Colossenzen 4:2-4
Indien dit moet beschouwd worden als behorende bij het vorige vers, dan valt hier op te merken, dat het een deel der verplichting van de meesters tegenover hun dienstknechten is, met hen te bidden, dagelijks met hen te bidden, aan te houden in het gebed. Zij moeten niet alleen rechtvaardig en vriendelijk jegens hen zijn, maar ook Christelijk en godsdienstig met hen handelen, bezorgd zijn voor het welzijn hunner zielen zowel als hunner lichamen. Een deel van uw roeping en binnen het bereik van uw macht is het, belang te stellen in Gods zegeningen over hen, evengoed als in het nut dat gij van hen trekt. En het is ons aller plicht: sterk aan te houden in het gebed. Neemt uw geregelde tijden van gebed, zonder door iets anders daarvan afgeleid te worden, houdt uw harten dicht bij dezen plicht, zonder verslapping of dodigheid, en wel tot het einde. Waakt in hetzelve. De Christenen moeten alle gelegenheden tot gebed aangrijpen, en de beste tijden er voor kiezen, die het minste gevaar lopen van door andere dingen gestoord te worden, en hun ziel gereed en in de rechte stemming voor dezen plicht houden. Met dankzegging, met plechtige erkenning van de ontvangen weldaden. Dankzegging moet deel uitmaken van elk gebed. Biddende ook meteen voor ons, vers 8. De mensen moeten in het bijzonder voor de dienaren bidden, en hen altijd voor den troon der genade op het hart dragen. Hij zegt als `t ware: Vergeet ons nooit als gij voor uzelf bidt, Efeziërs 6:10, 1 Thessalonicenzen 5:25, Hebreeën 13:18. Dat God ons de deur des woords opene. Dat Hij mij gelegenheid geve om het Evangelie te verkondigen (zoals hij 1 Corinthiërs 16:9 zegt: Want mij is een grote en krachtige deur geopend). Of: dat Hij mij bekwaamheid en moed geve en vervulle met vrijmoedigheid en getrouwheid (zoals Efeze 6:19): Opdat mij het woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken. Of hij bedoelt de prediking des Evangelies in de heidenwereld, welke hij noemt de verborgenheid van eeuwen, Colossenzen 1:26, en de verborgenheid van Christus, Efeze 3:4. Daarvoor was hij nu in banden. Hij was een gevangene te Rome door den heftigen tegenstand van de kwaadaardige Joden. Hij wenste dat zij voor hem zouden bidden, opdat hij niet ontmoedigd mocht worden in zijn werk, of daarvan afgekeerd door zijn lijden.
Opdat ik dezelve moge openbaren gelijk ik moet spreken, vers 4. Dat ik deze verborgenheid moge bekendmaken aan hen, die haar nog niet gehoord hebben en haar duidelijk voor hen maken zoals ik behoor te doen. Hij had hun in bijzonderheden meegedeeld wat hij voor hen bad. Thans vraagt hij bepaaldelijk wat hij begeert, dat zij voor hem bidden zullen. Paulus kon zo goed spreken als ieder ander, maar toch verzocht hij hun voorbede, opdat hem mocht gegeven worden te spreken. De beste en uitnemendste Christenen hebben behoefte aan de gebeden der mindere Christenen en zijn er niet boven verheven daar om te vragen. De beste sprekers behoeven gebed, dat God het woord hen geven moge, opdat zij spreken mogen gelijk het behoort.