Lukas 1:5-25
De twee voorgaande evangelisten hebben beiden hun Evangelie doen aanvangen met den doop van Johannes en zijne prediking, welke begon omstreeks zes maanden voordat onze Zaligmaker Zijn openbaar dienstwerk heeft aangevangen, (en nu de zaken zo dicht tot het punt van een grote verandering waren gekomen, waren zes maanden een lange tijd, terwijl die tevoren slechts als een korten tijd beschouwd zouden zijn). En daar nu deze evangelist een meer omstandig verhaal wilde geven van onzes Heilands ontvangenis en geboorte, dan totnutoe gegeven was, besluit hij om evenzo omtrent Johannes de Doper te handelen, die in alles Zijn voorloper is geweest, de morgenster voor de Zon der gerechtigheid. De evangelist doet dit, niet slechts omdat men gaarne iets weten wil omtrent de afkomst en de eerste dagen van hen, die later blijken grote mannen te zijn, maar ook omdat bij het begin van dezen veel wonderbaarlijke dingen geschied zijn, en er voortekenen waren van hetgeen zij later bleken te wezen. Onze door Gods Geest geleide geschiedschrijver begint in deze verzen zijn verhaal met de ontvangenis van Johannes de Doper. Wij hebben te letten op:
I. Het bericht omtrent zijne ouders, vers 5. Zij leefden in de dagen van Herodes, den koning, die een vreemdeling was, en door de Romeinen als onderkoning was aangesteld, daar Judea kort tevoren ene provincie van het Romeinse rijk was geworden. Dit wordt opgemerkt om te tonen, dat de scepter volkomen van Juda was geweken, en dat het nu de tijd was, wanneer volgens de profetie van Jakob, Genesis 49:10, de Silo moest komen. Het geslacht van David was nu gezonken en tot het punt gekomen, waar het weer herleven en bloeien zou in den Messias. Niemand moet wanhopen aan de opwekking en bloei van den Godsdienst, ook dan niet, als de burgerlijke vrijheden verloren zijn. Israël is tot slavernij gebracht, maar nu komt Israël's heerlijkheid. De vader van Johannes de Doper was een priester, een zoon van Aäron, zijn naam is Zacharias. Geen geslacht ter wereld is ooit zo door God geëerd, als het geslacht van Aäron en David, met het ene werd het verbond van het priesterschap aangegaan, met het andere dat van het koningschap. Beiden hadden zij hun ere verbeurd, maar het Evangelie brengt in de latere dagen wederom eer over beiden, op dat van Aäron in Johannes de Doper, op dat van David in Christus, en daarna gingen beiden teniet. Christus was uit het huis van David, Zijn voorloper uit het huis van Aäron, want zijn priesterlijke werkzaamheid en invloed baanden den weg voor Zijn koninklijk gezag en waardigheid. Deze Zacharias was van de dagorde van Abia. Toen het geslacht van Aäron in David's tijd zich vermenigvuldigde, heeft hij ze ter bevordering van een geregelde uitoefening van hun ambt in vier en twintig orden verdeeld, opdat de dienst nooit verzuimd zou worden uit gebrek aan dienaren, of ook slechts aan enkelen in handen zou komen. De achtste van deze was die van Abia, 1 Kronieken 24:10, die afstamde van Eleazar, den oudsten zoon van Aäron, maar Dr. Lightfoot spreekt het vermoeden uit, dat velen van de priestergeslachten gedurende de ballingschap verloren zijn gegaan, zodat zij na hun terugkomst die van andere families hebben opgenomen, welke de namen der hoofden van de onderscheidene orden behielden. Ook de huisvrouw van dezen Zacharias was van de dochters van Aäron, haar naam was Elizabeth, dezelfde naam als Eliseba, de vrouw van Aäron, Exodus 6:22. Josephus zegt dat de priesters zeer strikt waren om te huwen in hun eigen stam, ten einde de priesterschap zonder vermenging in stand te houden. Hetgeen nu van Zacharias en Elizabeth wordt opgemerkt is:
1. Dat zij beiden zeer Godvruchtig waren, vers 6. Zij waren beiden rechtvaardig voor God. Zij waren dit in de ogen van Hem, wiens oordeel voorzeker naar waarheid is, zij waren het wezenlijk en in oprechtheid. Diegenen zijn in waarheid rechtvaardig, die dit zijn voor God, zoals Noach in zijn geslacht, Genesis 7..: 1. Zij maakten zich Gode behaaglijk, en het heeft Hem genadiglijk behaagd hen aan te nemen. Het is zeer gelukkig, als zij, die door het huwelijk saamverbonden zijn, beiden "den Heere aanhangen", en inzonderheid is het nodig, dat de priesters, des Heeren dienstknechten, met hun echtgenoten, hun levensgezellinnen, rechtvaardig zijn voor God, opdat zij voorbeelden der kudde zijn en hun hart verblijden. Zij wandelden in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.
