2 Koningen 2:9-12
I. Elia maakt hier zijn testament en maakt Elisa tot zijn erfgenaam, hem nu zalvende om profeet te zijn in zijn plaats, meer nog dan toen hij zijn mantel op hem wierp, 1 Koningen 19:19.
1. Elia zeer ingenomen zijnde met de standvastigheid van Elisa's genegenheid en dienst, zei hem te vragen wat hij voor hem doen zou, welke zegen hij hem zou laten bij het scheiden. Hij zegt niet (zoals bisschop Hall terecht opmerkt): "Vraag mij, als ik heengegaan zal zijn in de hemel zal ik beter instaat zijn u gunst te betonen", maar: "vraag eer ik van u weggenomen zal zijn." Tot onze vrienden op aarde kunnen wij spreken, en zij kunnen ons antwoorden, maar wij weten niet dat wij toegang zullen hebben tot enigerlei vriend in de hemel, behalve tot Christus, en in Hem tot God, Abraham weet van ons niet.
2. Elisa, deze schone gelegenheid hebbende om zich te verrijken met de beste schatten, vraagt om twee delen van zijn geest. Hij vraagt niet om rijkdom, of eer, of om vrijgesteld te worden van verdriet en moeilijkheden, maar om geschikt te zijn voor de dienst van God en zijn geslacht. Hij vraagt:
a. Om de geest, niet alsof het in Elia's macht was de gaven en genade van de Geest te geven, daarom zegt hij niet: geef mij de Geest," -hij wist zeer goed dat die Gods gave was-maar "dat hij op mij zij, vraag dit voor mij van God." Christus zei aan Zijn discipelen te vragen wat zij wilden, Hij zei dit niet aan een van hen, maar aan allen en beloofde de Geest te zenden met veel meer gezag en verzekerdheid dan Elia het beloven kon.
b. Om zijn geest, omdat hij een profeet moest wezen in zijn plaats, om zijn werk voort te zetten, een vader te zijn voor de zonen van de profeten en hun vijanden tegen te treden, omdat hij met dezelfde moeilijkheden zal hebben te kampen, met hetzelfde verkeerde geslacht zal hebben te handelen, als hij zodat hij, indien hij zijn geest niet heeft, geen kracht zal hebben naar zijn dagen.
c. Om twee delen van zijn geest, hij bedoelt niet het dubbele van wat hij had, maar van hetgeen de overige profeten hadden, van wie niet zoveel verwacht zal worden als van Elisa, die onder Elia was opgeleid. Het is een heilige eerzucht om te ijveren naar de beste gaven, en die welke ons het best instaat stellen vers. 9-12 om God en onze broederen te dienen. Wij allen, leraren zowel als gemeenteleden, behoren ons het voorbeeld van onze voorgangers voor ogen te stellen ten einde te arbeiden in hun geest, en God vurig te smeken om de genade, die hen door heeft geholpen in hun arbeid en hen instaat heeft gesteld om goed te eindigen.
3. Elia belooft hem wat hij gevraagd heeft, maar onder tweeërlei voorbehoud, vers 10.
a. Mits hij het op de rechte prijs stelde, het hogelijk waardeerde, dit leert hij hem te doen door het een harde zaak te noemen, niet te hard of te moeilijk voor God, maar te groot voor hem om het te verwachten. Diegenen zijn het best bereid geestelijke zegeningen te ontvangen die zich bewust zijn van haar waarde en van hun onwaardigheid om ze te ontvangen.
