18. De groet met mijn hand, van Paulus (
2 Thessalonicenzen 3:17.
1 Corinthiërs 16:21 a) Gedenk mijn banden, die ik voor u draag en die u tot eer zijn (
Efeze 3:13). De genade van de Heere Jezus Christus zij met u (
1 Corinthiërs 16:23 Galaten 6:18) Amen.
a) Hebreeën 13:3
Nadat Paulus, tot hiertoe de brief aan Demas (Vers 14) had gedicteerd, knoopt hij, hier ten minste enigermate, met de Kolossensen wie hij van persoon onbekend was (Hoofdstuk 2:1) een persoonlijke betrekking aan, doordat hij verklaart hier nog eigenhandig zijn groet te willen bijvoegen. Voordat hij de aangekondigde groet met de woorden "de genade zij met u" werkelijk laat volgen, laat hij nog voorafgaan de aanmaning "gedenkt mijn banden", aan de gemeente zelf overlatend te bepalen wat hij daarmee heeft gezegd. Zeker moet de vermaning een aandrang voor hen bevatten, om aan het Evangelie trouw te blijven, in welks dienst hij de banden draagt. Daartoe leidt de omstandigheid, dat de grondtekst het "mijn" om de nadruk vooraan geplaatst is. De gemeente kan ook door die vermaning zich gedrongen voelen om de gevangen apostel van de heidenen in haar gebeden te gedenken. Daarop worden zij opmerkzaam gemaakt, als zij in de brief van Laodicea de woorden lezen (Filemon 1:22): - "ik hoop, dat ik door uw gebeden jullie geschonken zal worden". Aan de Kolossensen geschreven van Rome en gezonden door Tychicus en Onesimus (vgl. bij Hoofdstuk 4:7).
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE KOLOSSENSEN
In de eerste plaats moeten wij, zoals wij bij Efeze 1:1 v. hebben beloofd, de overeenstemmende plaatsen uit de brief aan de Efeziërs en die uit de brief aan de Kolossensen aanwijzen. Om ze beter te kunnen vergelijken willen wij de tekst van beiden naast elkaar plaatsen.
EFEZE - KOLOSSENSEN
Efeze 1:7 Waarin wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden naar de rijkdom van zijn genade. Colossenzen 1:14 Waarin wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden.
Efeze 1:15 Daarom, dat ik ook, gehoord hebbende het geloof in de Heere Jezus, dat onder u is en de liefde tot al de heiligen. Colossenzen 1:4 Zo wij van uw geloof in Jezus Christus gehoord hebben en van de liefde, die u heeft tot al de heiligen.
Efeze 4:16 Waaruit het gehele lichaam, bekwaam samengevoegd zijnde, door alle voegselen van de toebrenging, naar de werking van een ieder deel in zijn maat, de groei van het lichaam bekomt, tot zijn eigen opbouwing in de liefde. Colossenzen 2:19 En het Hoofd niet behoudende, waaruit het gehele lichaam door tezamenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opgroeit met goddelijke groei.
Efeze 4:31 Alle bitterheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd met alle boosheid. Colossenzen 3:8 Maar leg nu ook dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuilspreken uit uw mond.
Efeze 4:32 Maar wees jegens elkaar goedertieren, barmhartig, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus jullie vergeven heeft. Colossenzen 3:13 Elkaar verdragend en de een de andere vergevend, als iemand tegen iemand enige klacht heeft, zoals als Christus u vergeven heeft, doe ook u zo.
Efeze 5:3 Maar hoererij en alle onreinigheid of gierigheid laat ook onder u niet genoemd worden zoals het de heiligen betaamt; Colossenzen 3:5 Dood dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid en de gierigheid, die is afgodendienst.
Efeze 5:4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap of gekkernij, die niet betamen, maar veel meer dankzegging. Efeze 5:5 Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het koninkrijk van Christus en van God. Efeze 5:6 Dat u niemand verleidt met ijdele woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Colossenzen 3:6 Om welke de toorn van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid.