a. Hun rechtvaardig zijn voor God bleek uit hun wandel. Zij toonden het, niet door hun spreken, maar door hun werken, door hun wijze van leven, en door den regel, waarnaar zij leefden.
b. Zij bleven zich in alles gelijk, want hun oefeningen der Godsvrucht waren in overeenstemming met hun wandel. Zij wandelden niet slechts in de rechten, of inzettingen, des Heeren, die betrekking hadden op den Goddelijken eredienst, maar ook in de geboden des Heeren, die betrekking hebben op een goeden levenswandel.
c. Zij betoonden een algemene gehoorzaamheid, niet alsof zij nooit op enigerlei wijze tekort kwamen in hun plicht, maar het was hun voortdurend streven om er ten volle aan te beantwoorden.
d. Hierin waren zij wel niet zondeloos maar wel onberispelijk, niemand kon hun een openlijke, ergerlijke zonde ten laste leggen. Zij leidden een eerlijk, onergerlijk leven, zoals het aan leraren en hun gezin zeer bijzonder betaamt, opdat de bediening niet gelasterd worde.
2. Dat zij lang kinderloos geweest zijn, vers 4. Kinderen zijn een erfdeel des Heeren. Maar er zijn velen onder Zijn gehuwde erfgenamen, aan wie dit erfdeel ontzegd is, zij zijn een kostelijke, begerenswaardige zegen, maar er zijn velen, die rechtvaardig zijn voor God en die, indien zij kinderen hadden, ze zouden opvoeden in Zijne vreze, maar die daarmee toch niet gezegend zijn, terwijl de lieden, die van de wereld zijn, overvloeien van kinderen, Psalm 17:14 en hun jonge kinderen uitzenden als ene kudde, Job 21:11. Elizabeth was onvruchtbaar, en zij begonnen er aan te wanhopen ooit kinderen te zullen krijgen, want zij waren verre op hun dagen gekomen, op een leeftijd, wanneer vrouwen die het vruchtbaarst waren, ophouden te baren. Veel uitnemende personen zijn geboren uit moeders, die lang kinderloos zijn geweest, zoals Izaak, Jakob, Jozef, Simson, Samuël, en hier Johannes de Doper, ten einde hun geboorte des te merkwaardiger en de zegen er van des te kostelijker zou zijn voor hun ouders, en om te tonen dat, als God Zijn volk lang laat wachten op den zegen, het Hem soms behaagt om hen te belonen voor hun geduld, door de waardij er van te verdubbelen, als hij komt.
II. De verschijning van een engel aan zijn vader, Zacharias, toen hij het priesterambt bediende in den tempel, vers 8-11. Zacharia, de profeet, was de laatste van het Oude Testament, die met engelen omging, en Zacharias, de priester, de eerste in het Nieuwe Testament. Merk op:
1. Hoe Zacharias bezig was in den dienst van God, vers 8. Hij bediende het priesterambt voor God, in de beurt zijner dagorde. Het was de week zijner wacht, en hij bevond zich op zijn post. Hoewel zijn gezin niet was opgebouwd, en niet groeide of bloeide, heeft hij toch nauwgezet op zijne plaats en op den voor hem bestemden tijd zijn werk gedaan. Ofschoon wij de verlangde zegeningen niet hebben ontvangen, moeten wij ons toch stipt en nauwkeurig aan den ons opgelegden plicht houden, en in ons naarstig waarnemen daarvan kunnen wij hopen, dat zegen en vertroosting ten laatste tot ons zullen komen. Nu was het Zacharias ten lote gevallen, om in deze week zijner wacht des morgens en des avonds te reukoffers, gelijk evenzo de andere diensten aan de andere priesters ten lote waren gevallen. De diensten werden geregeld naar het lot, opdat sommigen ze niet zouden weigeren, en anderen ze niet voor zich alleen