Johannes 14:4-11
Christus had hun de zaligheid des hemels voorgesteld als het doel, en nu toont Hij zich zelven hier als den Weg, die er henen leidt, en Hij zegt hun, dat zij met dat voorgestelde doel en met den weg, waarop zij moesten wandelen, beter bekend waren dan zij dachten.
Gij weet, dat is:
1. "Gij kunt weten, het behoort niet tot de verborgen dingen, die u niet toekomen te weten, maar het is een der geopenbaarde dingen, gij behoeft niet op te klimmen in den hemel, noch neer te dalen in den afgrond, want nabij u is het woord, Romeinen 10:6-8, het is onder uw bereik".
2. "Gij weet wat het tehuis is, en gij weet wat de weg is, hoewel gij er u misschien niet van bewust zijt. Er is u van gesproken, en gij moet het dus wel weten, zo gij het u slechts wilt herinneren, en er over wilt nadenken". Jezus Christus wil gaarne het beste denken van de kennis Zijns volks, hoewel zij slechts zwak en gebrekkig is. Het goede in hen kent Hij beter dan zij het zelven kennen en Hij is er zeker van, dat zij de kennis, het geloof en de liefde hebben, waarvan zij zich zelven nog niet bewust zijn, of waarvan zij niet zeker zijn, dat zij ze hebben. Dat woord van Christus geeft aan twee Zijner discipelen aanleiding om ene vraag tot Hem te richten, en Hij antwoordt hun beiden.
I. Thomas vroeg naar den weg, zonder er zich om te verontschuldigen, dat hij zijn Meester tegenspreekt, vers 5.
1. "Heere," zei hij, "wij weten niet, waar Gij heengaat -naar welke plaats, en in welken staat, en hoe kunnen wij den weg weten, waarop wij U moeten volgen? Wij kunnen er niet naar gissen, en er gene navraag naar doen, maar moeten nog in het onzekere blijven verkeren." Christus' getuigenis omtrent hun kennis maakte, dat zij zich nog meer van hun onwetendheid bewust werden, en groter begeerte koesterden naar meer licht Thomas toont hier meer bescheidenheid dan Petrus, die dacht dat hij Christus thans kon volgen. Petrus was meer begerig om te weten waar Christus heenging. Thomas, hoewel er over klagende, dat hij dit niet weet, schijnt echter meer verlangend te zijn om den weg te kennen. Nu was:
a. De erkenning van zijne onwetendheid loffelijk genoeg. Als Godvruchtige mensen in het duister zijn en slechts ten dele kennen, zijn zij toch gaarne bereid om hun gebrekkige kennis te belijden. Maar:
b. De oorzaak van zijne onwetendheid was zondig. Zij wisten niet waar Christus heenging, omdat zij droomden van een wereldlijk koninkrijk in uitwendige heerlijkheid en macht, en daar verzot op waren, er hun hart op hadden gesteld, in weerwil van hetgeen Hij hun telkens en nogmaals in tegenovergestelden zin hiervan had gezegd. En zo kwam het dat, toen Christus hun sprak van Zijn heengaan en van hun volgen van Hem, zij zich inbeeldden, dat Hij naar de ene of andere vermaarde stad zou gaan, naar Bethlehem of Nazareth, of Kapernaum, of naar sommige steden der heidenen, zoals David naar Hebron gegaan is, om er tot koning gezalfd te worden, en om aan Israël het koninkrijk weer op te richten. En waar nu die plaats lag, waar die luchtkastelen gebouwd moesten worden, in het Oosten of in het Westen, in het Noorden of in het Zuiden, wisten zij niet, en daarom kenden zij den weg niet. Zo denken wij ook meer in het duister te zijn omtrent den toekomenden toestand der kerk dan nodig is, omdat wij wereldlijken voorspoed voor haar verwachten, terwijl het toch de geestelijke vooruitgang is, waarop de belofte doelt. Had Thomas begrepen, -en hij had het kunnen begrijpen-dat Christus heenging naar de onzichtbare wereld, de wereld der geesten, waarop slechts geestelijke dingen betrekking hebben, dan zou hij niet gezegd hebben: wij weten den weg niet.