Efeze 5:15 Zie dan, hoe u voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. Efeziers 5:16 de tijd uitkopende, omdat de dagen boos zijn. Colossenzen 4:5 Wandel met wijsheid bij hen, die buiten zijn, de bekwame tijd uitkopend. Efeze 5:19 Spreukenkend onder elkaar met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heer in uw hart. Colossenzen 3:16 Het woord van Christus woont rijk in u in alle wijsheid; leer en vermaan elkaar met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart.
Efeze 5:20 Dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader in de naam van onze Heere Jezus Christus. Colossenzen 3:17 En al wat u doet met woorden of met werken, doet het alles in de naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.
Efeze 5:22 U vrouwen! Wees aan uw eigen mannen onderdanig, zoals aan de Heere. Colossenzen 3:18 U vrouwen! Wees uw eigen mannen onderdanig, zoals het betaamt in de Heere.
Efeze 5:25 U mannen! Heb uw eigen vrouwen lief, zoals ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar gegeven heeft. Colossenzen 3:19 U mannen! Heb uw vrouwen lief en wordt niet verbitterd tegen haar.
Efeze 6:1 U kinderen! Wees uw ouders gehoorzaam in de Heere; want dat is goed. Colossenzen 3:20 U kinderen! Wees uw ouders gehoorzaam in alles; want dat is de Heere welbehaaglijk.
Efeze 6:4 En u vaders! Verwek uw kinderen niet tot toorn, maar voed hen op in de lering en vermaning van de Heere. Colossenzen 3:21 U vaders! Terg uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
Efeze 6:5 U dienstknechten! Wees gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vrezen en beven, in eenvoudigheid van uw hart, zoals aan Christus. Colossenzen 3:22 U dienstknechten! Wees in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van het hart: God vrezend. Efeze 6:6 Niet naar ogendienst als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende de wil van God van harte.
Colossenzen 3:23 En al wat u doet, doe dat van harte als de Heere en niet de mensen. Efeze 6:7 Dienende met goedwilligheid de Heere en niet de mensen.
Colossenzen 3:24 Wetend, dat u van de Heere zult ontvangen de vergelding van de erfenis, want u dient de Heere Christus. Efeze 6:8 Wetende, dat zo wat goed een ieder gedaan zal hebben, hij dat van de Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije. Colossenzen 3:25 Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon.
Efeze 6:9 En u, heren! Doe hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging, als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemel is en geen aanneming van de persoon bij Hem is. Colossenzen 4:1 U heren! Doe uw dienstknechten recht en gelijk, wetend dat ook u een Heere heeft in de hemelen.
Efeze 6:18 Met alle bidding en smeking biddend te allen tijd in de geest en daartoe wakend met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen. Colossenzen 4:2 Houd sterk aan in het gebed en waak daarin met dankzegging.
Colossenzen 4:3 Biddend meteen ook voor ons, dat God voor ons de deur van het woord opent, om te spreken de verborgenheid van Christus, waarvoor ik ook gebonden hen. Efeze 6:19 En voor mij, opdat mij het woord gegeven wordt in de openbaring van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken.
Efeze 6:20 Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik daarin vrijmoedig moge spreken, zoals mij betaamt te spreken. Colossenzen 4:4 Opdat ik die moge openbaren, zoals ik moet spreken.
Efeze 6:21 En opdat u mag weten hetgeen mij aangaat en wat ik doe, dat alles zal u Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere, bekend maken. Colossenzen 4:7 Al mijn zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mede-dienstknecht in de Heere.
Colossenzen 4:8 Die ik met hetzelfde doel tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken weet en uw harten vertroost. Efeze 6:22 Die ik met datzelfde doel tot u gezonden heb, opdat u onze zaken zou weten en hij uw harten zou vertroosten. Colossenzen 4:9 Met Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, die uit de uwe is; zij zullen u alles bekend maken wat hier is.