zouden nemen, en opdat, wijl het gehele beleid van het lot van den Heere is, zij de overtuiging en voldoening zouden hebben van door den Heere tot hun werk geroepen te zijn. Dit was niet het reuk- offeren van den hogepriester op den verzoendag, gelijk sommigen gedacht hebben, en daarnaar den tijd van onzes Heilands geboorte meenden te kunnen berekenen, maar het is duidelijk dat het het dagelijkse reukoffers was op het altaar des reukoffers, vers 11, dat zich in den tempel bevond, vers 9, en niet in het heilige der heiligen, waarin de hogepriester inging. De Joden zeggen dat dezelfde priester geen twee maal in geheel zijn leven reukofferde (zij waren zo talrijk), tenminste nooit meer dan ene week. Het is waarschijnlijk, dat dit op een sabbatdag was, want er was ene menigte des volks, vers 10, hetgeen gewoonlijk niet het geval was op een werkdag, en aldus eert God gewoonlijk Zijn dag. En als, naar Dr. Ligthfoot met behulp der Joodse kalenders berekent, deze dagorde van Abia op den zeventienden dag der derde maand viel, de maand Sivan, overeenkomende met een deel van Mei en van Juni, dan is het opmerkenswaardig, dat het gedeelte der wet en der profeten, dat op dezen dag in de synagogen gelezen werd zeer in overeenstemming was met hetgeen toen in den tempel voorviel, namelijk de wet op de Nazareeërs, Numeri 6, en de ontvangenis van Simson, Richteren 13.. Terwijl Zacharias nu reukofferde in den tempel, was al de menigte des volks buiten, biddende, vers 10. Dr. Lightfoot zegt, dat er in de ure des gebeds voortdurend priesters waren van de dagorde, die den dienst had, en als het de sabbatdag was, ook die van de dagorde, die de vorige week den dienst had gehad, en de Levieten, die onder de priesters dienden, en de mannen, die het volk vertegenwoordigden in het leggen hunner handen op de offers, en nog vele anderen, die door Godsvrucht gedrongen, voor die ure hun bezigheden verlieten, om bij den eredienst van God tegenwoordig te zijn. Die allen vormden dan een grote menigte, inzonderheid op sabbatten en feestdagen. Alle dezen begaven zich dan tot stil gebed, want hun stem werd niet gehoord, totdat het geluid ener schel hen waarschuwde, dat de priester ingegaan was om te reukoffers. Merk hier nu op:
a. Dat het ware Israël Gods altijd een biddend volk is geweest, en dat het gebed het grootste en voornaamste deel is van den dienst, waarin wij God ere geven, gunsten van Hem ontvangen, en gemeenschap met Hem onderhouden.
b. Dat toen de rituele en ceremoniële vormen in volle kracht waren, zoals dit offeren van reukwerk, zedelijke en geestelijke plichten er toch mede moesten samengaan, en als het voornaamste beschouwd werden. David wist dat, toen hij op een afstand was van het altaar, zijn gebed ook zonder reukwerk gehoord zou worden, want het kon als reukwerk tot God worden opgezonden, Psalm 141:
2. Maar als hij rondom het altaar ging, dan kon het reukwerk Gode niet welbehaaglijk zijn zonder gebed, evenmin als de schaal zonder de kern enigerlei waarde heeft. c, Dat het voor ons niet volstaat om te zijn, waar God wordt aangebeden, indien ons hart zich niet met de aanbidding verenigt, en alzo instemt met den leraar, die er bij voorgaat. Als de leraar het reukoffer ook nog zo goed volbrengt, in hartgrondig, gepast en oordeelkundig gebed, wat zou het ons baten indien wij niet met hem mede bidden?
