2. a) Houd sterk aan in het gebed (
Romeinen 12:12) en waak daarin tegen alle gevaren, die uw Christelijke staat bedreigen (
Mattheus 26:41.
1 Thessalonicenzen 5:6 en doe uw gebed altijd, zoals het goed is (
Psalm 50:23), met dankzegging voor alle reeds van God ontvangen weldaden (
Hoofdstuk 1:12 v. ; 2:7; 3:17
1 Thessalonicenzen 5:17v.
a) Lukas 18:1
Bij de vermaning "houd sterk aan in het gebed en waak daarin" heeft de apostel, zoals duidelijk blijkt, de wereld voor ogen, die de Christen uit- en inwendig verzoekt. Haar verzoekende macht nu moeten de Kolossensen door waken en bidden overwinnen. Dit waken en bidden moet echter altijd met daden verbonden zijn, want bij zijn toerustingen tegen de aanvechtingen van de wereld heeft een Christen altijd zowel daarvoor te danken, dat God hem tot hiertoe heeft bewaard, als ook daarvoor, dat hem in Christus de volkomen overwinning verzekerd is.
Ik ken een heilig man, die voordat hij een woord van het gebed sprak gewoon was te zeggen: "Ik dank U voor al uw weldaden die U van de eerste dag af tot nu toe mij, onwaardige, heeft bewezen, voor alle die ik weet en niet weet, voor de openbare en de verborgene, voor die door daden en die door het woord, voor alle, die ik tegen mijn wil heb ontvangen, voor alle, die ik onwaardige heb ondervonden; voor droefheid en troost, voor de straffen van de hel, die U mij toonde, en voor het koninkrijk van de hemelen, waarin U mij opnam.
Het is belangrijk om na te gaan, hoe menige plaats in de Heilige Schrift aan het onderwerp van het gebed is gewijd, zowel door duidelijke voorbeelden als door krachtige bevelen en duidelijke beloften. Wij slaan de bijbel op en dadelijk lezen wij: Toen begon men de naam des Heren aan te roepen en op het punt het boek te sluiten, daar treft het "Amen" op een ernstige smeking ons oor. Smeekgebeden zijn in de bijbel menigvuldig. Hier vinden wij een worstelende Jakob, ginds een Daniël, die op drie tijden daags biddend neerknielt en een David, die met zijn hele hart zijn God aanroept. Wij ontmoeten Elias op de berg, en Paulus en Silas in de gevangenis biddend. Wij hebben een menigte bevelen en duizenden beloften. Wat leert ons dit anders dan het heilig gewicht en de noodzakelijkheid van het gebed? Wij kunnen zeker zijn, dat hetgeen God in Zijn Woord zo voorop heeft gesteld, Hij ook wil dat wij dit tot een hoofdzaak van onze levens zullen maken. Heeft Hij ons veel over het gebed gezegd, het is omdat Hij weet dat wij daaraan zozeer behoefte hebben. Onze behoeften zijn zo vele en zo groot, dat wij niet moeten ophouden te bidden, totdat wij in de hemel zijn gekomen. Heeft u niets nodig? Dan vrees ik, kent u uw armoede niet. Heeft u geen genade van God te vragen? O, dan moge de Heer in Zijn liefde u aan uw ellende ontdekken! Een ziel zonder gebed is een ziel zonder Christus. Het gebed is het stamelen van het gelovig kind, de vreugdekreet van de strijdende gelovige, de rust van de stervende Heilige, die in Jezus ontslaapt. Het gebed is de ademhaling, het wachtwoord, de troost, de sterkte, de eer van een Christen. Bent u een kind van God, dan zult u uw Vaders aangezicht zoeken en in uw Vaders liefde leven. Smeek Hem, dat Hij u heilig, nederig, ijverig en geduldig maakt, dat u in inniger gemeenschap met Christus mag leven en Hij u vaak doet ingaan in het feesthuis van zijn liefde; bid uw God om u tot een voorbeeld en zegen voor anderen te maken en dat Hij u meer doet leven tot eer van Zijn heilige naam. Dat onze zinspreuk zij: Houd sterk aan in het gebed. 3. Als u voor alle heiligen bidt, zoals ik dat van uw liefde tot hen (Hoofdstuk 1:4) mag verwachten, weest dan biddend meteen ook voor ons, voor mij en de broeder Timotheüs (Hoofdstuk 1:1, 3 Filippenzen 1:19), dat God ons de deur van het woord, daar waar die nog gesloten is (Filippenzen 4:22) opent, a) om te spreken de verborgenheid van Christus (1 Corinthiërs 16:9. 2 Corinthiërs 2:12. 2 Thessalonicenzen 3:1 v. Efeze 3:4 Galaten 2:2), om welke verborgenheid (Hoofdstuk 1:24 v.) ik ook, in het bijzonder wat mij Paulus aangaat, gebonden ben, zonder dat daarom mijn banden mij een verhindering in die verkondiging zouden zijn (2 Timotheus 2:9).
a) Efeze 6:19. 2 Thessalonicenzen 3:1