeren zij de Schriften aan des Ouden Testaments, die spreken van de eeuwigdurendheid van den Messias, en dat Hij, wel verre van afgesneden te worden in het midden Zijner dagen, priester in eeuwigheid zou wezen, Psalm 110:4, en koning tot in eeuwigheid, Psalm 89:30 en verder.: dat Hij lengte van dagen zou hebben, en jaren als van geslacht tot geslacht, Psalm 21:5, 61:7, en uit dit alles leidden zij af, dat de Messias niet zou sterven. Zo kan grote kennis van de letter der Schrift, als het hart ongeheiligd is, misbruikt worden om de zaak des ongeloofs te dienen, en het Christendom met zijn eigen wapens te bestrijden. Hun verkeerdheid met dit aan te voeren tegen hetgeen Jezus gezegd had zal blijken, als wij bedenken: a. Dat zij, als zij erkennen dat de Schrift zegt, dat de Messias blijft tot in eeuwigheid, geen acht slaan op de teksten, die spreken van den dood en het lijden van den Messias. Zij hadden uit de wet gehoord, dat de Messias blijft in der eeuwigheid, maar hadden zij dan nooit uit de wet gehoord, dat de Messias uitgeroeid zal worden, Daniël 9:26, en dat Hij Zijne ziel zal uitstorten in den dood, Jesaja 53:12, en inzonderheid, dat Zijne handen en voeten zullen doorgraven zijn? Waarom houden zij dan het verhoogd zijn van den Zoon des mensen voor zo iets vreemds? Wij begaan soms grote vergissingen, die wij dan met argumenten uit de Schrift verdedigen, door die dingen te scheiden, welke God in Zijn woord heeft samengevoegd, en ene waarheid tegen te staan onder schijn van een andere waarheid te verdedigen. Wij hebben uit het Evangelie gehoord hetgeen ons plichten voorschrijft, en beiden moeten wij van harte omhelzen en aannemen, en ze niet scheiden of ze met elkaar in strijd zoeken te brengen.
b. Dat zij, tegensprekende wat Christus gezegd had betreffende het lijden van den Zoon des mensen, geen acht sloegen op hetgeen Hij gezegd had betreffende Zijne heerlijkheid en verhoging. Zij hadden gehoord uit de wet, dat de Christus blijft in der eeuwigheid, en hadden zij dan onzen Heere Jezus niet horen zeggen, dat Hij verheerlijkt zal worden, dat Hij veel vrucht zal voortbrengen, en allen tot zich zal trekken? Had Hij niet zo-even nog onsterfelijke eer beloofd aan Zijne volgelingen, hetgeen toch Zijn blijven tot in eeuwigheid veronderstelt, in zich sluit? Maar dit zagen zij voorbij. Zo zullen onredelijke, onoprechte twistredenaars sommige gedeelten van de mening van een tegenstander bestrijden, terwijl zij, die mening in haar geheel nemende, haar wel zouden moeten onderschrijven, en in de leer van Christus zijn paradoxen, die voor mensen van een verdorven geest stenen des aanstoots zijn-zoals Christus gekruisigd, en toch verheerlijkt, verhoogd van de aarde, en toch, allen tot zich trekkende.
2. Zij vragen hierop: Wie is deze Zoon des mensen? Dit vroegen zij niet uit begeerte van onderwezen te worden, maar smalend en beledigend, alsof zij Hem nu beschaamd en in de engte gedreven hadden. "Gij zegt: de Zoon des mensen moet sterven, wij hebben bewezen, dat de Messias niet moet sterven, waar is dan nu uw Messiasschap? Deze Zoon des mensen, zoals gij uzelven noemt, kan de Messias niet zijn, gij moet dus wat anders bedenken om aanspraak op te maken". Wat hen nu tegen Christus bevooroordeelde was Zijne armoede en geringheid, zij wilden liever geen Christus dan een lijdenden Christus.
VI. Wat Christus op die tegenwerping geantwoord heeft. Die tegenwerping was niets dan vitterij, zij zouden, als hun dit beliefde, er zelven op kunnen antwoorden: de mens sterft, en is nochtans onsterflijk en blijft in der eeuwigheid, zo ook de Zoon des mensen. In plaats dus van deze dwazen te antwoorden naar hun dwaasheid, geeft Hij hun een ernstige waarschuwing om zich te wachten van hun dag van gelegenheid te verbeuzelen met zulke ijdele en onvruchtbare vitterijen als deze zijn, vers 35, 36: Nog een kleinen tijd -en het is slechts een kleine tijd -is het licht bij ulieden, weest dus verstandig voor uzelven, en wandelt, terwijl gij het licht hebt.