d. Al de gebeden, die wij hier in Gods voorhoven tot Hem opzenden, zijn Gode alleen welbehaaglijk en zullen dus alleen verhoring vinden door de kracht van het reukwerk van Christus' voorbede in den tempel Gods hierboven. Er schijnt ene toespeling te zijn op dit gebruik in den tempeldienst in Openbaring 8:1, 3, 4, waar wij zien dat er een stilzwijgen was in den hemel, zoals er een stilzwijgen was in den tempel, van een half uur, terwijl het volk in stilte het hart ophief tot God in het gebed en dat er een engel was, de engel des verbonds, die veel reukwerks offerde met de gebeden aller heiligen voor den troon. Wij kunnen niet verwachten deel te hebben aan Christus' voorbede, indien wij niet bidden, bidden met onzen geest, en volharden in den gebede. En evenmin kunnen wij verwachten dat onze beste gebeden Gode welbehaaglijk zullen zijn, en ons een antwoord des vredes zullen brengen, anders dan door de tussenkomst van Christus, die altijd leeft om voor ons te bidden. 2.. Hoe hij, aldus bezig zijnde met zijn werk, geëerd werd met het bezoek van een bode, die uit den hemel tot hem werd gezonden, vers 11. Van hem werd gezien een engel des Heeren. Sommigen hebben opgemerkt, dat wij nooit van de verschijning eens engels in den tempel met ene boodschap van God lezen, behalve deze ene keer aan Zacharias, omdat God aldaar andere middelen had om Zijn wil bekend te maken, zoals door de Urim en Tummim, en door ene stem van tussen de cherubs, maar de ark en die stem ontbraken in den tweeden tempel, en daarom werd, als er ene boodschap aan een priester gezonden moest worden in den tempel, een engel daarvoor gebruikt en daardoor werd het Evangelie ingeleid, want, evenals de wet, was ook het Evangelie in den beginne grotelijks door den dienst van engelen gegeven, van welker verschijning wij dikwijls lezen in het Evangelie en de Handelingen, hoewel het beide, voor de wet en het Evangelie, de bedoeling was, om, als zij tot volkomenheid zouden gekomen zijn, een andere, meer geestelijke wijze van gemeenschap tussen God en den mens vast te stellen. Deze engel stond ter rechterzijde van het altaar des reukoffers, aan de noordzijde, zegt Dr. Lightfoot, aan de rechterzijde van Zacharias, vergelijk hiermede Zacheria 3:1, waar Satan staat aan de rechterhand van Jozua, den hogepriester, om hem te weerstaan. Maar Zacharias had een goeden engel aan zijne rechterhand, om hem te bemoedigen. Sommigen denken dat deze engel bij zijne verschijning uit het heilige der heiligen kwam, hetgeen hem aan de rechterzijde des altaars bracht.
3. De indruk, hierdoor teweeggebracht op Zacharias, vers 12. Zacharias, hem ziende, werd ontroerd. Het was ene verrassing, die hem verschrikte en deed vrezen, vreze is op hem gevallen, vers 12. Hoewel hij rechtvaardig was voor God, en onberispelijk van wandel, kon hij toch niet anders dan verschrikt en ontroerd zijn op den aanblik van een persoon, wiens aangezicht met den glans, die van hem uitstraalde, hem als meer dan menselijk deed herkennen. Van dat de mens gezondigd heeft, is zijn geest niet instaat geweest om de heerlijkheid van zulke openbaringen te dragen, en deed zijn geweten hem kwade tijdingen vrezen, die door deze hemelboden tot hem gebracht zouden worden. Zelfs Daniël kon het niet dragen, Daniël 10:8. Daarom verkiest God tot ons te spreken door mensen, zoals wij zelven zijn, wier verschrikking ons niet zal doen vrezen.
III. De boodschap, die de engel hem had te brengen, vers 13. Hij begon zijne boodschap, zoals engelen dit meestal deden, met Vrees niet. Het was wellicht aan Zacharias nooit tevoren ten lote gevallen om te reukoffers en, een zeer ernstig, nauwgezet man zijnde, kunnen wij veronderstellen, dat hij grote zorg droeg om dit goed te doen. Toen hij nu den engel zag, was hij misschien bevreesd dat hij gekomen was om hem te bestraffen wegens een vergissing of verkeerdheid. "Neen", zegt de engel, "vrees niet, ik heb u geen kwade tijding te brengen uit den hemel. Vrees niet, wees kalm, opdat gij rustig en bezadigd de boodschap kunt aanhoren, die ik voor u heb." Laat ons zien waarin zij bestond. 1. De gebeden, die hij dikwijls heeft opgezonden, zullen nu een antwoord des vredes erlangen. Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord.