II. Op deze klacht nu over hun onwetendheid, waarin de begeerte om onderricht te worden lag opgesloten, geeft Christus een volledig antwoord, vers 6, 7. Thomas had gevraagd waar Hij heenging en wat de weg was, en op die beide vragen antwoordt Christus en bewijst wat Hij gezegd had, dat zij geen antwoord nodig zouden hebben, indien zij zich zelven beter hadden begrepen, want zij kenden Hem, en Hij is de Weg, zij kenden den Vader, en Hij is het Doel, daarom: waar Ik heenga weet gij, en den weg weet gij. Gelooft in God als het Doel, en in Mij als den Weg, vers 1, en dan doet gij alles wat gij behoort te doen.
a. Hij spreekt van zich zelven als van den Weg, vers 6. Weet gij den weg niet? Ik ben de Weg, en Ik alleen, want niemand komt tot den Vader dan door Mij. Grote dingen zegt Christus ons hier van zich zelven, ons tonende den aard van Zijn middelaarschap: Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven.
Ten eerste. Laat ons dezen in de eerste plaats onderscheidenlijk beschouwen.
1. Christus is de Weg, de verheven baan, waarvan gesproken wordt in Jesaja 35:8. Christus was Zijn eigen Weg, want Hij is door Zijn eigen bloed ingegaan in het heiligdom, Hebreeën 9:12, en Hij is onze Weg, want wij gaan in door Hem. Door Zijne leer en Zijn voorbeeld door Zijne verdienste en voorbede bezorgt Hij ons onze zaligheid, en aldus is Hij de Weg. In Hem ontmoeten God en de mens elkaar, en worden zij samengebracht. Op den weg der onschuld konden wij tot den boom des levens niet komen, maar Christus is een andere Weg, die er heenleidt. Door Christus, als den Weg, is er ene gemeenschap geopend tussen den hemel en de aarde, de engelen Gods klommen op en neer, onze gebeden gaan op tot God, en Zijne zegeningen komen door Hem tot ons, dat is de weg, die heenvoert naar de rust, de goede oude weg. De discipelen volgden Hem, en Christus zegt hun, dat zij den weg volgden, en zo lang zij hem blijven volgen, zullen zij nooit buiten den weg zijn.
2. Hij is de Waarheid.
a. Gelijk waarheid gesteld wordt tegenover beeld en schaduw. Christus is het wezen van al de Oud- Testamentische typen, die daarom gezegd worden tegenbeelden te zijn van het ware, Hebreeën 9:24. Christus is het ware manna, Hoofdstuk 6:32:de ware tabernakel, Heb. 8:2.
b. Gelijk waarheid gesteld wordt tegenover leugen en dwaling, de leer van Christus is de ware leer. Als wij waarheid zoeken, dan behoeven wij niets meer te leren, dan de waarheid, zoals zij is in Jezus.
c. Waarheid wordt gesteld tegenover bedrog en misleiding, Hij is waar tegenover allen, die op Hem betrouwen, waar als de waarheid zelf, 2 Corinthiërs 1:20.
3. Hij is het Leven, want slechts in en door Jezus Christus zijn wij Gode levende, Romeinen 6:11. Christus, in ons geformeerd, is datgene voor onze ziel, wat onze ziel is voor ons lichaam. Christus is de opstanding en het leven. Ten tweede. Laat ons ze gezamenlijk beschouwen en in betrekking tot elkaar. Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven, dat is:
1. Hij is het begin, het midden en het einde. In Hem moeten wij aanvangen, voortgaan en voleindigen. Als de Waarheid is Hij de Gids op onzen weg, als het Leven is Hij er het einde van.
2. Hij is de verse en levende Weg. Hebreeën 10:20, er zijn waarheid en leven op den weg, zowel als aan het einde er van.
3. Hij is de ware Weg ten leven, de enig ware Weg, andere wegen kunnen recht schijnen maar het laatste van die zijn wegen des doods. De noodzakelijkheid van Zijn middelaarschap: Niemand komt tot den Vader dan door Mij. De gevallen mens moet tot God komen als tot een Rechter, maar kan niet tot Hem komen als tot een Vader, dan door Christus als Middelaar. Wij kunnen door bekering en daden van aanbidding onzen plicht niet volbrengen van tot God te komen zonder den Geest en de genade van Christus, noch de zaligheid verkrijgen van tot God te komen als onzen Vader zonder Zijne verdienste en gerechtigheid. Hij is de Hogepriester onzer belijdenis, onze Voorspraak.
b. Hij spreekt van Zijn Vader als het doel, vers 7.
