Handelingen 1:6-11
Christus had Zijne discipelen door Zijn engel bescheiden om Hem in Galilea te ontmoeten, en dáár heeft Hij hen voor een bepaalden dag weer naar Jeruzalem bescheiden. Aldus wilde Hij hun gehoorzaamheid op de proef stellen, en Hij heeft haar bereid en blijmoedig bevonden, zij waren samengekomen, zoals Hij het bepaald had, om de getuigen te zijn van Zijne hemelvaart, waarvan wij hier het bericht hebben. Merk op:
I. De vraag, die zij Hem bij die samenkomst hebben gedaan. Zij kwamen te zamen tot Hem, zij hadden over de vraag met elkaar beraadslaagd, en waren overeengekomen haar te doen. Zij kwamen allen, en deden de vraag in aller naam: Heere! zult Gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk weder oprichten? Dit kan beschouwd worden op tweeërlei wijs:
1. "Gij zult het voorzeker niet voor de tegenwoordige heersers over Israël weder oprichten, voor de overpriesters en de ouderlingen, die U ter dood hebben gebracht, en om dit te kunnen doen, het koninkrijk gedwee aan den keizer hebben overgegeven, en zich als zijne onderdanen hebben erkend. Hoe! Zouden zij, die U en ons haten en vervolgen, met macht bekleed worden? Dat zij verre van U!" Of liever:
2. "Voorzeker zult Gij het thans weder oprichten voor de Joodse natie, in zoverre zij zich aan U, als hun Koning, willen onderwerpen." Nu waren in deze vraag twee verkeerde dingen:
A. Hun verwachting van de zaak zelf. Zij dachten, dat Christus Israël het koninkrijk weder oprichten zou, dat is: dat Hij het volk der Joden weer even groot en aanzienlijk zou maken onder de natiën, als het in de dagen van David en Salomo, van Asa en Josafat geweest is, dat Hij, als de Silo, den scepter zou weder herstellen voor Juda, en den wetgever, terwijl Christus gekomen is om Zijn eigen koninkrijk op te richten, en dat dit een koninkrijk der hemelen was, maar niet om aan Israël het koninkrijk-een aards koninkrijk-weer op te richten. Zie hier: Ten eerste. Hoe zelfs vrome mannen geneigd zijn om het welzijn der kerk maar al te veel in uitwendige pracht en macht te zoeken, alsof Israël niet heerlijk kon zijn, of het koninkrijk moet hun weder opgericht worden, en dat Christus' discipelen niet geëerd konden wezen, of zij moesten rijksgroten zijn, terwijl ons toch gezegd is, in deze wereld het kruis te verwachten, en naar het koninkrijk uit te zien in de andere wereld.
Ten tweede. Hoe geneigd wij zijn om vast te houden aan hetgeen wij van kindsbeen af hebben geleerd, en hoe moeilijk het is om ons van de vooroordelen onzer opvoeding los te maken. De discipelen hadden het met de moedermelk ingezogen, dat de Messias een aards Vorst zou zijn, en het duurde lang eer zij er toe gebracht konden worden om een denkbeeld te hebben van Zijn koninkrijk, als zijnde van geestelijken aard. Ten derde. Hoe natuurlijk wij vooringenomen zijn ten gunste van ons eigen volk. Zij dachten, dat God geen koninkrijk in de wereld zou hebben, tenzij het aan Israël weer opgericht werd, terwijl toch al de koninkrijken dezer wereld Zijner zouden worden, waarin Hij wordt verheerlijkt, wat dan ook het lot van Israël moge zijn. Ten vierde. Hoe onderhevig wij er aan zijn om de Schrift verkeerd op te vatten-in letterlijken zin te verstaan wat zinnebeeldig gesproken is, en de Schrift te verklaren in overeenstemming met onze plannen en bedoelingen, terwijl wij onze plannen moesten vormen naar de Schrift. Maar als de Geest van boven zal uitgestort zijn, dan zullen onze vergissingen hersteld worden, zoals die van de apostelen hersteld zijn. B. Hun vraag betreffende den tijd er van: "Heere, zult Gij het doen in dezen tijd? Hebt Gij ons samen geroepen met het doel om gepaste maatregelen te beramen van de wederherstelling van het koninkrijk van Israël? Er kan voorzeker geen beter tijdstip voor wezen ". Hierin nu hebben zij hun doel gemist, want zij waren al te nieuwsgierig naar hetgeen waarnaar hun Meester hun nooit gezegd had te vragen. Zij waren begerig naar de oprichting van het koninkrijk, waarin zij zich zo groot een aandeel beloofden, en zij wilden het Goddelijk raadsbesluit vooruitlopen. Christus had hun gezegd, dat zij zullen zitten op tronen, Lukas 22:30, en nu kan niets hen voldoen, of zij moeten terstond op den troon zijn, en kunnen den tijd niet afwachten, terwijl toch hij, die gelooft, niet zal haasten, maar overtuigd is, dat Gods tijd de beste tijd is.
