Colossenzen 3:12-17
De apostel gaat voort met vermanen tot liefde en medelijden: Doet aan de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, vers 12. Wij moeten niet alleen gramschap en toornigheid afleggen, vers 8, maar wij moeten medelijden en vriendelijkheid aandoen, niet alleen het kwade laten, maar ook leren het goede doen, niet alleen anderen geen leed berokkenen, maar allen zoveel mogelijk weldoen.
I. Het argument, waarmee hij hierop aandringt, is zeer uitlokkend. Doet aan, als uitverkorenen Gods, heilig en beminden. Merk op:
1. Zij, die heilig zijn, zijn uitverkorenen Gods, en zij, die uitverkorenen Gods en heiligen zijn, zijn beminden, beminden van God, en zij behoren het te zijn van alle mensen.
2. Zij, die uitverkorenen Gods, heiligen en beminden zijn, behoren zich in alle dingen als de zodanige te gedragen, en dus niet het in hun heiligheid gestelde vertrouwen of den troost van het bemind-zijn te verliezen. Hun, die voor God heilig zijn, betaamt het jegens de mensen nederig en liefhebbend te zijn. Merk nu op wat wij in het bijzonder moeten aandoen.
A. Medelijden met ellendigen. Innerlijke bewegingen der barmhartigheid, het tederste medelijden. Zij, die aan barmhartigheid zoveel te danken hebben, moeten barmhartig zijn jegens allen, die daaraan behoefte hebben. Weest barmhartig, gelijk uw Vader in de hemelen barmhartig is, Lukas 6:36.
B. Goedertierenheid jegens onze vrienden en hen die ons liefhebben. Een vriendelijk gedrag betaamt Gods uitverkorenen, want het doel van het Evangelie is niet alleen de zielen der mensen te verzachten, maar ook de vriendschap tussen de mensen zowel als de verzoening met God te herstellen.
C. Ootmoedigheid, in onderwerping aan hen, die boven ons zijn, en gemeenzaamheid met lager- geplaatsten. Er moet niet alleen een ootmoedige geest, maar ook een ootmoedig gedrag zijn. Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, Mattheus 11:29.
D. Zachtmoedigheid, jegens hen die ons getergd hebben of in enig opzicht onrechtvaardig jegens ons zijn. Wij moeten, wanneer wij verontwaardigd zijn of ons verwaarloosd achten, niet daardoor ons laten meeslepen, maar voorzichtig onzen toorn breidelen en dien van anderen verdragen.
E. Lankmoedigheid, jegens hen die voortgaan ons te tergen. De liefde verdraagt alle dingen en is lankmoedig. Velen kunnen een korte terging goed doorstaan, die het met moeite dragen wanneer het langer aanhoudt. Maar wij moeten geduldig dragen zowel de onrechtvaardigheden der mensen als de kastijdingen der Voorzienigheid. God is lankmoedig over ons, terwijl wij Hem gedurig tot toorn verwekken, dus moeten wij lankmoedig zijn jegens anderen.
F. Wederkerige verdraagzaamheid, met het oog op de gebreken en tekortkomingen, waaraan wij allen schuldig staan: Verdragende elkaar. Ieder onzer heeft iets, waar anderen geduld mee moeten hebben, en dit is een goede reden, waarom wij in anderen verdragen moeten hetgeen ons onaangenaam is. Wij hebben behoefte aan dezelfde welwillendheid van anderen, die wij gehouden zijn hun te betonen.
G. Bereidheid om ondergaan onrecht te vergeven. Vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft. Terwijl wij in deze wereld zijn, waar zoveel bederf is in onze harten, zoveel aanleiding tot verschil en twist, waar strijd zo dikwijls voorkomt, zelfs onder Gods uitverkorenen, die heiligen en beminden zijn, zodat er zelfs tussen Paulus en Barnabas een verbittering ontstond, waardoor zij van elkaar gescheiden werden, Handelingen 15:39, daar is het onze plicht elkaar vergeving te schenken, niet enigen wrok over te houden, maar de belediging voorbij te gaan. En de reden daarvoor is: gelijkerwijs Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo. De overweging dat Christus ons zo vele beledigingen vergeven heeft, is een goede reden voor ons om anderen te vergeven. Het is een bewijs van de goddelijkheid van Christus, dat Hij de macht heeft op aarde de zonden te vergeven, en het is een deel van Zijn voorbeeld, dat wij volgen moeten, willen wij zelf vergeving erlangen.
Vergeef ons onze misdaden gelijk ook wij vergeven dien, die tegen ons overtreden hebben, Mattheus 6:12.
II. Naar aanleiding van dit alles worden wij tot verschillende dingen vermaand:
1. Tot het aandoen van de liefde: Boven dit alles, epi paasi de toetois, over dit alles heen, vers 14. Laat de liefde uw bovenkleding zijn: de livrei, het teken van uw waardigheid en onderscheiding. Of: Laat dit het voornaamste zijn, als de samenvatting van de gehele tweede tafel der wet. Voeg bij uw geloof deugd.... en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen, 2 Petrus 1:5-7. Hij legt het geloof ten grondslag en de liefde tot hoeksteen. Welke is de band der volmaaktheid, het middelpunt en het cement van alle samenleving. De Christelijke eenheid bestaat uit eensgezindheid en wederzijdse liefde.