a. Indien hij bedoelt zijn bijzonder gebed om een zoon, ten einde zijn geslacht voort te planten, dan moeten het de gebeden zijn, die hij vroeger om dien zegen had opgezonden, toen er nog waarschijnlijkheid bestond dat hij kinderen zou krijgen. Maar wij kunnen veronderstellen dat, nu hij en zijne vrouw verre op hun dagen gekomen waren, zij niet meer verwachtten kinderen te zullen krijgen, en er dus ook niet meer om gebeden hebben. Het was hun, evenals Mozes, genoeg en zij spraken tot den Heere niet meer over deze zaak, Deuteronomium 3:26. Maar God, die hem nu dien zegen wilde schenken, gedacht de gebeden, die hij voorlang voor en met zijne huisvrouw had opgezonden, evenals Izaak voor en met de zijne, Genesis 25:21. De gebeden des geloofs worden in den hemel op de rol geschreven en niet vergeten, al wordt ook de zaak, om welke gebeden werd, niet terstond gegeven. Gebeden, die wij hebben opgezonden toen wij jong waren en in de wereld kwamen, kunnen verhoord worden als wij oud zijn en de wereld gaan verlaten. Maar:
b. Indien hij bedoelt het gebed, dat hij thans bad en met het reukwerk opzond, dan kunnen wij veronderstellen dat dit in overeenstemming was met den plicht van zijn ambt, voor het Israël Gods en hun welzijn, en de vervulling der belofte, aan hen gedaan nopens den Messias en de komst van Zijn koninkrijk. "Dit uw gebed is nu verhoord, want uwe huisvrouw zal weldra bevrucht worden en een zoon baren, die de voorloper van den Messias zal wezen." Sommigen van de Joodse schrijvers zeggen zelven, dat de priester, als hij reukofferde, bad om de verlossing en zaligheid der gehele wereld, en dit gebed zal nu verhoord worden. Of:
c. In het algemeen: "De gebeden, die gij nu bidt, en al uwe gebeden zijn door God aangenomen, en zijn voor God gedacht geworden (zoals de engel zei tot Cornelius, toen hij hem bezocht terwijl hij bad, Handelingen 10:31), "en dit zal het teken zijn, dat gij door God zijt aangenomen, uwe vrouw Elizabeth, zal u een zoon baren" Het is voor biddende mensen zeer troostrijk te weten, dat hun gebed verhoord is, en de zegeningen zijn dubbel lieflijk, die wij op het gebed hebben verkregen.
2. Hij zal een zoon hebben in zijn ouderdom bij Elizabeth, zijne huisvrouw, die gedurende langen tijd onvruchtbaar geweest is, opdat door diens geboorte, die schier een wonder was, het volk voorbereid zal worden, om aan te nemen en te geloven, dat uit ene maagd een zoon geboren zou worden, hetgeen een volkomen wonder was. Hem wordt gezegd welken naam hij aan zijn zoon moet geven, gij zult zijn naam heten Johannes, in het Hebreeuws Jehochanan, een naam, dien wij dikwijls in het Oude Testament ontmoeten en die betekent de begenadigde Gods of de door Gods genade gegevene. De priesters moeten God smeken, dat Hij ons genadig zij, Maleachi 1:9, en moeten alzo het volk zegenen, Numeri 6:25. Zacharias heeft nu aldus gebeden, en de engel zegt hem dat zijn gebed verhoord is, en hij zal een zoon hebben, dien hij, ten teken van de verhoring van zijn gebed, zal noemen: De Heere zal genadig zijn, Jesaja 30:18, 19.
3. Deze zoon zal de vreugde zijn van zijne bloedverwanten en vrienden, vers 14. Hij zal een tweede Izaak wezen, uw lachen, en sommigen denken, dat dit deels ook met zijn naam Johannes bedoeld is. Hij zal een welkom kind wezen.
U zal blijdschap en verheuging wezen. Zegeningen, waar lang op gewacht werd, zijn, als zij ten laatste komen, er des te lieflijker om. "Hij zal een zoon wezen, die u reden zal geven om u in hem te verheugen." Vele ouders zouden, indien zij voorzien konden wat hun kinderen zijn zullen, in plaats van zich te verheugen bij hun geboorte, wensen dat zij nooit geboren waren, maar ik zal u zeggen wat uw zoon zijn zal, en dan behoeft gij u niet met beving te verheugen bij zijne geboorte, zoals de besten wel moeten doen, maar gij zult u met blijdschap kunnen verheugen. Ja, en er zullen velen zijn, die zich bij zijne geboorte zullen verheugen, al de leden van uwe familie zullen zich verheugen, en allen die het goede voor haar wensen, omdat zij tot eer en vertroosting der familie is, vers 58. Alle Godvruchtigen zullen zich verheugen, dat zulk een vroom echtpaar als Zacharias en Elizabeth een zoon heeft, omdat zij hem een goede opvoeding zullen geven, die, naar men mag hopen, hem tot een zegen zal doen zijn voor zijn geslacht. En wellicht zullen velen zich, door een innerlijken aandrang, waarvan zij geen rekenschap kunnen geven, zich verheugen als een voorteken van de blijde dagen, die door het Evangelie komen zullen.