II. Hoe Christus hen bestrafte wegens deze vraag, zoals Hij Petrus bestraft had wegens zijne vraag betreffende Johannes: Wat gaat het u aan? Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, vers 7. Hij weerspreekt hun verwachting niet, dat aan Israël het koninkrijk weder opgericht zal worden, omdat die vergissing weldra hersteld zal worden door de uitstorting des Heiligen Geestes, waarna zij nooit meer aan een tijdelijk, of aards, koninkrijk hebben gedacht, en ook omdat die verwachting in zekeren zin recht is, nl. in den zin van de oprichting van het Evangelie-koninkrijk in de wereld, en dat zal door hun vergissing niet verhinderd, of te niet gedaan worden, maar Hij bestraft hun vragen naar den tijd.
1. Het is hun niet vergund dit te weten: Het komt u niet toe te weten, en daarom komt het u niet toe te vragen. Christus zal nu van hen scheiden, van hen scheiden in liefde, en toch geeft Hij hun deze bestraffing, welke bedoeld is als ene waarschuwing aan Zijne kerk om wèl toe te zien, en zich niet te stoten aan den steen, die zo noodlottig was voor onze eerste ouders-ene ongeregelde begeerte naar verboden kennis, een zich indringen in de dingen, die wij niet gezien hebben, omdat God ze ons niet heeft getoond. Het is dwaas om wijs te willen wezen boven hetgeen geschreven is, en het is verstandig om tevreden te wezen met niet wijzer te zijn. Christus heeft Zijnen discipelen veel kennis gegeven boven anderen (Het is u gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten), en Hij had hun Zijn Geest beloofd, om hun nog meer te leren. Opdat zij nu niet opgeblazen zouden worden door de veelheid en de uitnemendheid der openbaringen, geeft Hij hun hier te verstaan, dat er dingen waren, die het hun niet toekwam te weten. Wij zullen zien, hoe weinig reden wij hebben om trots te wezen op onze kennis, als wij bedenken hoeveel er is, waarvan wij niets weten. Christus had Zijnen discipelen, zowel voor Zijn dood als na Zijne opstanding, onderricht gegeven, dat volkomen volstond voor het betrachten van hun plicht, en Hij wil, dat zij met deze kennis tevreden zullen zijn, want zij is genoeg voor een Christen, in wie ijdele nieuwsgierigheid ene verdorvene gemoedsgesteldheid is, die wèl gedood, maar niet bevredigd moet worden. Christus zelf had met Zijne discipelen gesproken over de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, en hun beloofd, dat de Geest hun de toekomende dingen zal verkondigen, Johannes 16:13. Hij had hun ook tekenen der tijden gegeven, op welke te letten hun plicht was, en welke voorbij te zien zonde was, Mattheus 24:33, 16:3. Maar zij moeten noch verwachten, noch begeren, om, hetzij al de bijzonderheden, hetzij den juisten tijd, van toekomstige gebeurtenissen te kennen. Het is goed voor ons om in het duister en in onzekerheid gehouden te worden omtrent de "tijden en ogenblikken" (zoals Dr. Hammond hier leest) van toekomstige gebeurtenissen betreffende de kerk, zowel als betreffende ons zelven. Omtrent de verschillende jaargetijden weten wij in het algemeen, dat er zomer en winter zal zijn, maar wij weten niet, op welken dag wij fraai weer zullen hebben, of op welken anderen dag er onstuimig weer zal zijn, hetzij in den zomer of in den winter, en evenzo weten wij ten opzichte van onze wereldlijke zaken niet, of het een zomertijd van voorspoed zal zijn, opdat wij ons aan gene verkeerde gerustheid zullen overgeven. Er wordt ons gezegd, dat er een wintertijd van benauwdheid komen zal, en opdat wij ons nu in dien winter niet aan wanhoop zullen overgeven, wordt ons verzekerd, dat de zomer zal wederkeren, maar wat deze of die bijzondere dag zal opleveren, kunnen wij niet zeggen, weten wij niet, wàt hij ons ook moge brengen, wij zullen er ons naar hebben te schikken.
2. De kennis hiervan heeft God zich als Zijn kroonrecht voorbehouden, de Vader heeft haar in Zijne eigene macht gesteld, zij is in Hem verborgen. Niemand, buiten Hem, kan de toekomstige tijden en gelegenheden openbaren.
