21. En het geschiedde, toen zij, de mannen van Samaria, waar Elisa gestorven en nabij de stad in een grafkamer bijgezet was, niet lang daarna, een andere man begroeven, dat zij bij het wegdragen van het lijk, ziet, een bende van Moabieten zagen, die omstreeks die tijd invallen deden om te stropen; in hun ontsteltenis gunden zij zich de tijd niet om voor hun dode een eigen grafplaats gereed te maken, zo wierpen zij de man in het graf van Elisa, waarvan zij in allerijl de steen, die ervoor lag (
Mattheus 27:60 Markus 16:3) wegrolden, en het ene lijk bij het andere legden, en toen de man, het ontzielde lichaam van de man, die zij zo in allerijl begroeven, daarin kwam, tot bij het ontzielde lichaam van de profeet, 1) en het gebeente van Elisa aanraakte, werd hij weer levend, en de man rees op zijn voeten, en ging met hen, die hem hadden moeten begraven, naar de stad terug. 2)
1) Elisa's lijk was dus niet in een doodkist, maar slechts in linnen doeken gewikkeld, ten grave gebracht (2 Samuël 3:31).. 2) Hoe leefde de dode weer slechts door de aanraking van Elisa's lijk? Bevreemdt u dit, wat zult gij dan daarvan zeggen, dat eenmaal de burgers van Jeruzalem zieken en bezetenen op bedden en baren, op de straat droegen, opdat, zodra de apostel Petrus kwam, ook slechts zijn schaduw over een van hen kwam; en ziet, zij werden gezond, over wie zijn schaduw heen streek. Wat daarvan, dat de gelovigen te Efeze de zweetdoeken en gordeldoeken van Paulus' lijf over de zieken hielden, en de besmettelijke ziekte week van hen, de boze geesten voeren van hen uit? (Handelingen 6:15; 19:11vv.). Maar, zo zegt gij, vindt in deze feiten niet de Roomse relikwieëndienst een zekere steun en haar rechtvaardiging? Dat zij verre! Want zonder nog te zeggen, dat het weinig of niets ter zake doet, omdat de zogenaamde relikwieën (heilige overblijfselen) meest slechts voorgewende overblijfselen van de heiligen zijn, aan wie zij worden toegeschreven, schrijven de Roomsen aan hun vermeende gebeenten, kledingstukken of andere voorwerpen, die zij voor heilig houden, stoutweg op zichzelf een toverachtige kracht toe; en wat is dat anders dan bijgeloof en heidendom? Of zij schrijven de wonderwerkingen aan heilige mensen toe, wier beenderen of kleren zij hun zogenaamde gelovigen tot aanraking, kussing en verering uitstallen; en wat is deze mensenverafgoding anders dan een met een Christelijk waas overtrokken afgodsdienst? Of eindelijk, zij naderen de waarheid meer, en zeggen, dat, God of Christus het doet door middel van hun gebeenten, splinters van het kruis, hun heilige rokken en dergelijke zaken; maar waar kunnen zij een uitdrukkelijk woord van de belofte aanwijzen, dat God werkelijk aan deze voorwerpen Zijn hulp zal verbinden? Zij hebben dit niet, maar geloven ook niet, dat zij dit behoeven; zij menen dat het vanzelf spreekt, dat God door het kanaal van hun kunstenarijen Zijn zegen moet laten stromen. Omdat Hij eenmaal door de vergankelijke overblijfselen van Elisa, door de gordel van de apostel grote dingen heeft gewerkt, zo moet Hij hetzelfde ook door de overblijfselen van alle andere heiligen tot stand laten komen. Zij willen dus over God beschikken, en zonder Goddelijke opdracht, zonder het geringste woord van belofte van God, in eigen aangematigde volmacht, Hem en Zijn wondermacht aan hun lappen en beenderenschat binden; en dat is een stoute, strafbare misdaad, en te meer, omdat zij in hun waan niet zelden bovendien begeren, dat God, de Heilige en Waarachtige, hun leugens met wonderen en tekenen bekrachtigen en bevestigen zal..
Dit voorbeeld bewijst niets van de kracht van de relikwieën van de heiligen, waarvan in het Pausdom zoveel misbruik gemaakt wordt; want niet het gebeente van Elisa, maar de kracht van God maakte deze dode levend; ook heeft de Kerk, net zo min toen als later, Elisa's gebeente opgegraven, veel minder in goud en zilver gevat het door het volk laten kussen en vereren, zoals in het Pausdom gebeurt.
Dit grote wonderwerk, ofschoon bij verkorting vermeld, diende deels om eer te bewijzen aan deze grote profeet, alsmede om zijn leer te bevestigen, inmiddels ter versterking van het geloof van Joas en het volk, aangaande de belofte van hun voorspoed tegen de Syriërs, en verder om temidden van alle onheilen, die Israël troffen, dezen onder het volk, die Elisa's raad en voetspoor volgden, te vertroosten met de hoop van het eeuwige leven, waarvan dit teken een blijkbaar onderpand was. Elia is geëerd bij zijn verplaatsing, Elisa na zijn verplaatsing en beide vertrekken zij tot bevestiging van die troostrijke waarheid, dat zij, die in de Heere sterven, zalig zijn, onmiddellijk na hun ontslapen en niet pas lang daarna..
Zoals Elia nog van de hemel met de aardse zaken zich bezig hield (2 Kronieken 21:12vv.), zo moest ook Elia's werkzaamheid, die reeds in vergetelheid begon te raken, niet met zijn lichaam begraven liggen; hem viel door zijn volk geen plechtige, eervolle begrafenis (zie 1 Samuël 25:1) ten deel, maar door God werd hem nog in het graf getuigenis gegeven, dat een Godskracht in hem geweest was, en daardoor vooral werd Joas tot uitvoering van de laatste bevelen en beloften van de stervende profeet aangemoedigd..
Het wonder van de herleving van de dode moest op de belofte van de stervende profeet aangaande Joas zegepraal over de Syriërs het zegel van de Goddelijke bekrachtiging drukken; terwijl de Heere daarmee betuigde, dat Hij geen God van de doden is, maar van de levenden, en Zijn Geest over dood en vergankelijkheid verheven is..
Het dode kan het dode niet levend maken; de adem van de Heere alleen dringt ook in de groeve van de vertering en herschept haar in een oord van het leven (Ezechiel 37:1vv.). Daarom staat ons vertrouwen en onze hoop niet op dode mensenbeenderen, maar op God, die alle dingen levend maakt en de grote Herder van de schapen uit de doden heeft opgewekt. Zijn wij met deze begraven, zo hebben wij de troost: God, die de Heere heeft opgewekt, zal ook ons opwekken door Zijn kracht (1 Corinthiërs 6:14; 2 Corinthiërs 4:14 Colossenzen 2:12; Romeinen 6:4)..
De leer en het voorbeeld van de mannen Gods kunnen ook na hun dood vruchten dragen bij de geestelijk doden, als men ze zich herinnert en ze volgt (Hebreeën 13:7). En zo groeien de gebeenten pas recht...als gij de zonde zijt afgestorven. Werp u dan slechts in het graf van uw Heiland met ootmoed en zelfverloochening; zo zult gij weer leven en opstaan, zoals deze deed; want wie Christus' kracht over de dood in waar geloof aangrijpt (met deze dood in aanraking en verbinding komt) wordt hierdoor tot het echte leven van Zijn Geest verwekt.