Colossenzen 3:18-25
De apostel besluit dit hoofdstuk met vermaningen tot wederzijdse verplichtingen, evenals den brief aan de Efeziërs. De brieven, die het meest vervuld zijn met tentoonspreiding van de heerlijkheid der goddelijke genade en verheerlijking van den Heere Jezus, zijn het uitvoerigst in aanwakkering tot de deugden der wederzijdse betrekkingen. De voorrechten en de verplichtingen van den godsdienst des Evangelies mogen nooit van elkaar gescheiden worden.
I. Hij begint met de plichten van vrouwen en echtgenoten, vers 18. Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere. Onderdanigheid is de plicht der gehuwde vrouwen, hapotassesthe. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt, waarmee in Romeinen 13:1 onze plicht jegens de overheid aangeduid wordt: Alle ziel zij de macht over haar gesteld, onderworpen, en dat wordt betoond door onderdanigheid en eerbied, Efeze 5:24, 33. De reden daarvoor is: Adam is eerst gemaakt, daarna Eva, en Adam was niet verleid, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest, 1 Corinthiërs 11:3, 8, 9. Het is overeenkomstig de orde der natuur en den aard der dingen, zowel als de beschikking en den wil van God. Maar het is onderdanigheid niet aan een ruwen meester of een grilligen dwingeland, die zijn wil doordrijft en geen perken kent, maar aan een echtgenoot, aan haar eigen echtgenoot, die met haar in de innigste betrekking staat, en wie zijn plichten ook strikte naleving opleggen.
Gelijk het betaamt in den Heere. Het is in overeenstemming met de betrekking, èn het is de plicht waartoe zij geroepen is, èn een bewijs van haar gehoorzaamheid aan de instellingen van Christus. Maar aan de andere zijde: Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar, vers 19. Zij moeten hun vrouwen liefhebben met tedere en getrouwe toegenegenheid, zoals Christus de gemeente heeft liefgehad, en als hun eigen lichamen, ja als zich zelven, Efeze 5:25, 28, 33, met de liefde verschuldigd aan de naaste betrekking en de grootste zegen des levens. En zij mogen tegen haar niet verbitterd worden, haar niet onvriendelijk behandelen met harde taal of strenge bejegening, maar vriendelijk en voorkomend voor haar zijn in alle dingen, want de vrouw is gemaakt om den man, nochtans is de man niet zonder de vrouw, en de man is door de vrouw, 1 Corinthiërs 11:9, 11, 12.
II. De plichten van kinderen en ouders. Gij kinderen, zijt uwen ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehaaglijk, vers 20. Zij moeten gewillig zijn om al hun rechtmatige bevelen te volbrengen, en zich steeds ter hunner beschikking stellen, want hun ouders hebben een natuurlijk recht op hen en zijn beter instaat hen te regeren dan zij zelven. De apostel, Efeze 6:2, verlangt dan ze hun ouders zowel eren als gehoorzamen zullen, zij moeten hen achten en eervol over hen denken, want de gehoorzaamheid hunner handelingen moet wortelen in de eerbiediging hunner zielen. Want dit is den Heere welbehaaglijk, Hem aangenaam, ook is het het eerste gebod met ene belofte, Efeze 6:2, met een uitdrukkelijke belofte: Opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde. Gehoorzame kinderen hebben meer dan anderen kans op voorspoed in de wereld en een lang leven. En de ouders moeten teder zijn, gelijk de kinderen gehoorzaam. Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden, vers 21. Oefent uw gezag over hen niet uit met ruwheid en gestrengheid, maar met vriendelijkheid en zachtheid, opdat gij hun hartstochten niet prikkelt en hen ontmoedigt in hun plicht, of door de teugels te strak te houden hen eindelijk des te onstuimiger doet losspringen. Het slechte gedrag en voorbeeld van onvoorzichtige ouders zijn dikwijls een grote hindernis voor de kinderen en een struikelblok op hun weg, Efeze 6:4. Door de tederheid der ouders, gepaard aan het plichtbesef der kinderen, voorziet God in den gewonen weg Zijne gemeente van een zaad, dat Hem dient van geslacht tot geslacht.
III. Dienstbaren en heren. Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heren naar het vlees, vers 22. Dienstknechten moeten de plichten vervullen van de betrekking waarin zij staan, en aan de bevelen hunner meesters gehoorzamen in alles, wat bestaanbaar is met hun plicht jegens God, hun Meester in den hemel. Niet met ogendiensten als mensenbehagers, niet alleen wanneer het oog huns meesters op hen gevestigd is, maar ook wanneer zij buiten zijn gezicht zijn. Zij moeten beide eerlijk en vlijtig zijn. Maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God, zonder zelfzuchtige bedoelingen, of veinzerij of bedrog, maar als mensen die God vrezen. De vreze Gods, het hart regerende, zal de mensen in elke betrekking goed maken. Dienstknechten, die God vrezen, zullen eerlijk en vlijtig zijn ook buiten het oog hunner meesters, omdat zij weten dat God hen ziet. Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, Genesis 20:10. Maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil, Nehemia 5:15. En alles wat gij doet, doet dat van harte, vers 23, met ijver en niet lui en slof, of: doet dat gewillig en niet ontevreden omdat God u in die betrekking geplaatst heeft. Als den Heere en niet den mensen. Het werk van den dienstknecht wordt er door geheiligd als het voor den Heere verricht wordt, met het oog op Zijne verheerlijking en in gehoorzaamheid aan Zijn bevel, en niet alleen voor de mensen en alleen om hunnentwil. Wij vervullen in werkelijkheid onzen plicht jegens God zo wij getrouw zijn in onze plichten jegens de mensen. En ter aanmoediging van de dienstknechten, mogen zij weten dat een getrouwe dienstknecht niet verder van den hemel is omdat hij dienstbaar is.
Wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis, want gij dient den Heere Christus, vers 24. Door uw meesters te dienen overeenkomstig het bevel van Christus, dient gij Christus, en Hij zal u belonen, gij zult ten laatste een heerlijke beloning ontvangen. Ofschoon gij nu dienstknechten zijt, verkrijgt gij eenmaal de erfenis van zonen.
Maar, aan de andere zijde: die onrecht doet zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft, vers 25. Er is een rechtvaardig God, die dienstknechten, welke hun heren onrecht doen, dat zal toerekenen, ofschoon zij het voor hunner meesters ogen weten te verbergen. En Hij zal even zeker de onrechtvaardigen straffen als de getrouwen belonen, zowel meesters als dienstknechten. Er is geen aanneming des persoons. De rechtvaardige Rechter der aarde zal onpartijdig zijn en met gelijke hand meesters en dienstknechten behandelen, en geen acht slaan op `s mensen uitwendigen toestand des levens. Allen zullen voor Zijn rechterstoel gelijk staan. Waarschijnlijk heeft de apostel in al deze gevallen van verschillende verplichtingen bepaald het oog op het geval in 1 Corinthiërs 7 behandeld, en wel op betrekkingen tussen mensen van verschillenden godsdienst, bijvoorbeeld een Christen en een heiden, een Joodse bekeerde en een onbesneden heiden, waar reden zou bestaan voor twijfel of men gehouden was tot het vervullen van alle plichten jegens dezulken. En indien het van kracht blijft in zulke gevallen, des te meer heeft het betekenis voor Christenen onderling, die beiden van dezelfde belijdenis zijn. Hoe gelukkig zou het Evangelie de wereld maken, indien het overal den boventoon had, en hoe krachtigen invloed zou het oefenen op alle dingen en op elke levenstoestand.