2 Corinthiërs 3:1-5
In deze verzen hebben wij:
I. De apostel verdedigt zich tegen den schijn van zich zelven aan te bevelen. Hij achtte het nodig zijne oprechtheid jegens hen aan te tonen, omdat er sommigen te Corinthe waren, die trachtten zijn goeden naam te belasteren, maar hij was niet begerig naar ijdele eer. En hij zegt hun:
1. Dat hij nooit enige woordelijke aanbeveling van hen behoefde of verlangde, zomin als brieven van voorschrijving aan hen, zoals sommigen deden, waarmee hij de valse apostelen en leraren bedoelde, vers 1. Zijne bediening onder hen was ontegensprekelijk waarlijk trouw en eervol geweest, hoe onaanzienlijk ook zijn persoon in werkelijkheid ware of hoe verachtelijk hij sommigen ook voorkomen mocht.
2. De Corinthiërs zelven waren zijn werkelijke aanbeveling en een goede getuigenis voor hem, dat God met hem was en hem gezonden had. Gijlieden zijt onze brief, vers 2. Dat was het getuigschrift, dat hem het meest verblijdde en hem het dierbaarste was, -zij waren geschreven in zijn hart, en hij kon er zich steeds op beroepen, want het was, of kon zijn, bekend en gelezen van alle mensen. Er is niets verblijdender voor getrouwe dienaren en dat hun meer tot aanbeveling verstrekt, dan het welslagen hunner bediening, kenbaar geworden in de harten en den levenswandel van hen, onder wie zij arbeiden.
II. De apostel draagt zorg niet te veel aan zich zelven toe te schrijven, maar hij geeft Gode allen dank. Daarom:.
1. Zegt hij dat zij zijn een brief van Christus, vers 3. De apostelen waren slechts de werktuigen, Christus was de werker van al wat goed in hen was. De wet van Christus was in hun harten geschreven, en de liefde van Christus was in hun harten uitgestort. Deze brief was geschreven niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, ook was hij niet geschreven in stenen tafelen, gelijk de wet die God door Mozes gegeven had, maar in het hart, niet een hart van steen, maar van vlees, op de vlezen (niet vleselijke, want dit woord duidt zinnelijkheid aan) tafelen des harten, dat is op harten, die zacht gemaakt en vernieuwd zijn door de goddelijke genade, volgens de heerlijke belofte: Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven, Ezechiël 36:26. Dit was het vertrouwen, dat de apostel van deze Corinthiërs had, vers 4, dat hun harten waren gelijk de ark des verbonds, die de tafelen van de wet en het Evangelie bevatte, geschreven met den vinger, dat is door den Geest van den levenden God.
2. Hij verwerpt ten enenmale het aannemen van enigen lof voor zichzelf en geeft alle eer aan God. Wij zijn van ons zelven niet bekwaam, vers 5. Wij zouden nooit zelven zulk een goeden indruk op uwe harten gemaakt hebben, zo min als op onze eigene. Onze zwakheid en onbekwaamheid zijn zo groot, dat wij uit ons zelven geen enkele goede gedachte kunnen denken, en nog veel minder enige goede gedachte of genegenheid in anderen verwekken. Al onze bekwaamheid is uit God, aan Hem zijn wij alle dank en prijs verschuldigd voor het goede dat verricht is, en van Hem moeten wij genade en kracht ontvangen om meer te doen. Dat is waar omtrent dienaren en alle Christenen, ook de besten zijn niets meer dan wat de genade Gods hen maakt. Onze handen zijn niet bekwaam, maar onze bekwaamheid is uit God, en Zijne genade is ons genoeg, om in ons alle goed woord en werk te verwekken.