Wij hebben hier alleen die plaatsen naast elkaar gevoegd, waarin de overeenkomst het duidelijkst zichtbaar is. Er zijn bovendien ook andere, waarin de ene brief met de andere, hetzij in gedachten of ook in enkele woorden, zoveel overeenkomst heeft, dat men dadelijk de indruk verkrijgt, dat beide brieven tot een tijd behoorden, waarin de apostel met zijn beschouwingen, verwachtingen en wensen zich in een bepaalde gedachtekring bewoog. Hieruit vloeide vanzelf voort dat hij de gedachten, in de eerste brief geuit, de wendingen en uitdrukkingen, die nog in zijn ziel waren, op vrije manier en naar behoefte gebruikte in de anderen brief, die niet lang daarna is geschreven. Bij al die overeenkomst vinden wij aan de andere kant ook weer een groot verschil, dat zelfs in de bijna gelijkluidende plaatsen in zoverre op de voorgrond treedt, dat gelijke uitdrukkingen in geheel anderen zin, of ten minste in ander verband, dat overeenkomende zinnen in een werkelijk andere samenhang en met andere bedoeling voorkomen. Dit is alleen dan te verklaren, als wij aannemen, dat beide brieven met uno actu, als in één adem zijn geschreven, maar dat ondanks het gelijktijdige van de vervaardiging in het algemeen toch tussen het schrijven van de ene en van de andere brief een bepaalde tijdruimte verlopen is, waarbinnen de schrijver zich hoe langer hoe meer bewust werd van de hele volheid en de rijke uitgestrektheid van zijn gedachten hoe meer hij op de duur die overdacht. Zoals het woord, boven onze brief als motto geplaatst, reeds te kennen gegeven heeft, is er in de brief aan de Efeziërs meer een universalisme, in die aan de Kolossensen een monisme op te merken. Het is hier niet zozeer de oorsprong en de heerlijkheid van de kerk, als wel van Christus zelf wat hier wordt uiteengezet. Daarom treedt ook in de inleiding en in het eerste deel van elk de verwantschap van de beide brieven meer op de achtergrond. Des te beslister komt die daarentegen voor de dag in beider tweede deel en vervolgens ook in het slot. Wij hebben het niet kunnen aannemen dat de brief aan de Laodicensen, in Hoofdstuk 4:16 genoemd en die de Kolossensen eveneens moesten lezen, de brief aan de Efeziërs zou zijn, hoewel de opvatting, die ook wij delen over het karakter van de laatste brief als een rondgaand schrijven aan de zeven Klein-Aziatische gemeenten van de Openbaring an Johannes, dat ten slotte tot Laodicea kwam, ons zou kunnen bewegen die mening te delen. Daarentegen houden wij het voor alleszins waarschijnlijk dat de apostel aan Tychicus, die hij oorspronkelijk gezegd had, de brief aan de Efeziërs in de eerste plaats geadresseerd, onder de gemeenten rondom Efeze (Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardes en Filadelfi a) te laten circuleren, als Epafras tot hen kwam en hem zijn bezorgdheid voor de door hem gestichte gemeenten (Kolosse, Laodicea en Hiërapolis) bekend maakte, bij toezending van de brief van de Kolossensen een nadere aanwijzing gaf om de circulatie ook tot die gemeenten uit te breiden, waarom hij ook aan de Kolossensen vaak zich korter heeft uitgedrukt en veel daarin voorbijgaat, alsof de schrijver op andere uiteenzettingen rekende, die hun nog zouden toekomen. Opmerkelijk is het, dat in Hoofdstuk 4:15-17 de gemeente te Hiërapolis volstrekt niet wordt genoemd. Waarschijnlijk stond deze nog kleine gemeente met die te Laodicea in zo nauw verband, dat zij in haar naam enigermate ook besloten was en geen bijzondere vermelding nodig had, waarom zij ook in Hoofdstuk 2:1 alleen op indirecte manier wordt aangeroerd. Later komt ook Kolosse voor als met Laodicea tot één gemeente samengesmolten. Zo'n verhouding kan ten minste voor Openbaring :11 worden aangenomen, terwijl Kolosse, oorspronkelijk als geboorteplaats van Epafras op de voorgrond staande, na diens heengaan aan de gemeente van Laodicea, die door Filemon en Nymfas werd vertegenwoordigd, de voorrang moest afstaan, zoals ook de plaats zelf toen bij Laodicea aanmerkelijk op de achtergrond stond.