b. Mits hij tot het laatste toe dicht bij zijn meester bleef en op hem lette. Indien gij mij zult zien als ik van u weggenomen word, het zal u alzo geschieden, doch zo niet, het zal niet geschieden. Een vlijtig waarnemen van het onderricht van zijn meester, en een zorgvuldig letten op zijn voorbeeld, inzonderheid nu in het laatste samenzijn, waren de voorwaarden, en zullen het geschikte middel zijn om veel van zijn geest te verkrijgen, een strikt en nauwkeurig letten op de manier van zijn hemelvaart zal hem ook van zeer groot nut wezen. De vertroostingen van de heiligen bij hun heengaan en hun ervaringen zullen een machtige hulp voor ons wezen om onze eigen vertroostingen lieflijk voor ons te maken en ons vastberaden te maken in onze besluiten. Of misschien was dit slechts bedoeld als een teken. "Indien God u de gunst betoont, om u mij te doen zien als ik opvaar ten hemel, beschouw dit dan als een teken, dat Hij dit voor u doen zal, en reken er op." Christus' discipelen zagen Hem opvaren, en waren toen verzekerd dat zij binnen korte tijd vervuld zullen worden van de Geest, Handelingen 1:8. Wij kunnen veronderstellen dat Elisa hierop vurig heeft gebeden: Heere, geef mij dit teken ten goede.
II. Elia wordt in een vurige wagen naar de hemel gevoerd, vers 11. Evenals Henoch werd hij weggenomen opdat hij de dood niet zien zou. Veel vragen zou men ten opzichte van die zaak kunnen doen, waarop geen antwoord gegeven zou kunnen worden. Het volsta, dat ons hier gezegd wordt:
1. Wat zijn Heere, toen Hij kwam, hem vond doende. Hij was sprekende met Elisa, hem onderrichtende en bemoedigende, hem leiding gevende voor zijn werk, hem er toe aansporende tot welzijn van hen, die hij achterliet. Hij was niet in overdenking of gebed als iemand, die geheel vervuld is van de wereld, waar hij heengaat, maar in stichtelijk gesprek, als iemand die belang stelt in het koninkrijk Gods onder de mensen. Wij vergissen ons, als wij denken, dat onze toebereiding voor de hemel alleen maar geschiedt door overpeinzing en door oefeningen van de Godsvrucht. Nuttig zijn voor anderen komt even goed als iets anders op onze rekening. Aan Goddelijke dingen te denken is goed, maar er over te spreken (als het uit het hart komt) is beter, omdat het tot stichting is, 1 Corinthiers 14:4. Christus is ten hemel gevaren, als Hij Zijn discipelen zegende.
2. Welk voertuig de Heere voor hem zond: een vurige wagen met vurige paarden, die, hetzij tot hen schenen neer te komen van de wolken of (zoals bisschop Patrick denkt) naar hen toe liepen op de grond. In deze vorm verschenen de engelen. De zielen van al de gelovigen worden door een onzichtbare wacht van engelen naar Abrahams schoot gedragen, maar terwijl Elia zijn lichaam moest meebrengen, was de hemelse wacht zichtbaar, niet in menselijke gedaante, zoals gewoonlijk, hoewel zij hem in hun armen naar de hemel hadden kunnen dragen of als arenden op hun vleugelen, maar dat zou geweest zijn hem te dragen als een kind, als een lam, Jesaja 40:11, 31 en verschijnen zij in de gedaante van een wagen en paarden, opdat hij in staatsie, in triomf, zou rijden als een vorst, als een overwinnaar, ja meer dan overwinnaar. De engelen worden in de Schrift cherubim en serafim genoemd, en hun verschijning hier, hoewel die beneden hun waardigheid zou kunnen schijnen, beantwoordt aan beide benamingen want:
a. serafim betekent vurigen, en van God wordt gezegd, dat Hij hen tot een vlammend vuur maakt, Psalm 104:4. Cherubim betekent (naar velen denken) wagenen, en zij worden Gods wagenen genoemd, Psalm 68:18. En Hij wordt gezegd "te rijden op een cherub", Psalm 18:11, waar misschien op gezinspeeld wordt in Ezechiëls visioen van de vier dieren en raderen, als paarden en wagenen. Aldus worden zij voorgesteld in Zacharia's visioen, Zacheria 1:8, 6:1. Vergel. Openbaring 6:2. Zie de bereidwilligheid van de engelen om de wil van God te doen zelfs in de geringste diensten ten goede van hen, die de zaligheid beërven. Elia moet naar de wereld van de engelen overgebracht worden, en daarom moeten sommigen van hen, om te tonen hoe verlangend zij zijn naar zijn gezelschap, komen om hem te halen. De wagen en de paarden schenen als vuur, niet om te branden, maar door schittering en glans, niet om hem te pijnigen of te verteren, maar om zijn hemelvaart groots en schitterend te doen zijn in de ogen van hen, die van verre stonden om haar te zien. Elia is brandend geweest van heilige ijver voor God en Zijn eer, en nu werd hij door hemels vuur gelouterd en overgebracht naar de hemel.