Gode zijn al Zijne werken bekend, maar niet ons, Hoofdstuk 15:18. Het is in Zijne macht, en in de Zijne alleen, om van den beginne aan het einde te verkondigen, en hiermede bewijst Hij zich God te zijn, Jesaja 46:10. "En hoewel Hij het voegzaam oordeelde, om aan de Oud-Testamentische profeten soms de tijden en gelegenheden te doen weten (zoals van Israël's dienstbaarheid in Egypte gedurende vier honderd jaren, en hun gevangenschap in Babylon gedurende zeventig jaren), heeft Hij het toch niet voegzaam geoordeeld, om u de tijden en gelegenheden te doen weten, hoe lang het duren zal eer Jeruzalem verwoest zal worden, hoewel gij zo wel verzekerd zijt van de zaak zelf. Hij heeft niet gezegd, dat Hij u iets meer zal doen weten van de tijden en gelegenheden, dan gij weet". Later heeft Hij dit gedaan aan Zijn' dienstknecht, Johannes, " maar Hij heeft het in Zijne eigene macht gesteld om het te doen, of niet te doen, al naar Hij het goed vindt". En hetgeen in deze Nieuw-Testamentische profetie omtrent de tijden en gelegenheden geopenbaard wordt is zo duister en moeilijk te begrijpen, dat, als wij het willen toepassen, het van belang voor ons is te gedenken, dat het niet betaamt om met beslistheid de tijden en gelegenheden te bepalen.
III. Hij schrijft hun hun werk voor en verzekert hun, dat zij de bekwaamheid zullen hebben, om er mede voort te gaan, en dat zij er voorspoedig in zullen zijn. Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden -het zou u geen goed doen, maar weet dit: vers 8, gij zult geestelijke kracht ontvangen door de nederdaling des Heiligen Geestes op u, en gij zult haar niet te vergeefs ontvangen, want gij zult Mijne getuigen zijn, en getuigen zijn van Mijne heerlijkheid, en uw getuigenis zal niet te vergeefs zijn, want het zal ontvangen worden hier in Jeruzalem, en in het omliggende land, en tot aan het uiterste der aarde". Als Christus ons dienstbaar maakt aan Zijne eer en heerlijkheid in onze dagen en in ons geslacht, zo laat dit ons genoeg zijn, en laten wij ons dan niet kwellen en in verwarring brengen omtrent toekomende tijden en gelegenheden.
Christus zegt hun hier: 1. Dat hun werk eervol en heerlijk zal wezen: Gij zult Mijne getuigen zijn.
A. Zij zullen Hem uitroepen als Koning, en die waarheden verkondigen in de wereld, door welke Zijn koninkrijk zal opgericht worden, en door welke Hij zal regeren. Zij moeten plechtig en openlijk Zijn Evangelie prediken in de wereld.
B. Zij zullen dit bewijzen, en hun getuigenis bevestigen, niet, gelijk getuigen plegen te doen, met een eed, maar met het Goddelijk zegel van wonderen en bovennatuurlijke gaven. Gij zult martelaren voor mij zijn, of, gij zult Mijne martelaren zijn, zoals die tekst in sommige handschriften luidt, want zij betuigden de waarheid van het Evangelie met hun lijden, ja met hun dood. 2. Dat hun kracht voor dit werk volstaan zal. Zij hadden er gene eigene kracht voor, gene wijsheid en geen moed, zij waren van nature het zwakke en het dwaze der wereld, zij durfden niet als getuigen voor Christus optreden bij Zijn verhoor, en ook nu waren zij hiertoe nog niet bekwaam. "Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal. Gij zult bezield en aangedreven worden door een beteren geest dan uw eigen geest is, gij zult kracht hebben om het Evangelie te prediken, en er de waarheid van te bewijzen uit het Oude Testament" (hetgeen zij, toen zij vervuld waren van den Heiligen Geest, op bewonderenswaardige wijze gedaan hebben, Hoofdstuk 18:28)," en het door wonderen en door lijden te bevestigen". Christus' getuigen zullen kracht ontvangen voor het werk, waartoe Hij hen roept, die door Hem in Zijn dienst gebruikt worden, zal Hij er bekwaam toe maken, en er hen in door helpen.
3. Dat hun invloed groot en zeer uitgebreid zal zijn. Gij zult getuigen zijn van Christus, en Zijne zaak bepleiten:
A. "In Jeruzalem, dáár moet gij beginnen, en dáár zullen velen uw getuigenis aannemen, en die het niet doen, zullen dan zonder verontschuldiging gelaten worden".
