9. Die zegt (vgl. v. 4), dat hij in het licht is (
Hoofdstuk 1:6) en evenwel zijn broeder, zijn medebroeder haat (
Hoofdstuk 5:1.
2 Petrus 1:7 Galaten 6:10), die is, al noemde hij zich ook reeds sinds lange tijd een Christen, in de duisternis tot nog toe en heeft geen recht wat ik aan het einde van het vorige vers zei ook op zich toe te passen (
Hoofdstuk 3:15;
4:20 1Jo 3. 15). Tot hiertoe heeft Johannes het gebod van de broederlijke liefde niet uitdrukkelijk genoemd. Hij kon veronderstellen dat zijn lezers hem zouden verstaan, omdat zij wel wisten, dat in al zijn vermaningen de broederlijke liefde de alfa en de omega was. Veronderstelt hij bij zijn lezers de kennis van zijn Evangelie, dan kon bij in dit opzicht zeker geheel zonder twijfel zijn. Nu substitueert hij echter aan het abstracte begrip van het gebod van God, van welks houden hij in
Vers 3 gezegd heeft, dat dit het zekere kenteken van het ware Christendom was, het meer Concrete van de broederlijke liefde.
Terwijl hij de drie verzen 9-11 geheel op dezelfde wijze inricht als die in Hoofdstuk 1:8-10, eerst een leugenachtig gezegde voorhoudt, vervolgens de waarheid daartegenover plaatst en ten slotte nog eens de tegenstelling op ernstige wijze aantoont, zegt hij het volgende: die zich voor een Christen uitgeeft en toch hem haat, die hij als broeder moest liefhebben, die bewijst daardoor, dat hij tot op het ogenblik, al belijdt hij ook nog zolang het Christendom, er toch nog even ver van verwijderd is, als vóór zijn overgang. De haat, die hem tegenover de broeders bezielt, is een vast teken daarvan, dat hij het goddelijk licht nog niet in zich heeft opgenomen, de duisternis van de wereld, dezelfde geest, die de van God vervreemde wereld bezielt, in hem heersende is. Hij heeft zich slechts schijnbaar, uitwendig, niet inwendig van deze wereld losgemaakt; het licht van Christus is nog niet in hem opgegaan, want dit kan bij zo'n gezindheid niet bestaan.
Johannes kent volstrekt geen halfheid in het zedelijke en dus ook geen wezenlijk onderscheid tussen "niet liefhebben" en "haten", in de bijbelse spreekwijzen gewoon (Mattheus 6:24 Mt Lukas 14:26 Johannes 12:25 Romeinen 9:13). Hier en vooral in Hoofdstuk 3:15 moet men niet slechts aan een gebrek van liefde maar aan iets positiefs, aan een zelfzuchtige kwade gezindheid (vgl. 3 Johannes 1:9) denken.
Evenals licht en duisternis, zo sluiten "de broeders haten" en "de broeders liefhebben" elkaar wederkerig uit. Het zijn twee levensrichtingen, die diametraal tegenover elkaar staan; wat niet behoort tot het gebied van het ene, valt in dat van het andere.
Waar geen liefde is daar is haat; het hart is nooit ledig, maar of met het een of met het andere vervuld.
Juist over de broeder, van wie hier sprake is, is inderdaad onverschilligheid onmogelijk.
