39. En sommigen van de Farizeeën uit de menigte, die zich bij de menigte van volk bevonden, maar zich over dat geroep (
Vers 39) ergerden, zeiden tot Hem: Meester! bestraf Uw discipelen, laat hen niet toe wat zij onderstaan. 40. En Hij antwoordde hen: Ik zeg u dat, als deze zwijgen, zoals het u nog zal lukken hen tot zwijgen te brengen, de stenen in hun plaats haast roepen zullen (
Habakuk 2:11).
Farizeeën hadden zich verenigd met de menigte die de Heere tegemoet kwamen om te zien wat er voorviel. Als zij zien, dat zij het volk niet meer in hun hand hebben (Johannes 12:19), wenden zij zich tot Jezus zelf, dat Hij Zijn reisgenoten tot stilte brengt en hun woord tot Hem ging zeker wel vergezeld van een blik op de burg Antonia, waar de Romeinse bezetting lag, als wilden zij zeggen: "Ziet Gij niet, daar zijn toch de Romeinen; wilt Gij ons in het verderf storten? (Johannes 11:48).
Een opmerkelijk contrast is er tussen de eerbied en de achting, waarmee de Farizeeën en Sanhedristen een aardse veroveraar, Alexander de Grote, opnamen (1 Makk. 1:4 Aanm. ) en de koudheid waarmee zij de Koning van de vrede drie eeuwen later ontvingen, toen ook Hij Zijn intocht in Jeruzalem wilde houden; toen scheen hun geen teken van huldiging groot genoeg, nu is hun het minste te sterk.
Zij richten hun onbeschaamd verwijt tegen Jezus, als was het buiten allen twijfel dat Zijn aanhangers groot onrecht deden, alsof zij Hem voor alle gevolgen verantwoordelijk wilden stellen. Hij antwoordt hun echter: Mijn eer moet worden uitgeroepen en wanneer u levenden hard en stom als stenen bent, dan zullen de dode stenen tot levenden worden, zij zullen schreien, zoals de profeet tegen Babel heeft voorspeld. Jeruzalem zal dan ook werkelijk een tweede Babel worden en zijn stenen zullen ineenstortend tegen u roepen dat u uw Koning hebt verworpen.
Als de mensen zwijgen van de lof van God en vooral als een duister despotisme aan de beter gezinden zo'n zwijgen oplegt, als men het evangelie onderdrukt, dan beginnen de stenen te roepen (vgl. Openbaring 11:7-13); zij verkondigen de gerichten van de Heere, wiens verheerlijking niet eindigen kan.
Maar kunnen de stenen roepen? Zeker zouden zij kunnen, als Hij, die de stomme mond opent, hen hun stem deed verbeteren. Zeker, als zij konden spreken, zij zouden veel te vertellen hebben, tot roem van Hem, die hen schiep door het woord van Zijn macht. Zij zouden de wijsheid en macht verheffen van hun Maker, die hen tot aanzijn riep. Zullen wij dan niet getuigen van Hem, die ons wederom geboren deed worden en uit stenen Abraham kinderen verwekte? De oude rotsen zouden kunnen getuigen van verwarring en orde, van de daden van God in de verschillende tijdperken, van Gods wonderen en grote daden in de tijden van ouds en al wat Hij gedaan heeft voor Zijn Kerk. Als de stenen konden spreken, zouden zij vertellen van Hem, die ze uit de aarde heeft gegraven en geschikt gemaakt voor de opbouw van de tempel en kunnen wij niet vertellen van die Heerlijke, die onze harten sloeg met de hamer van het woord, zodat Hij door ons Zijn tempel opbouwen zou? Konden de stenen roepen, zij zonden hun Bouwheer prijzen, die hen bewerkte en vervormde naar de beeltenis van de stenen van een paleis en zullen wij niet onze Bouwheer roemen, die ons een plaats heeft aangewezen in de tempel van de levende God. Konden de stenen spreken, zij zouden een lange geschiedenis van herinnering te vertellen hebben, want menigmaal is er een grote steen opgericht tot een gedenkteken voor de Heere en wij ook kunnen getuigen van Eben-haëzers, stenen van hulp, zuilen van herinnering. De gebroken tafelen van de wet getuigen tegen ons, maar Christus zelf, die de steen van de deur van het graf heeft gewenteld, spreekt voor ons. De stenen zouden wel willen spreken, maar wij zullen ze niet aan het woord laten komen, wij zullen hun stem door de onze tot zwijgen brengen, wij zullen geheiligde zangen aanheffen en de majesteit verkondigen van de Allerhoogste al de dagen van ons leven. Hem verheerlijkend, die door Jakob genoemd is: de Herder en Rots van Israël.