Indien gijlieden M ij gekend had -Mij op de rechte wijze gekend had -zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben, en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien door de heerlijkheid, die gij in Mij gezien, en de leer, die gij van Mij gehoord hebt. Hier is: Een stilzwijgende bestraffing voor hen wegens hun stompzinnigheid en achteloosheid, door zich niet bekend te maken met Jezus Christus, hoewel zij Zijn gestadige metgezellen en volgelingen geweest zijn: Indien gij Mij gekend had. - Zij kenden Hem, maar kenden Hem toch niet zo goed, als zij Hem hadden kunnen en moeten kennen. Zij kenden Hem als den Christus, maar hebben niet vervolgd God in Hem te kennen. Christus had tot de Joden gezegd, Hoofdstuk 8:19:"Indien gij Mij kende, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen, " en hier zegt Hij hetzelfde tot Zijne discipelen, want het is moeilijk te zeggen wat vreemder is: de moedwillige onwetendheid van de vijanden des lichts, of de gebreken en vergissingen van de kinderen des lichts, die zoveel gelegenheid hebben om kennis te verkrijgen. Indien zij Christus recht gekend hadden, dan zouden zij geweten hebben, dat Zijn koninkrijk geestelijk, maar niet van deze wereld is, dat Hij van den hemel is gekomen, en dus naar den hemel moet terugkeren, en dan zouden zij ook Zijn Vader gekend hebben, dan zouden zij geweten hebben, waar Hij wilde heengaan, toen Hij zei: Ik ga heen tot den Vader, tot ene heerlijkheid in de andere wereld, niet in deze. Indien wij het Christendom beter kenden, wij zouden ook den natuurlijken Godsdienst beter kennen. Een gunstige aanduiding omtrent hun oprechtheid, niettegenstaande de zwakheid van hun verstand. "En van nu, van het ogenblik af, dat Ik u dezen wenk gegeven heb, die u tot sleutel zal dienen voor al de instructies, die Ik u tot nu toe gegeven heb, zeg Ik u, dat gij Hem kent. Gij kent Hem en hebt Hem gezien, voor zoveel gij Mij kent en Mij gezien hebt, want in het aangezicht van Christus zien wij de heerlijkheid Gods, zoals wij een vader zien in zijn zoon, die op hem gelijkt. Christus zegt Zijnen discipelen, dat zij niet zo onwetend waren als zij wel schenen, want hoewel kinderkens, hebben zij toch den Vader gekend, 1 Johannes 2:13. Velen van Christus' discipelen hebben meer kennis en meer genade dan zij denken, en Christus merkt het goede in hen op en schept er behagen in, waarvan zij zich zelven niet bewust zijn, want zij, die God kennen, weten niet terstond dat zij Hem kennen, 1 Johannes 2:3. II. Filippus' vraag betrof den Vader, vers 8, en Christus antwoordt hem, vers 9-11, waar wij hebben te letten op:
1. Filippus' verzoek om een buitengewone ontdekking van den Vader. Hij was niet zo ijverig of voortvarend in het spreken als sommige anderen, maar gedreven door een vurig verlangen naar meer licht, roept hij: Toon ons den Vader. Filippus had geluisterd naar hetgeen Christus had gezegd tot Thomas, en klemt zich aan de laatste woorden: Gij hebt Hem gezien. "Neen" zegt Filippus, "dat is het wat wij nodig hebben, wat wij begeren, toon ons den Vader, en het is ons genoeg".
a. Dit onderstelt een vurige begeerte naar bekendheid met God als Vader. De bede is: "Toon ons den Vader, doe ons Hem kennen in die betrekking tot ons", en dit vraagt hij niet alleen voor zich zelven, maar ook voor de andere discipelen, en hij voegt er bij, dat hun dit dan genoeg zal wezen, niet alleen aan hem, maar ook aan de anderen. Schenk ons slechts een blik op den Vader, en wij zijn tevreden. Jansenius zegt: "Hoewel Filippus dat niet meende, heeft de Heilige Geest ons toch door zijn mond willen leren, dat de voldoening, de tevredenheid, de zaligheid ener ziel bestaat in het zien en genieten van God", Psalm 16:11, 17:15. In de kennis van God rust het verstand, en is op het toppunt van deszelfs eerzuchtig verlangen, in de kennis van God als onzen Vader is de ziel tevreden en voldaan, een zien van den Vader is de hemel op aarde, en het vervult ons met een onuitsprekelijke vreugde.