2. Om ons te onderwerpen aan de regering van den vrede Gods. En de vrede Gods heerse in uwe harten, vers 15, dat is, dat God met u op voet van vrede is en het vertroostend gevoel van Zijn vrede en gunst, of een neiging tot vrede onder elkaar, een vredelievende geest, die vrede houdt en vrede maakt. Dat wordt genoemd de vrede Gods, omdat Hij hem werkt in al de zijnen. Het koninkrijk Gods is gerechtigheid en vrede, Romeinen 14:17. Laat dien vrede uw harten beheersen, besturen, er over gebieden, als scheidsrechter alle verschillen tussen u beslissen. Tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam. Wij zijn geroepen tot dezen vrede, met God als ons voorrecht en met elkaar als onzen plicht. In een lichaam verenigd zijnde, worden wij geroepen tot vrede onder elkaar, gelijk de leden van ons natuurlijk lichaam, want wij zijn het lichaam van Christus en leden in het bijzonder, 1 Corinthiërs 12:27. Om deze vredelievende gezindheid te bewaren, moeten wij dankbaar zijn. Het werk der dankzegging aan God is zulk een zoet en aangenaam werk, dat het ons zacht en aangenaam voor de mensen maakt. In plaats van elkaar te benijden ter oorzake van enige bijzondere gunst of uitnemendheid, moeten wij dankbaar zijn voor Zijne barmhartigheden, die ons allen gemeen zijn.
3. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, vers 10. Het Evangelie is het woord van Christus, dat tot ons gekomen is, maar dat is niet genoeg: het moet in ons wonen, of huishouden, enoikeito, niet als een dienstbare in een gezin, onder bestuur van anderen, maar als een meester, die het recht heeft allen in huis te regeren. Wij moeten onze voorschriften en bevelen van dat woord ontvangen, evenals ons aandeel aan voeding en kracht, genade en vertroosting, alles op zijn tijd, als van den heer des huizes. Het moet in ons wonen, dat is: altijd voorhanden zijn, bij alle gelegenheden, om den rechten invloed op ons uit te oefenen. Wij moeten er mee gemeenzaam zijn en het door en door kennen. Het moet rijkelijk in ons wonen, niet alleen in onze harten zijn, maar er een goed tehuis hebben. Velen hebben het woord van Christus in hun harten wonende, maar het vindt er slechts een armoedig tehuis en het heeft geen machtigen invloed op hen. De ziel gaat het voorspoedig wanneer het woord Gods rijkelijk in haar woont, wanneer zij er overvloed van heeft en vol is van de Schrift en van de genade van Christus. En dat in alle wijsheid. De dienst van de wijsheid is, hetgeen wij kennen toe te passen op ons zelven. Het woord van Christus moet in ons wonen, niet om er allerlei bespiegelingen over te houden en om ons geleerden te maken, maar in alle wijsheid, om ons goede Christenen te maken en ons instaat te stellen in alle opzichten ons te gedragen als kinderen der Wijsheid.
4. Elkaar leren en vermanen. Dat kan zeer veel bijdragen tot ons toenemen in de genade, want wij wekken ons zelven op door anderen te verlevendigen, en vermeerderen onze kennis door haar aan anderen tot hun stichting mede te delen. Wij moeten elkaar vermanen met psalmen en geestelijke liederen. Psalmen zingen is een van de voorschriften des Evangelies, psalmois kai humnois kai ooidais, de psalmen David's en andere geestelijke liederen en lofzangen, aan de Schrift ontleend, en voor bijzondere omstandigheden geschikt, -in plaats van de vuile en laffe liederen uit hun heidensen toestand. Godsdienstige dichtkunst wordt door deze uitdrukkingen aangewakkerd, zij is zeer nuttig tot stichting. Maar ons psalmen-zingen is niet schoon tenzij wij zingen met aangenaamheid in onze harten, tenzij wij bezield zijn door hetgeen wij zingen en met ware toewijding en liefde er mede instemmen. Het zingen van psalmen is een middel van lering zowel als van dankzegging, en wij moeten niet alleen ons zelven opwekken en aanmoedigen, maar ook elkaar leren en vermanen, wederkerig onze vurigheid van geest tonen en raad geven.
5. Alles moet gedaan worden in den naam van Christus, vers 17. En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam van den Heere Jezus, overeenkomstig Zijn bevel en op Zijn gezag, door kracht van Hem verkregen, met een oog op Zijne heerlijkheid, en steunende op Zijne verdiensten voor de aanneming van hetgeen goed is en de vergeving van hetgeen verkeerd is. Dankende God en den Vader door Hem.
A. Wij moeten voor alles dankzeggen, wat wij ook doen, wij moeten steeds danken, Efeze 5:20. Dankt God in alle dingen.
B. De Heere Jezus moet de Middelaar zijn voor onze dankzeggingen zowel als voor onze gebeden. Wij danken den God en Vader in den naam van den Heere Jezus Christus, Efeze 5:20. Hun, die alles doen in den naam van den Heere Jezus Christus, zal nooit reden ontbreken om God den Vader te danken.