B. "Van dáár zal uw licht schijnen door geheel Judea, waar gij te voren te vergeefs hebt gearbeid".
C. "Van dáár zult gij voortgaan naar Samaria, hoewel het u bij uwe eerste zending verboden was om in enige stad der Samaritanen te prediken".
D. "De zegen uwer werkzaamheid zal reiken tot aan het uiterste der aarde, gij zult een zegen wezen voor geheel de wereld".
IV. Hun deze instructies gegeven hebbende, verlaat Hij hen, vers 9 :Als Hij dit gezegd had, alles gezegd had, wat Hij had te zeggen, zegende Hij hen (dat wordt ons meegedeeld in Lukas 24:50), en nu werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, terwijl zij hun ogen op Hem gevestigd hadden, Zijn zegen ontvangende. Gradueel werd Hij opgenomen, en ene wolk nam Hem weg van hun ogen. Wij hebben hier Christus' opvaren naar de hoogte, niet, gelijk Elia, afgehaald met een vurigen wagen en vurige paarden, maar oprijzende naar den hemel, zoals Hij oprees uit het graf, zuiver en alleen door Zijne eigene kracht, daar Zijn lichaam thans, gelijk de lichamen der heiligen zijn zullen bij de opstanding, een geestelijk lichaam was, opgewekt in kracht en onverderfelijkheid. Merk hier op:
1. Hij begon Zijne hemelvaart voor de ogen Zijner discipelen, daar zij het zagen. Zij hebben Hem niet uit het graf zien komen, omdat zij Hem na Zijne opstanding zien zouden, hetgeen ene genoegzame overtuiging voor hen was, maar zij zagen Hem opvaren naar den hemel, terwijl zij met grote oplettendheid en ernst op Hem zagen, zodat zij zich niet konden bedriegen. Waarschijnlijk is Hij niet snel opwaarts gevlogen, maar bewoog Hij zich zachtkens, ter meerdere voldoening en overtuiging Zijner discipelen.
2. Hij verdween van voor hun ogen, in ene wolk, hetzij in ene zware wolk, want God zei, dat Hij in donkerheid zou wonen, of wel in ene heldere, lichtende wolk, om den glans van Zijn verheerlijkt lichaam te kennen te geven. Het was ene heldere wolk, die Hem overschaduwde bij Zijne verheerlijking op den berg, en hoogstwaarschijnlijk was dit ook zulk ene wolk, Mattheus 17:5. Waarschijnlijk heeft deze wolk Hem ontvangen , toen Hij ongeveer zo ver was gekomen van de aarde, als waar de wolken gewoonlijk zijn, maar het was toch niet zulk ene zich uitbreidende wolk, als wij gewoonlijk zien, maar die groot en rui m genoeg was om Hem te. omvatten. Nu heeft Hij van de wolken Zijn wagen gemaakt, Psalm 104:3. God is dikwijls neergekomen in ene wolk, nu is Hij in ene opgevaren. Dr. Hammond is van mening, dat de wolken, die Hem hier wegnamen, de engelen waren, die Hem ontvingen, want het verschijnen van engelen wordt gewoonlijk omschreven door een wolk, Exodus 25:22, Leviticus 16:2. Door de wolken wordt ene soort van gemeenschap onderhouden tussen de bovenwereld en de lagere wereld, daarmee worden dampen opgezonden van de aarde, en wordt de dauw neder gezonden van den hemel. Zeer voegzaam dus stijgt Hij op in ene wolk, die de Middelaar is tussen God en den mens, door wie Gods zegeningen nederdalen op ons, en onze gebeden opgaan tot Hem. Dat was het laatste, hetwelk van Hem gezien werd. De ogen van zeer vele getuigen volgden Hem in de wolk, en zo wij willen weten, wat er toen met Hem geschied is, dan kunnen wij zien in Daniël 7:13, dat er een kwam met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden hem voor dezelve naderen.
V. Toen Hij buiten hun gezicht was gekomen, bleven de discipelen hun ogen nog op den hemel gericht houden, vers 10, en dat wel langer dan zij moesten. En waarom?
1. Het was wellicht, omdat zij hoopten, dat Christus zo aanstonds weer tot hen zou terugkeren, om aan Israël het koninkrijk op te richten, en er afkerig van waren om te geloven, dat zij nu voor goed van Hem gescheiden waren, zo zeer waren zij nog aan Zijne lichamelijke tegenwoordigheid gehecht, hoewel Hij hun gezegd had, dat het hun nut was, dat Hij wegging. Of, zij zagen Hem na, in twijfel zijnde, of Hij niet misschien neergeworpen zou worpen, zoals de zonen der profeten dit dachten van Elia, 2 Koningen 2:16, en dat zij Hem alzo terug zouden erlangen.
