4. Opdat ik die moge openbaren, zoals ik volgens mijn apostolische roeping moet spreken (
Efeze 6:18-
20), namelijk vrijmoedig en zonder iets achter te houden.
De Christen moet niet alleen bij zichzelf werkzaam zijn tot bevordering van het rijk van God, maar hij moet zijn oog ook vestigen op de wereld, zoals die uitwendig als de menigte van de ongelovigen wordt gezien. Hij moet werkzaam zijn, dat deze door uitbreiding van het Evangelie steeds meer wordt veranderd tot een rijk van God. Zo verbindt zich aan de vorige vermaning tot waakzaamheid en gebed met dankzegging die, die hier volgt, waardoor Paulus de Kolossensen oproept om voor hem te bidden, opdat hij de verborgenheid van God zo openbaart, als hij moest.
Hij vraagt om de voorbede niet, zoals velen menen, opdat hij van zijn banden mocht worden bevrijd, maar dat hem in de gevangenis de vreugde mocht worden geschonken, het Evangelie te verkondigen.
De manier, waarop hij de boodschap van de zaligheid moest verkondigen, was vooral die, dat hij die als apostel van de heidenen verkondigde; had hij nu door de gevangenschap, waarin hij zich op aanklacht van zijn volk bevond, zich ook hierin op het dwaalspoor laten brengen, dan had hij gehandeld tegen het doel, waartoe ook deze hem moest dienen en dat hij ook als gevangene moest vervullen.
De apostel verlangde van de Kolossensen, dat zij ook voor hem zouden bidden. Hij achtte het niet beneden zich om dit van hen te vragen. Hij voelde behoefte aan hun voorbede en stelde er prijs op. En wat wenste hij, dat zij voor hem bidden zouden? Om verlossing van zijn banden? Om opening van de deur van zijn kerkers? Ja, ook dit verlangde hij, dat zij van God voor hem begeren zouden; want ofschoon hij zich verblijdde over zijn lijden voor hen, zo voelde hij echter het smartelijke van zijn boeien en wenste ervan ontslagen te worden. Maar dit was het niet zozeer, dat zij voor hem vragen moesten. Nee, hij wenste, dat zij voor hem baden, dat God hem de deur van het Woord opende, opdat hij de verborgenheid van Christus mocht spreken en haar aan de wereld openbaren, zoals het betaamde. Wat een edel bestaan! Wij zien er uit, wat hem het zwaarst op het harte woog, wat hij boven alles begeerde, waarin hij het liefst bezig was, wat een ijverig en getrouw dienstknecht hij was van Jezus Christus.