1. In het algemeen kunnen wij hier opmerken.
a. De zorg, die Christus heeft voor de zielen der mensen, en Zijne begeerte naar hun welzijn. Met wat tederheid vermaant Hij hier diegenen om wèl toe te zien op zich zelven, die kwaad tegen Hem beraamden. Zelfs toen Hij het tegenspreken der zondaren tegen zich verdragen heeft, zocht Hij hun bekering. Spreuken 29:10. b. De methode, die Hij gebruikt tegenover deze tegensprekers, met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan, 2 Timotheus 2:25. Indien der mensen geweten slechts ontwaakte met een betamelijke, plichtmatige bezorgdheid omtrent hun eeuwigen staat, en indien zij bedachten hoe weinig tijd zij hebben, waarvan zij niets kunnen missen, zij zouden geen kostelijke gedachten en tijd verspillen in beuzelachtige vitterijen,
2. In het bijzonder hebben wij hier,
a. Het voorrecht, dat hun te beurt viel door Christus en Zijn Evangelie in hun midden te hebben: Nog een kleinen tijd is het licht bij ulieden. Christus is dit Licht, en sommigen der ouden opperen het denkbeeld, dat Hij, door zich het Licht te noemen, een stilzwijgend antwoord geeft op hun tegenwerping. Zijn sterven aan het kruis was even bestaanbaar met Zijn blijven in der eeuwigheid, als het ondergaan der zon elke avond bestaanbaar is met hare voortdurendheid. De duur van Christus' koninkrijk wordt vergeleken met dien der zon en der maan, Psalm. 72:17, 89:37, 38. De ordeningen des hemels zijn onveranderlijk vastgesteld, toch gaan zon en maan onder, en worden soms verduisterd, zo blijft Christus, de Zon der gerechtigheid, in der eeuwigheid, maar werd toch verduisterd door Zijn lijden, en was maar voor een kleine wijle aan onzen horizon. Nu hadden de Joden dat licht toen bij zich, zij hadden Christus' lichamelijke tegenwoordigheid, zij hoorden Zijne prediking, zagen Zijne wonderen. Voor ons is de Schrift een licht, schijnende in een duistere plaats. Dat Licht zou slechts een kleine wijle bij hen blijven, Christus zal hen weldra verlaten, hun zichtbare kerkstaat zal spoedig ontbonden, en het koninkrijk Gods van hen weggenomen worden, en dan zullen blindheid en verharding over Israël komen. Het is voor ons allen goed om te bedenken hoe kleinen tijd het nog is, dat wij het licht bij ons hebben. De tijd is kort, en de gelegenheid wellicht niet lang. De kandelaar kan van onze plaats weggenomen worden, en in elk geval zullen wij zelven weldra weggenomen worden. Nog een kleine wijle is het licht des levens in ons, nog een kleinen tijd is het licht des Evangelies bij ons, is het voor ons de dag der genade, is de Geest der genade nog bij ons, nog een zeer kleinen tijd.