Wij lezen dat Hij op een ezel reed, zoals een koning die zijn hoofdstad bezoekt, of een overwinnaar die in zegepraal naar zijn geboorteland terugkeert. Wij lezen van een menigte discipelen, die Hem omringden toen Hij de stad binnenreed, "die zich begonnen te verblijden en God te loven met grote stem. " De hele geschiedenis verschilt treffend van de algemene grondtoon van het leven van onze Heere. Bij andere gelegenheden zien wij Hem Zich aan de openbare opmerkzaamheid onttrekken. Zich in de woestijn terugtrekkend, hen, die Hij genas, bevelend aan niemand te zeggen wat er gebeurd was. Bij deze gelegenheid is alles veranderd. Terughoudendheid is geheel terzijde gesteld. Hij schijnt de openbare aandacht te zoeken. Hij schijnt begerig dat allen Hem zien en opmerken, nagaan en waarnemen wat Hij deed. De redenen van het gedrag van onze Heer in deze kracht van Zijn bediening mag op het eerste gezicht moeilijk ontdekt worden, bij kalme overweging zijn zij duidelijk en eenvoudig. Hij wist dat de tijd was gekomen dat Hij voor zondaars op het kruis zou sterven. Zijn werk als de grote profeet wat Zijn aardse bediening betrof, was bijna geëindigd en volbracht. Zijn werk als het offer voor de zonde en plaatsbekleder voor zondaars moest nog volbracht worden. Het Lam van God zou geslacht worden. Het grote zondoffer moest gedood worden. Het was behoorlijk, dat de ogen van heel Israël zich op Hem vestigden. Deze grote zaak moest niet in een hoek gebeuren. Laat ons God voor eeuwig danken, dat de dood van onze Heer Jezus Christus zo ver bekend en zo'n openbare zaak was. Was Hij plotseling in enig volksoproer gestenigd geworden, of in het geheim als Johannes de Doper in de gevangenis onthoofd, het zou nooit aan de ongelovige Joden en heidenen ontbroken hebben, die de ter dood brenging van de Zoon van God geheel ontkend zouden hebben. De wijsheid van God ordende de gebeurtenissen zo, dat zo'n loochening onmogelijk werd gemaakt. Wat de mensen ook mogen denken van de leer van Christus zoendood, zij kunnen nooit het feit ontkennen dat Christus gestorven is. In het openbaar reed Hij Jeruzalem binnen, enige dagen vóór Zijn dood. In het openbaar werd Hij in de stad gezien en gehoord, tot op de dag dat Hij verraden werd. In het openbaar werd Hij voor de overpriesters en voor Pilatus gebracht en veroordeeld. In het openbaar werd Hij naar Golgotha gebracht en aan het kruis genageld. De hoeksteen en de hoofdgebeurtenissen in het leven van onze Heere was Zijn dood voor zondaren. Van al de gebeurtenissen van Zijn bediening was die dood de meest openbare en de enige, waarvan het grootste aantal Joden getuige was. En die dood was "het leven van de wereld" (Johannes 6:51).
EVANGELIE OP DE 10de ZONDAG NA TRINITATIS
Jeruzalem heeft niet eenparig, noch in zijn meerderheid, de roeping van de Heere aangenomen; haar kinderen hebben zich niet laten verlichten. Daarom weent de Heere, zoals het evangelie ons mededeelt, over de stad en klaagt Hij over haar, omdat zij niet heeft bedacht wat tot haar vrede diende en de tijd niet erkend, waarin zij genadig werd bezocht. Nu is het oordeel nabij. Dezelfde zaak herhaalt zich steeds weer: de Geest van God arbeidt en verspreidt licht, aan ambten en gaven ontbreekt het niet (1 Corinthiërs 12:1, ); maar zovelen bedenken niet dat tot hun vrede dient en erkennen de tijd van de genadige bezoeking niet, omdat zij zich niet laten verlichten door de Heilige Geest. Aan Jeruzalem moet zich de kerk van God en iedere ziel in het bijzonder spiegelen, opdat niet het gericht van de Heere over haar komt.
De laatste perikoop beval ons ernstig aan verstandig te zijn, door ons te herinneren aan ons einde; dit evangelie gaat op de ingeslagen weg een stap verder. Wee hem, zo roept het ons toe, wie het aan het nodige verstand ontbreekt en die de tijd van zijn bezoeking niet uitkoopt! Jeruzalem staat als een waarschuwend voorbeeld voor ons.
In de Joodse kalender is de tiende augustus de gedenkdag van het verbranden van de tempel (2 Koningen 25:8); wij hebben daarvoor de tiende zondag na Trinitatis, die eveneens in de maand augustus valt.
De ondergang van Jeruzalem; wij beschouwen 1) de tranen van Jezus tot beschaming van onze koude harten; 2) de lichtzinnigheid van het volk, tot bestraffing van onze lichtzinnigheid; 3) de ernst van de goddelijke oordelen, tot wegneming van onze gerustheid.
Waar heeft de Heere een gezicht, dat Hem tot droefheid stemt? 1) waar men niet meer weet, wat tot de vrede dient, 2) waar men de tijd van de bezoeking niet erkent, 3) waar men zelfs het heilige tot goddeloosheid misbruikt.
Waarom weende de Heere over de stad Jeruzalem, toen Hij haar aanzag? Als wij 1) bedenken, hoe Hij de stad zag, dan zullen wij ook 2) erkennen, waarom Hij over haar weende.
De goddelijke bezoekingen van het gericht: 1) zij volgen daar, waar Gods genadige bezoekingen tevergeefs zijn geweest. 2) zij laten zich bezwaarlijk afwenden, alhoewel het mogelijk zou zijn.
Jeruzalems blindheid 1) het verderf is nabij, maar niemand vermoedt het; 2) de zaligheid is nabij, maar niemand wil het opmerken.