10. Als droevig zijnde (
1 Petrus 1:6), maar altijd blij (
Filippenzen 4:4), als arm (
Handelingen 3:6), maar velen rijk makend (
1 Corinthiërs 1:5;
9:11; vgl.
2 Corinthiërs 8:9 als niets hebbend (
Filippenzen 4:13) en nochtans alles bezittend (
1 Corinthiërs 3:22.
Romeinen 8:28,
38 v.).
In de meest verschillende levensomstandigheden en onder de meest tegenover elkaar gestelde ervaringen betonen de apostelen zich als dienaren van God en zijn daardoor tot aanbeveling van hun bediening. Door eer, die zij bij de vrienden van het Evangelie verkrijgen en door oneer, die zij van de tegenstanders verkrijgen, ontvangen zij getuigenis, dienaren van God te zijn. Die het Evangelie aanneemt ondervindt de kracht ervan en zal hen zegenen en prijzen, die deze weldaad hebben aangebracht. Die het Evangelie verwerpt en terugstoot, zal zich toch niet kunnen onttrekken aan het harde oordeel van het woord waardoor zijn geweten getroffen is. Hoe meer de ongelovigen tegen het Evangelie opstaan en hoe woedender hun aanvallen daartegen zijn, des te meer erkennen zij daardoor wat een grote kracht er ligt in de verkondiging, waartegen zij zo sterke middelen aanwenden. Kwade geruchten komen van hen, die vijanden van de waarheid zijn, goede van hen, die vrienden van de zaak van God zijn. Met een "als" voegt Paulus vervolgens een tal van nadere bepalingen aan de kwade en goede geruchten toe, omdat hij het kwade gerucht aanhaalt en wat de wereld ten nadele van de apostelen zegt en daaraan tegenoverstelt de ware toedracht van de zaak en de lof, die hun in waarheid toekomt. Als "verleiders" of dwaalgeesten, zoals ook Christus door de Joden in Mattheus 27:63 een verleider genoemd is, als mensen, die tot dweepachtige en gevaarlijke grondstellingen verlokken en het volk op valse wegen leiden, zijn de apostelen door hun vijanden uitgekreten en in waarheid zijn zij toch "waarachtigen", zij stellen in hun leer de waarheid voor en met hun wandel leven zij in de waarheid. Als "onbekenden" als mensen, die men in hogere kringen niet kende en die met ingebeelde hoogmoed zich slechts hier en daar op onbehoorlijke wijze op de voorgrond stelden, worden de apostelen door hun vijanden voorgesteld en in waarheid zijn zij toch bekenden, mensen, die men goed kent, die in alle landstreken erkend zijn door hen, die hun prediking hebben aangenomen en de kracht van het Evangelie aan zichzelf hebben ervaren. In de volgende tegenstellingen blijft alleen nog in het eerste lid, wat op het "kwaad gerucht" betrekking heeft, in het tweede lid wordt gezegd wat werkelijkheid was; vandaar de vrije constructie "en zie wij leven. " In de uitdrukking "door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht" verkrijgt het "door" werkelijk dezelfde zin, die het in Vers 7 ("door de wapens van de gerechtigheid had, namelijk om het middel te noemen, dat tot bevestiging en aanbeveling van de apostel (Vers 4) in aanmerking komt, alleen met dit gemakkelijk te begrijpen onderscheid, dat de apostel de wapen van de gerechtigheid zelf voert en zich van die in zijn ambt bedient, daarentegen eer en oneer, kwaad en goed gerucht middelen zijn, die God elk op zijn wijze gebruikt, om de loop van Zijn Evangelie bevorderlijk te zijn. Dat toch juist lastering van de waarheid en miskenning van haar dienaars er niet zelden toe heeft moeten diende, om voor haar zodanige harten te openen, die de lof met wantrouwen hadden opgenomen, maar voor de waarheid zelf nog niet geheel waren afgesloten en ertegen verhard, is een ervaring, die in tijden van geestelijke beweging, zo oude als nieuwe, niet zelden terugkeert. Wat nu de apostel van kwaad en goed gerucht heeft gezegd, die de dienaar van Christus treffen, klimt hij steeds in zijn rede op in een zevenvoudige tegenoverstelling van datgene, waarvoor de boden van Christus door de wereld worden gehouden en wat zij in waarheid zijn en wel zo, dat de bedrieglijke schijn, de inbond van het kwaad gerucht altijd vooraan staat, de getuigenis van de waarheid in het tweede lid volgt. Van de beide eerste tegenstellingen: "als verleiders en nochtans waarachtigen, als