De gehele waarheid, diepte en kracht van de Christelijke ethiek rust op het "of-of", dat Johannes zo beslist voorstelt. Aan de ene zijde staat God, aan de andere de wereld, daar is leven, hier dood, daar is liefde, hier haat; een tussenbeiden is er niet. Het leven kan nog slechts in kiem en gebrekkig, de liefde kan nog zwak en gering zijn, maar toch is leven in God en de noodzakelijke beloning daarvan in de liefde werkelijk en wezenlijk aanwezig. Dan is het woord van de Heere van kracht (Lukas 9:50): "die niet tegen Mij is, die is voor Mij". Aan de andere zijde kan het leven naar het vlees, het gehecht zijn aan de wereld en de noodzakelijke openbaring van die zelfzucht door de haat zeer verborgen zijn en van een schone schijn omgeven, maar in de verborgen diepte van de mens, daar, waar de eigenlijke bronnen van zijn zedelijk leven ontspringen, staat niet God, maar de wereld, de mens is nog in de dood en kan daarom ook alleen zichzelf liefhebben, moet dus de broeder haten en hier is van toepassing het woord van de Heere (Lukas 11:24): "die niet voor Mij is, die is tegen Mij. "
Immers belijdenis van Christus te doen, is zich te onderwerpen aan het gebod van de liefde. Dat weet ook de oppervlakkigste belijder. Wie onder u heeft het Evangelie van Christus eenmaal ingezien en weet niet dat liefde Zijn hoogst gebod is? Wie kent, uit al Zijn woorden, niet dat éne woord: Hieraan zullen zij allen bekennen dat u Mijn discipelen bent, als u liefde heeft onder elkaar? Wie weet niet dat een Paulus gezegd heeft: Als ik de liefde niet had, dan was ik niets. Zo dan blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde. Welk belijder van Christus, schoon misschien zelf min of meer in liefde te kort schietende, eist haar nochtans niet in zijn mede-belijders en ziet er niet het kenmerk in van hun Christendom? Is dit niet de erkentenis, dat men het gebod aanneemt, goedkeurt en eert? Is dit niet belijden, dat men zich als Christen geroepen en verplicht acht, het met alle ernst te beleven? Is dit niet aan de wereld, aan de gemeente, aan de Heere het volste recht geven dit te verwachten? Belijdenis van Christus te doen, is zich Christus ten voorbeeld te stellen. Het is tot de wereld te zeggen: Wie u ook volgt, ik volg Christus; tot de Heere: Ik wil Uw navolger zijn. Die zegt dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf zo wandelen zoals Hij gewandeld heeft; en waar men ook onkundig van zijn moge, dat weet men. Welnu, hoe heeft Hij gewandeld? En van welke liefde heeft Hij het voorbeeld gegeven? Immers van de waarachtigste, volkomenste, bestendigste, buitengewoonste. Zo wordt dan ook met recht van Zijn belijder verwacht, dat wat in Zijn enig voorbeeld waarachtig was, ook in hem waarachtig is, dat Zijn liefde naar volkomenheid staat, zich gelijk blijft en boven anderen doe; dat het oude gebod, bij het licht, bij de drang van dit voorbeeld, hem een nieuw gebod geworden zij en een dagelijks vernieuwende invloed hefte op zijn dagelijkse wandel. Is niet dat voorbeeld dagelijks voor zijn ogen en altijd hetzelfde? Zegt het niet alles? Moet niet een blik op Jezus genoeg zijn, om het liefdeloos woord of de lippen te doen verstommen; een gedachte aan Hem, om de liefeloze gedachte te stuiten, omdat zij in het hart van Zijn belijder oprijst? Wat dunkt u? Maar er is meer. En zonder dit meerdere is al het vorige weinig, te weinig tegenover de duisternis van het hart, die door dit alles niet weggenomen wordt. Belijdenis van Christus te doen, is zich aan de hoogste liefde voor de hoogste weldaad verplicht te weten. Het is te getuigen: Hierin is de liefde, niet dat wij Hem hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn leven voor ons gegeven heeft. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden. Wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar voor de zonden van de gehele wereld. Belijdenis van Christus te doen is, op Zijn liefdewoord te vertrouwen en te geloven: Ook voor mij heeft Hij Zijn leven gesteld, ook ik ben gereinigd door Zijn bloed, ook mijn Voorspraak is Hij bij de Vader. Hij is een verzoening ook voor mijn zonden. Al wat er is in Zijn waarachtige, in Zijn volkomen, in Zijn eeuwige, in Zijn rijke liefde, dat is ook voor mij. Het is te verklaren dat Jezus, door de grootste weldaad het grootste recht of onze liefde heeft; het is Hem te moeten, het is Hem te kunnen liefhebben; het is niet anders te kunnen voelen dan dat men Hem liefheeft. Kan het anders of deze liefde voor Hem moet zich ook uitstrekken tot wat door Hem bemind wordt? O, nu verstaat men, wat er is in die naam van Broeder, wat er is in die naam van Naaste. Nu heeft men in de mede-belijder de welbeminde lief, in elke naaste een mens, voor wie Jezus wil sterven. Nu gaat de laatste donkere wolk van liefdeloosheid bij het schijnen van het waarachtig Licht voorbij. Nu wordt, nu wordt mettertijd voor hart en leven, het oude gebod, een nieuw gebod; een beginsel een kracht in het dankbaar gemoed. Ja, de wet van het nieuwe leven is inwendig en het lost zich op in deze éne, deze bestendige ervaring: De liefde van Christus dringt ons. En wat mag Christus Jezus niet verwachten van die man, van wie Zijn liefde dringt? Maar wat moet Hij oordelen, wij zelf van een belijder van Zijn naams, in wie niet waarachtig is hetgeen waarachtig is in Hem?