b. Zoals Filippus het hier zegt, geeft het te kennen, dat hij niet tevreden was met zulk ene ontdekking van den Vader als Christus geschikt achtte hun te doen, hij wilde Hem voorschrijven, Hem dringen tot niets minder dan een zichtbare verschijning van de heerlijkheid Gods, zoals die aan Mozes, Exodus 33:22, en aan de oudsten van Israël, Exodus 24:9-11. "Laat ons den Vader zien met onze lichamelijke ogen, zoals wij U zien, en het is ons genoeg, dan zullen wij U met geen verdere vragen lastig vallen over waar Gij heengaat." En zo toont dit niet slechts de zwakheid van zijn geloof, maar ook zijne onbekendheid met de wijze, waarop het Evangelie den Vader doet zien, en die is geestelijk maar niet waarneembaar voor de zinnen. Zulk een zien van God, denkt hij, zou hun genoeg zijn, en toch was het diegenen, die Hem aldus zagen, niet genoeg, want zij hebben zich spoedig verdorven en een gegoten beeld gemaakt. Christus' inzettingen hebben beter voorzien voor de bevestiging van ons geloof dan onze verzinselen het zouden kunnen.
2. Christus' antwoord, dat hem verwijst naar de ontdekkingen, die reeds van den Vader gedaan zijn, vers 9-12.
a. Hij verwijst hem naar hetgeen hij gezien had, vers 9. Hij bestraft hem om zijne onwetendheid en onachtzaamheid: "Ben Ik zo langen tijd met ulieden, nu reeds gedurende meer dan drie jaren vertrouwelijk met u omgaande, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, en hoe zegt gij: Toon ons den Vader? Wilt gij vragen om hetgeen gij reeds hebt?" Hier nu bestraft Hij hem om twee dingen. Ten eerste. Omdat hij van zijne bekendheid met Christus niet zulk een goed gebruik heeft gemaakt, als hij gekund had, om een heldere, duidelijke kennis van Hem te verkrijgen. "Hebt gij Mij niet gekend, Filippus, Mij, dien gij zolang gevolgd hebt, en met wie gij zoveel gesproken hebt?" Den eersten dag, waarop Filippus tot Hem kwam, verklaarde hij Hem te kennen als den Messias, Hoofdstuk 1:45, en toch heeft hij tot op dien dag den Vader niet in Hem gekend. Er zijn velen, die goede kennis hebben van de Schrift en van de Goddelijke dingen, en toch tekortkomen in hetgeen met recht van hen verwacht kon worden, omdat zij in hun denkbeelden geen verband weten te brengen en dus niet tot volkomenheid van kennis geraken. Velen kennen Christus, die toch van Hem niet weten wat zij zouden kunnen weten, niet zien wat zij in Hem zouden kunnen zien. Wat dit gebrek aan kennis bij Filippus nog verergerde was, dat hij zo lang en veel gelegenheid heeft gehad om zijne kennis te vermeerderen of te doen rijpen. "Ik ben zo langen tijd met ulieden geweest". Hoe langer wij in het bezit zijn van de middelen om kennis en genade te verkrijgen, hoe minder wij te verontschuldigen zijn zo wij tekortkomen in kennis en genade. Christus verwacht, dat onze bedrevenheid enigermate in overeenstemming zal wezen met de middelen, die wij hadden om haar te verkrijgen, opdat wij niet altijd kinderkens zullen blijven. Laat ons dan bij ons zelven zeggen: "Heb ik gedurende zo langen tijd het Evangelie horen prediken, de Schrift bestudeerd? ben ik reeds zo lang een leerling geweest in de school van Christus, en ben ik toch nog zo zwak in de kennis van Christus, en zo onervaren in het woord der gerechtigheid?" Ten tweede. Hij bestraft hem om zijne gebrekkigheid in de gedane bede: Toon ons den Vader. Veel van de zwakheid van Christus' discipelen blijkt hierin, dat zij "niet weten wat zij zullen bidden, gelijk het behoort", Romeinen 8:26, maar dikwijls kwalijk bidden, Jakobus 4:3 om hetgeen of niet beloofd, of reeds geschonken is in den zin der belofte zoals hier. Hij onderricht hem, en geeft hem een grondregel, die niet slechts in het algemeen Christus verheerlijkt, en ons leidt tot de kennis van God in Hem, maar ook hetgeen Christus had gezegd, vers 7, rechtvaardigt: "Gij kent den Vader en hebt Hem gezien", en antwoordt op hetgeen Filippus had gevraagd: Toon ons den Vader. Die moeilijkheid, zegt Christus, is spoedig overwonnen, want die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien. Ten eerste. Allen, die Christus in het vlees gezien hebben, zouden in Hem den Vader hebben kunnen zien, indien de Satan hun zinnen niet had verblind, en hen weerhouden had van Christus te zien als het beeld Gods, 2 Corinthiërs 4:4. Ten tweede. Allen, die Christus gezien hebben door het geloof, hebben in Hem den Vader gezien, hoewel zij zich daar niet terstond van bewust waren. In het licht van de leer van Christus hebben zij God gezien als den "Vader der lichten, in de wonderen hebben zij God gezien als den God der kracht, den vinger Gods. De heiligheid Gods schitterde in de vlekkeloze reinheid van Christus' leven, en Zijne genade in al de daden van genade, die Hij gedaan heeft.