b. Zijne vermaning om het beste gebruik te maken van dat voorrecht, zolang zij het dan nog hadden, vanwege het gevaar, waarin zij verkeerden om het te verliezen: Wandelt terwijl gij het licht hebt, als reizigers, die alles aanwenden om zich voorwaarts te spoeden, ten einde niet door den nacht te worden overvallen, terwijl zij nog op weg zijn, omdat het reizen in den nacht bezwaarlijk en onveilig is. "Komt", zeggen zij, "laat ons onzen stap verhaasten en voorwaarts zien te komen, zolang het nog licht is". Zo verstandig behoren wij te wezen ook voor onze zielen op onze reis naar de eeuwigheid. Het is zaak voor ons om te wandelen, voorwaarts te streven naar den hemel, er nader bij te komen door er geschikter voor te worden. Ons leven is slechts een dag, en wij hebben ene dagreis af te leggen. De beste tijd om te wandelen is zolang wij het licht hebben. De dag is de geschiktste tijd om te werken, gelijk de nacht om te rusten. De geschiktste tijd om genade te verkrijgen is, wanneer ons het woord der genade wordt gepredikt en de Geest der genade met ons twist, daarom is het dan de tijd om ijverig bezig te wezen. Het is van het hoogste belang voor ons om gebruik te maken van onze gelegenheden, opdat onze dag niet voorbij is, eer ons dagwerk geëindigd en onze dagreis volbracht is: opdat de duisternis u niet bevange, opdat gij uwe gelegenheden niet verliest, en die noch terug kunt krijgen, noch de zaken kunt doen, die gij te doen hebt, als u de gelegenheid er voor ontbreekt". Dan komt de duisternis, dat is: zulk een volslagen onmacht om onze roeping en verkiezing-onze grote zaligheid-vast te maken, als waardoor de toestand van den zorgelozen zondaar ontzettend treurig wordt, zodat, indien zijn werk alsdan niet gedaan is, het nooit gedaan zal worden. c. Den treurigen toestand van hen, die het Evangelie verzondigd hebben, en aan het einde van hun dag der genade zijn gekomen. Zij wandelen in de duisternis, en weten noch waar zij gaan, noch werwaarts zij gaan, noch den weg, waarop zij wandelen, noch het einddoel waar zij heen wandelen. Hij, die ontbloot is van het licht des Evangelies, niet bekend is met deszelfs ontdekkingen en aanwijzingen, doolt eindeloos rond in vergissingen en dwalingen, op duizenderlei kromme wegen, zonder er zich van bewust te zijn. Laat het onderricht der Christelijke leer op zijde worden gezet, en wij zullen weinig weten van het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij gaat ten verderve, en kent zijn gevaar niet, want of hij slaapt, of hij danst. op den rand des afgronds.
d. Den groten plicht, en het grote belang, die voor een iegelijk onzer hieruit afgeleid worden, vers 36:terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht. De Joden hadden nu Christus' tegenwoordigheid onder hen, laat hen er gebruik van maken, later werd hun de eerste aanbieding van het Evangelie gedaan door de apostelen, wáár zij ook kwamen, nu is dit ene vermaning voor hen om niet te weerstaan, maar het aanbod aan te nemen als het hun gedaan wordt. En hetzelfde zegt Christus tot allen, die het Evangelie hebben. Het is ieders plicht om in het Evangelie te geloven, het te ontvangen als een Goddelijk licht, de waarheden te onderschrijven, die het ontdekt, want het is een licht voor onze ogen, deszelfs leiding te volgen, want het is een licht voor onzen voet. Christus is het licht, en wij moeten in Hem geloven, zoals Hij ons is geopenbaard, als een waar licht, dat ons niet zal bedriegen, als een zeker licht, dat ons niet zal misleiden. Wij moeten dit doen, terwijl wij het licht hebben. wij moeten Christus aangrijpen, terwijl wij het licht des Evangelies hebben om ons den weg tol Hem te wijzen, en ons op dien weg te leiden. Zij, die in het licht geloven, zullen kinderen des lichts zijn, zij zullen erkend worden als Christenen, die kinderen des lichts genoemd worden, Lukas 16:4, Efeze 5:8, en des dags, 1 Thessalonicenzen 5:5. Zij, die God hebben tot hun Vader, zijn kinderen des lichts, want God is licht, zij zijn van Boven geboren, en erfgenamen des hemels, en kinderen des lichts, want de hemel is licht.
VII. Hierop heeft Christus zich van hen teruggetrokken. Deze dingen sprak Jezus, en zei toen niets meer, maar liet hun dit ter overweging, en weggaande, verborg Hij zich van hen. En dit deed Hij:
1. Ter hunner overtuiging en ontwaking. Indien zij geen acht willen slaan op hetgeen Hij hun gezegd heeft, dan zal Hij hun niets meer te zeggen hebben. Zij zijn vergezeld met hun ongeloof, zoals Efraïm met de afgoden, laat hen varen. Christus neemt rechtvaardiglijk de middelen der genade weg van hen, die met Hem twisten, en verbergt Zijn aangezicht van een verkeerd geslacht, Deuteronomium 32:20.
2. Om den wil Zijner eigen veiligheid. Hij verborg zich voor hun toorn en woede, zich waarschijnlijk terugtrekkende naar Bethanië, waar Hij des nachts verbleef. Hieruit blijkt, dat hetgeen Hij gezegd had hen prikkelde en vertoornde, zodat zij slechter waren geworden door hetgeen hen beter had moeten maken.