2. Zij dachten misschien enigerlei verandering te zullen zien in den zichtbaren hemel bij Christus' opvaren, hetzij dat de zon beschaamd, of de maan schaamrood zou worden, Jesaja 24:23, als zijnde overschitterd door Zijn glans, of liever, dat zij enig teken van juichende blijdschap zouden tonen, of wellicht dachten zij een blik te kunnen slaan in de heerlijkheid van den onzichtbaren hemel, toen dezen zich opende om Hem te ontvangen. Christus had hun gezegd, dat zij den hemel zullen zien geopend, Johannes 1:52. En waarom zouden zij dit dan nu niet zien?
VI. Er verschenen hun twee engelen, die hun ene boodschap van God brachten. Er was ene wereld van engelen gereed, om onzen Verlosser te ontvangen, nu Hij Zijn openbaren intocht deed in het Jeruzalem hier Boven. Wij kunnen onderstellen, dat deze twee ongaarne daarvan afwezig waren, maar om te tonen, hoe Christus de belangen van Zijne kerk op aarde op het harte droeg, zond Hij twee van de engelen, die Hem tegemoet waren gekomen, aan Zijne discipelen. Zij verschenen hun als twee mannen in witte kleding, helder en blinkend, want naar den plicht van hun ambt weten zij, dat zij in waarheid Christus dienen, als zij Zijnen dienstknechten op aarde dienst bewijzen. Nu wordt ons hier meegedeeld wat de engelen tot hen zeiden:
1. Om hun nieuwsgierigheid te beteugelen: Gij Galilese mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel? Hij noemt hen Galilese mannen, om hen te doen gedenken aan den rotssteen, waaruit zij gehouwen zijn. Christus had hun grote eer aangedaan door hen tot Zijne gezanten aan te stellen, maar zij moeten gedenken, dat zij mensen zijn, aarden vaten, Galilese mannen, ongeletterde mensen, op wie met minachting wordt neergezien. Nu zeggen zij: Wat staat gij hier, als Galileërs, als ruwe, onbeschaafde mensen, en ziet op naar den hemel? Wat begeert gij te zien? Gij hebt alles gezien, waarvoor gij samengeroepen waart, waarom wilt gij nu nog meer zien? Wat staat gij en ziet op, als mensen, die verschrikt en verlegen zijn, verbaasd en ten einde raad?" Christus' discipelen behoren nooit aldus te staan en te staren, omdat zij een vasten regel hebben, om er zich naar te gedragen, en een vast fondament om op te bouwen.
2. Om hun geloof te bevestigen in Christus' wederkomst. Hun Meester had hun dit dikwijls gezegd, en nu zijn de engelen ter rechter tijd gezonden, om het hun in herinnering te brengen: Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, en dien gij aldus nastaart, wensende Hem weer bij u te hebben, is niet voor altijd weggegaan, want er is een dag bepaald, waarin Hij op dezelfde wijze van daar zal wederkomen, als gij Hem derwaarts henen hebt zien gaan, en voor dien bestemden dag moet gij Hem niet terug verwachten.
A. Deze Jezus zal in eigen Persoon wederkomen, bekleed met een verheerlijkt lichaam, deze Jezus, die eens gekomen is, om de zonde te niet te doen door Zijn zelfs offerande, zal ten anderen male gezien worden zonder zonde, Hebr. 9:26, 28, die eens in schande en versmaadheid is gekomen om geoordeeld te worden, zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen. Deze Jezus, die u uwen last heeft opgedragen, zal wederkomen om u rekenschap te vragen van de wijze, waarop gij u er van gekweten hebt, Hij, en geen ander, geen' vreemde, Job 19:27.
C. Hij zal alzo komen. Hij is heengegaan in ene wolk, vergezeld van engelen, en ziet, Hij komt met de wolken en vele duizenden van engelen! Hij is opgevaren met gejuich, met geklank der bazuin, Psalm 47:5, en Hij zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel, 1 Thessalonicenzen 4:16. Gij hebt Hem nu in de wolken en in de lucht uit het oog verloren, en waar Hij heengegaan is, kunt gij Hem nu niet volgen, maar dan zult gij het, als gij zult opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet. Als wij staan te staren en te beuzelen, dan moet de gedachte aan des Heeren wederkomst ons opwekken en verlevendigen, en als wij staan te staren en te beven, dan behoort die gedachte ons te bemoedigen en te vertroosten.