onbekenden en nochtans bekend", werd reeds gesproken. Nu gaat Paulus voort: "als stervende en zie, wij leven. " Stervend, als het ware altijd stervende zijn zij vanwege het bestendig doodsgevaar, waarin zij verkeren, zodat zij niet alleen voor de wereld, maar ook in hun eigen ogen de zodanige zijn, die reeds een prooi van de dood zijn geworden. Met grote levendigheid valt de apostel in het tweede lid in met het woord: "en zie, wij leven. " De gedurige redding uit de dreigende gevaren en wat hier werkelijk mee in het gebruikte woord ligt, de altijd verse, onverminderde levenskracht, die zich in hun getuigenis en in hun gedrag openbaart, is een krachtige bezegeling van hun zending een bevestiging, dat zij dienaren van God zijn. "Als getuchtigd en niet gedood. " Zij zijn getuchtigd, wat aangaat de schijn, die er bestond, als waren zij een voorwerp van Gods tuchtiging; mensen, in wie God zelf een mishagen had en op wie Hij Zijn plagen legde. De apostel loochent de tuchtiging zelf niet (in de zin, die in Hebreeën 12:5 v. is aangegeven, kan hij zelfs wel toegeven, dat hij die lijdt), maar gedood worden zij niet, de tuchtiging mag het leven niet aanraken, zij mag alleen het leven reinigen, bekrachtigen, verhogen, niet de uiting en de werking ervan verminderen. "Als droevig zijnde, maar altijd blij. " Zij moesten voorkomen als bedroefden, treurigen, wanneer men hun uitwendig lot beschouwde, als men zag, hoe de een droefheid zich op de andere hoopte. Toch zijn zij altijd blij vanwege de Geest, die hen vervult, die hen verheft boven de druk van het lijden, omdat hij het te boven gaat door het gevoel van troostrijk vertrouwen en zegevierende hoop, waarmee Hij hun zielen versterkt (Romeinen 14:17. 1 Thessalonicenzen. 1:6). Een voorbeeld van zodanige vreugde temidden van leed geeft Hand. 16:22 v. "Als arm, maar velen rijk makend. " Hun armoede aan stoffelijke goederen was bekend; Paulus arbeiden met zijn eigen handen (1 Thessalonicenzen 2:9. 2 Thessalonicenzen. 3:8 is daarvoor een vast bewijs. Maar velen worden door hen rijk gemaakt bovenal in geestelijke schatten en bovendien kan ook gedacht worden aan de gaven, waardoor zij de lammen in Handelingen 3:6 v. ; 14:9 v. andere ellendigen redden. "Als niets hebbend en nochtans alles bezittende. " Dat zij niets hadden, is een sterkere uitdrukking voor de straks genoemde armoede. Zij zijn daarin hun Meester gelijk, die niets had om Zijn hoofd op neer te leggen (Mattheus 8:20). Maar ook daarin lijken zij op Hem, dat zij ondanks hun armoede alles bezitten, waarbij wij te denken hebben aan de koninklijke waardigheid van de gezalfden van Christus, gelovigen, krachtens welke reeds nu het schepsel bestemd is om hen te dienen en met hen en omwille van hen eens verheerlijkt te worden, zoals het nu omwille van hen aan de ijdelheid onderworpen is. "Als onbekenden en nochtans bekend. " Ieder waarachtig Christen is tot op zekere hoogte een raadsel voor de ongelovige wereld; het beste in ons wordt doorgaans het minst verstaan en begrepen; "de wereld kent ons niet", zegt Johannes, "omdat zij Hem niet kent. " Toch zijn wij die geloven, naar de geest elkaar niet vreemd, al zagen wij ook hier beneden elkaars aangezicht nooit en samen zijn we schapen van die goede Herder, die het grote Woord heeft gesproken: "Ik ken de Mijne en word door de Mijnen gekend. " "Als stervende en zie, wij leven. " Het geestelijk leven is tegelijk een dagelijks sterven; een afsterven aan onszelf en aan zoveel om ons heen, waaraan vlees en bloed zich verhecht had; geen waarachtig leven, dan dat uit de dood is geboren. En toch niettegenstaande, nee, juist door dat sterven heen, leven wij telkens weer op; wij kennen in gemeenschap met Christus een leven, dat met de jaren niet slijt; er staat op onze akker een plant, die soms flets de bladeren hangen laat, maar toch niet de wortels in een levensgrond kleeft, waarin geen dood haar bereiken kan en ook de storm haar tot hoger levensontwikkeling opvoert. Zo zijn we dan, als getuchtigd, maar niet gedood. Nee, God spaart Zijn tuchtroede ook aan Zijn meest geliefde kinderen niet; ook het