b. Hij verwijst hem naar hetgeen hij reden had te geloven, vers 10, 11. Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is, dat is, zoals Hij gezegd heeft, Hoofdstuk 10:30, Ik en de Vader zijn een. Hij spreekt van den Vader en van Hem zelven als van twee Personen, die echter zo een zijn, als nooit andere twee een geweest zijn of kunnen zijn. In het kennen van Christus als God uit God, licht uit licht, den waren God uit den waren God, gegenereerd en niet gemaakt, en als een in wezen met den Vader, door wie alle dingen gemaakt zijn, kennen wij den Vader, en door Hem aldus te zien, zien wij den Vader. In Christus aanschouwen wij meer van de heerlijkheid Gods dan Mozes op den berg Horeb van Hem gezien heeft. Zie hier welke drijfveren wij hebben om dit te geloven. Wij moeten het geloven, Ten eerste. Om Zijns woords wille: De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek ik van Mij zelven niet. Zie Hoofdstuk 7:16, Mijne leer is Mijne niet. Wat Hij zei scheen hun als het woord eens mensen, sprekende Zijn eigen gedachten, naar Zijn eigen welgevallen, maar in werkelijkheid was het de wijsheid Gods, die het ingaf, en de wil Gods, die er kracht aan verleende. Hij sprak niet van Hem zelven alleen, maar Hij sprak de bedoeling Gods overeenkomstig de eeuwige raadsbesluiten. Ten tweede. Om Zijns werks wille, de Vader, die in Mij blijft, dezelve doet de werken, gelooft Mij dus om der werken wil. Merk op:
1. De Vader wordt gezegd in Hem te wonen, ho en emoi menoon -Hij blijft in Mij, door de onafscheidelijke vereniging van de Goddelijke en de menselijke natuur, nooit heeft God op aarde zulk een tempel gehad om in te wonen, als het lichaam van den Heere Jezus, Hoofdstuk 2:21. Hier was de ware Shechina, waarvan die in den tabernakel slechts een type was. In Hem heeft al de volheid der Godheid lichamelijk gewoond. Colossenzen 2:9. De Vader woont zo in Christus, dat Hij in Hem gevonden kan worden, zoals een mens gevonden wordt waar hij woont. Zoekt den Heere, zoekt Hem in Christus, en Hij zal gevonden worden, want in Hem woont Hij.
2. Hij doet de werken. Vele werken van macht en werken van barmhartigheid heeft Christus gedaan, en in Hem heeft de Vader ze gedaan, en het werk der verlossing in het algemeen was het eigen werk van God.
3. Wij zijn verplicht dit te geloven om de werken zelf. Gelijk wij het wezen en de volmaaktheden Gods moeten geloven om de werken der schepping, die Zijne heerlijkheid vermelden, zo moeten wij geloven de openbaring Gods aan den mens in Jezus Christus om de werken van den Verlosser, die krachtige, grote werken, die door zich te tonen, Hem tonen en God in Hem, Mattheus 14:2. Christus' wonderen zijn bewijzen van Zijn Goddelijke zending, niet slechts ter overtuiging der ongelovigen, maar ter bevestiging van het geloof Zijner eigen discipelen, Hoofdstuk 2:11, 5:36, 10:37.