3. Hoe hij gescheiden werd van Elisa, deze wagen maakte scheiding tussen hen beide. De dierbaarste vrienden moeten van elkaar scheiden, Elisa had getuigd en verklaard dat hij hem niet wilde verlaten, maar nu wordt hij door hem achtergelaten.
4. Werwaarts hij heengevoerd werd. Hij voer met een dwarrelwind ten hemel Het vuur richt zich opwaarts, de dwarrelwind droeg bij om hem door de atmosfeer heen te voeren, buiten het bereik van de aantrekkingskracht van de aarde, en hoe snel hij toen door de zuivere ether naar de wereld van de heilige en zalige geesten heenvloog, daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken.
Elia had eens in hartstocht gewenst te sterven, maar God was zo genadig jegens hem, dat Hij hem toen niet slechts niet aan zijn woord hield, maar hem met dit zeer bijzondere voorrecht eerde, dat hij de dood niet zien zou, en door dit voorbeeld en dat van Henoch:
a. Toonde God, hoe de mensen de wereld verlaten zouden hebben, indien zij niet hadden gezondigd, niet door de dood, maar door verplaatsing, of wegneming.
b. Gaf Hij een blik in het leven en de onsterfelijkheid, die door het Evangelie aan het licht zijn gebracht, van de heerlijkheid, weggelegd voor de lichamen van de heiligen, en het openen van het koninkrijk van de hemelen voor alle gelovigen, zoals toen voor Elia. Het was ook een beeld, of type van Christus' hemelvaart.
III. Aandoenlijk klaagt Elisa over het verlies van deze grote profeet, maar voegt bij zijn klagen een lofrede, vers 12.
1. Hij zag het, dus ontving hij het teken, waardoor hij verzekerd was dat zijn verzoek om een dubbel deel van de geest van Elia was toegestaan. Elisa zag op naar de hemel, vanwaar hij die gave moest verwachten, zoals de discipelen hun ogen naar de hemel gericht hielden, Handelingen 1:10. Hij zag het visioen voor een poosje, maar weldra was het buiten zijn gezicht, en hij zag hem niet meer.
2. Hij scheurde zijn klederen, ten teken van zijn besef van het verlies, dat hij en het publiek leed. Elia was wel in triomf naar de hemel gegaan, maar deze wereld kon hem slecht missen, en daarom moest zijn wegneming betreurd worden door hen, die achterbleven. Voorzeker is het hart hard van hen, wier ogen droog zijn, als God door Zijn wegneming van trouwe, zegenrijke mensen roept tot wenen en treuren. Hoewel Elia's heengaan de weg opende voor Elisa's grootheid, inzonderheid nu hij verzekerd was van een dubbel deel van zijn geest, treurde hij toch om zijn verlies, want hij had hem lief, en zou hem altijd hebben willen dienen.
a. Hij zelf had de leidsman van zijn jeugd verloren, Mijn vader, mijn vader, hij beschouwde zijn eigen toestand als van een vaderloos kind, dat op de wereld is geworpen en hierover treurt hij. Toen Christus Zijn discipelen verliet, heeft Hij hen geen wezen gelaten, Johannes 14:18, maar Elia moet dit wel.
b. Het volk had zijn beste wachter verloren, hij was de wagen Israëls en zijn ruiteren. Hij had hen allen naar de hemel willen brengen, zoals in deze wagen, en het was hun schuld, dat hij het niet gekund heeft. Zij gebruikten geen wagens en paarden in hun oorlogen, maar door zijn raadgevingen, zijn bestraffingen en zijn gebeden, was Elia hun meer dan de sterkste macht van wagens en paarden, en weerde hij Gods oordelen van hen af. Zijn heengaan was als de algehele nederlaag van een leger, een onherstelbaar verlies. Het zou ons beter zijn al onze krijgslieden te hebben verloren dan deze man Gods.