gelovig en liefhebbend hart wordt vaak op zeer pijnlijke plaatsen getroffen; soms schijnt het zwaarste kruis voor de zwakste schouders bestemd, maar ziehier weer de lichtkant: wat schijnt te zullen doden, geneest slechts en het gaat als met de brandende braambos van Mozes, doorblaakt, maar niet verteerd, ja groenend in het midden van de vlammen. Wat een wonder, dat het straks ook hier kan heten: "als droevig zijnde, maar altijd blij. " Voor de wereld staan droefheid en blijdschap doorgaans onverzoenlijk tegenover elkaar: de een sluit de andere uit. De Christen heeft ook in zijn gelukkigste dagen nog altijd stof van treuren bij de blik op zichzelf en zoveel zonde en ellende rondom hem; maar zelfs in het uur van de diepste smart kan zich nog een glimlach van geloof en hoop temidden van de tranen vertonen. Altijd kan hij innerlijk blij zijn, als hij aan zijn God, zijn Heiland, zijn erfenis in de hemel denkt; tegenover al wat drukt en dreigt staat één groot Nochtans, waartoe de ziel telkens terugkeert en waaraan zij in leven en sterven genoeg heeft. Als arm zijn wij daarom, maar velen rijk makend; zo arm in onszelf vaak aan wijsheid, vrede en kracht, dat wij ter goeder trouw kunnen twijfelen of er wel behoeftiger en ellendiger zijn en daarbij komt soms aardse behoefte en zorg, terwijl de wereldling in overvloed zwelgt. Geen nood, bij alle in- en uitwendige armoede zijn we nog rijk, voor zoveel wij Hem hebben, in Wie alle schatten beide voor tijd en eeuwigheid tegelijk zijn verborgen en verkrijgbaar gesteld; ja van onze armoede kunnen wij nog aan anderen mededelen. Een Paulus, die door liefdegaven ondersteund worden moest, hoevelen heeft hij rijk voor de hemel gemaakt! "Als niets hebbend en nochtans alles bezittend", het mag dan ook onze slotsom zijn zowel als de zijne: "Niets in onszelf en toch alles in de belofte en daarin de vervulling eenmaal, waar Jezus zelf tot Zijn verhoogde vrienden zal spraken: "Al het Mijne is het uw. "
Zolang de Christenen op aarde zijn, moet de waard (de wereld) van de gast genot hebben, zoals ook weer de gaat, dat is de Christenheid, het ontgelden moet, zolang hij hier is.
Deze gehele afdeling van Vers 4, zo uitstekend in volheid en levendigheid van optelling, in kracht en scherpte van tegenstellingen, in evenredigheid van leden, in rijkdom van inhoud, in onderscheidenheid van vorm en in frisheid en helderheid van het gehele beeld, wordt met recht door de uitleggers als een van de schoonste bloesems van Paulinische welsprekendheid bewonderd. De inhoud heeft echter de grootste waarde, die een grootse en rijke omtrek van ambtslijden, deugden en zegen van de prediker van het Evangelie een pastoraal-theologie in het kort ons geeft.
b. Vers 11 - Hoofdstuk 7:1. Nu volgt de toepassing van de vermaning in Vers 1 v. op de bijzondere omstandigheden van de Corinthiërs, hoe zij zich onder deze moesten gedragen, om de genade van God niet tevergeefs ontvangen te hebben. Aan deze gaat echter nog eerst een uitstorting van het hart van de apostel vooraf. In deze horen wij nog een naklank van de gemoedsbeweging, door de voorafgegane schildering in het leven geroepen. Aan de andere kant wordt de waarschuwing en vermaning ingeleid, waarvoor het nodig was, dat vooraf de geschokte betrekking tussen de apostel en de gemeente hersteld en opnieuw bevestigd werd, opdat wat hij te zeggen had bij hen ingang en gewillige opname mocht vinden (Vers 11-13). Wat Paulus tegenover de Corinthiërs op het hart heeft, bestaat in de eerste plaats in de ernstige waarschuwing tegen onbehoorlijke gemeenschap met de heidenen en het mede verrichten van heidense zaken. In de wijze, waarop deze waarschuwing door een vijfvoudige gewetensvraag wordt op het hart gedrukt, is nog duidelijk de voortwerkende verheffing van de rede op te merken, die is de vorige afdeling en in de inleiding van dit gedeelte wordt gevonden. De vijfde vraag geeft vervolgens gelegenheid, om de dierbaarste beloften van God uit Mozes en de profeten de Christenen toe te eigenen en daaruit aanleiding te nemen tot een ernstige en roerende vermaning (Vers 14-Hoofdstuk 7:1)