17. En de draak vergrimde op de vrouw, dat hij nu niets meer tegen haar kon uitrichten en ging, om zich voor het hele verlies van macht over Israël aan de overige Christenen schadeloos te stellen, heen om strijd te voeren tegen de overigen van haar zaad, want dat zijn toch de Christenen, die uit de heidenen zijn verzameld. Zij zijn in geestelijke zin Abraham's zaad en een Israël van God (
Galaten 3:7;
6:16), omdat zij degenen zijn, die de geboden van God bewaren; en de getuigenis van Jezus-Christus hebben (Hoofdst 6:9; 14:12).
Daarom schikte hij zich naar de bij hem zozeer gehate vorm van de Christelijke kerk en schiep in haar midden een hiërarchie, namelijk het Pausdom. Door deze macht vervolgt hij, zoals de geschiedenis aantoont, niet de Christenen in het algemeen, zoals in de Islam, omdat de zo straks genoemde macht in de Kerk bestaat, maar slechts de overigen, de gelovigen, de bekeerden, die Gods woord bewaren en het getuigenis van Jezus hebben, de overigen te Thyatire, die overwinnen en Zijn werken tot de einde toe bewaren (Hoofdstuk 2:26). Dat is bij de Waldenzen en Albigenzen geschied, zolang de 144000 voor de Reformatie nog niet van het Pausdom afgevallen waren en geschiedt nog, sinds de bisschop van Filadelfia inzag, dat zijn kleine kracht, die tot daarstelling van een gerechtigheid uit de werken, waarmee men toen zoveel ophad, niet voldoende was en alleen aan Gods woord vasthield en de naam van Jezus niet verloochende en daardoor de grondvester van een rechtgelovige gemeente, die de geboden van God en het getuigenis van Jezus houdt, geworden is.
Vers 13-16 meldt het tweede strijdbedrijf een vernieuwing van het gevecht. Satan zoekt schadeloosstelling, maar telkens met ongelukkige uitslag. Hij doet geweld op de vrouw, de Kerk, nu door het Evangelie vastgesteld, in de vervolgingen, zodat die van Nero niet wordt uitgesloten. Zij ontvangt echter kracht en uitnemende snelheid. God begiftigd haar met onnaspeurlijke hoogheid van de wegen, zodat zij anders zwak en machteloos zich aan de woede van haar vijanden en het eindelijk verderf onttrekt. Nu wendt de satan iets anders aan. Hij verwekt, om haar ten onder te brengen, lasteringen, ketterijen, verwoestende volken en vernieuwde vervolgingen; maar tevergeefs, omdat Gods wonderdaden de vrouw te hulp komen. Door vreemde middelen heeft God de dodelijke uitwerkingen van die kwaden verhinderd tot blijdschap van de Kerk en verwondering van de wereld, als door synoden, die de ketterijen stuiten, of inboezeming van geloof in de overstromende volken of aardse machten, als van Constantijn en zijn zonen.
God heeft Zijn verdrukte gemeente nooit verlaten. Hij heeft ze zo getrouw bijgestaan, dat ook het aardrijk de vloed heeft ingedronken, die uit de mond van het serpent geschoten was. Maar ook is de godzaligen hulp gekomen, vanwaar u het nooit vermoed zou hebben.
Hij geeft te kennen, dat de duivel, nadat het Heidendom zou verwoest zijn, niet zou ophouden wreedheid te plegen en te woeden op het menselijk geslacht. Nadat hem de gelegenheid benomen zou zijn om de Christenen op de naam en wegens hun godsdienst meer te vervolgen en te verdrukken, hetgeen hij tot dusverre getracht had te doen in het Roomse rijk, zo zou hij alle macht opwekken, waardoor hij schade en nederlagen zou aanbrengen aan de mensen, ten opzichte van hun tijdelijke en wereldlijke staat, van welke rampen de Christenen, voor zover zij inwoners van de aarde zijn, niet vrij zouden zijn. Hij zou dan verwekken en ophitsen barbaarse volkeren, opdat zij met grote legers zich naar het Romeinse rijk zouden begeven en daaraan grote verwoestingen aanbrengen. Insgelijks zouden zij zelf onder elkaar strijdvoeren en elkaar met grote nederlagen aantasten, die barbaarse volken, uit het Romeinse rijk uitgesloten, weer voorkomen onder de naam van zee; zoals gedurig in dit boek (Hoofdstuk 8:12; 10:2-3), wanneer de aarde tegen de zee wordt overgesteld. Ik twijfel geenszins, of hier wordt gedoeld op de invallen van de Gothen en Vandalen, Hunnen, Perziërs, die de wereld beroerd hebben van de tijd dat het Christendom in het Romeinse rijk zegepraalde en bevestigd was. Die tijd was kort, en echt diezelfde barbaarse volken namen de Christelijke godsdienst aan.
De duivel is niet dan boosheid en kan niets anders dan boosheid uitvoeren; mislukte het hem de mannelijke zoon te doden, werd hij van de troon van de keizer geschopt, kon hij de Kerk door de vloed van dwalingen niet verdrinken, hij behoudt nochtans zijn haat en hoe meer hij zijn oogmerken mist, hoe bitterder hij wordt. Hij mag de Kerk eens grimmig aanzien, maar hij zal haar niet overweldigen, nochtans doet hij wat hij kan. Hij beoorloogd de bijzondere goddelijke belijders van de Heere Jezus dan eens inwendig door zijn listige verleidingen en vurige pijlen, dan door dwalende leringen, dan door het zwaard van de anti-christ, die, van dat hij macht gehad heeft, de bijzondere rechtzinnige kerken en bijzonder godzaligen te vuur en te zwaard heeft vervolgd. En dit zijn werk oefent hij nog en zal het oefenen tot de dag van zijn uitroeiing. Daarnaar heeft iedereen zich te zetten, zich daartegen te wapenen en zich niet vreemd te houden als het hem ontmoet.
OVER HET ZEVENHOOFDIGE DIER VAN DE LASTERING EN HET TWEEHOOFDIGE DIER VAN DE VERLEIDING