4. Deze zoon zal een bijzonder gunstgenoot, een bevoorrechte des hemels zijn en een bijzondere zegen voor de aarde. De eer van een zoon te hebben is niets, vergeleken bij de eer van zulk een zoon te hebben.
a. Hij zal groot zijn voor den Heere. Diegenen zijn in waarheid groot, die het zijn in Gods ogen, niet zij, die het zijn in de ogen ener ijdele, vleselijk-gezinde wereld. God zal hem geduriglijk voor Zijn aangezicht stellen, zal hem gebruiken voor Zijn werk, hem uitzenden met Zijne boodschappen, en dat zal hem in waarheid groot en achtbaar maken. Hij zal een profeet zijn, ja meer dan een profeet, en deswege even groot als allen, die van vrouwen geboren zijn, Mattheus 11:11. Hij zal leven in grote afzondering van de wereld, buiten het gezicht der mensen, en als hij in het openbaar verschijnt, zal hij gering zijn in zijn voorkomen, maar hij zal groot zijn voor den Heere.
b. Hij zal een Nazareeër zijn, Gode afgezonderd van alles wat verontreinigt, ten teken waarvan hij, naar de wet op het Nazireërschap, wijn noch sterken drank zal drinken, -of liever, noch ouden, noch nieuwen wijn, want de meesten denken dat het woord, hier vertaald door sterken drank, een soort van wijn betekent, wellicht zoals dien wij "gefabriceerden wijn" noemen, of een bedwelmende drank was. Hij zal wezen wat Simson naar het Goddelijk voorschrift geweest is, Richteren 13:7, en Samuël naar de gelofte zijner moeder, een Nazareeër voor het leven. 1 Samuël 1:11. Er wordt van gesproken als van een groot voorbeeld van Gods gunst over Zijn volk, dat Hij hun zonen tot profeten heeft verwekt, en uit hun jongelingen tot Nazareeërs, Amos 2:11, alsof zij, die bestemd waren om profeten te zijn, opgevoed moesten worden onder de tucht van de Nazareeërs. Samuël en Johannes de Doper zijn dit geweest, hetgeen aanduidt dat zij, die uitnemende dienstknechten Gods willen worden en tot uitnemende diensten gebruikt, moeten leren een leven van zelfverloochening te leiden en van doding van het vlees, dood moeten zijn voor de genoegens der zinnen, en hun hart en geest moeten bewaren voor alles wat hen in duisternis en beroering zou kunnen brengen.
c. Hij zal zeer geschikt en bekwaam zijn voor de grote en gewichtige diensten, waartoe hij ter bestemder tijd geroepen zal worden: Hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan, en zodra het mogelijk is, zal hij dit blijken te zijn. Merk op: Dat zij, die met den Heiligen Geest vervuld willen zijn, sober en matig moeten wezen, zeer matig in het gebruik van wijn en sterken drank, want dat is het, wat hen hiertoe geschikt maakt.
Wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, waarmee dat niet bestaanbaar is, Efeze 5:18. Dat het mogelijk is, dat de Heilige Geest werkt op kinderkens, zelfs van hun moeders lijf aan, want Johannes de Doper was toen reeds vervuld met den Heiligen Geest, die intijds bezit nam van zijn hart, en daarvan werd al spoedig een blijk gegeven, toen hij op de nadering van den Zaligmaker van vreugde opsprong in den buik zijner moeder, en later is het zeer spoedig gebleken, dat hij geheiligd was. God heeft beloofd Zijn Geest uit te gieten op het zaad der gelovigen, Jesaja 44:3, en hun "uitspruiten" in hun vroege toewijding aan God is daar de vrucht van, vers 4, 5. Wie kan het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, die, voor zoveel wij weten-en meer dan dat kunnen wij ook van de volwassenen niet zeggen, getuige Simon de tovenaar-den Heiligen Geest hebben ontvangen gelijk als ook wij, en in wier hart het zaad der genade gezaaid is? Handelingen 10:47.
e. Hij zal het middel wezen om vele zielen tot God te bekeren en hen te bereiden om het Evangelie van Christus te ontvangen, vers 16, 17. Hij zal gezonden worden aan de kinderen Israël's, het volk der Joden, tot hetwelk ook de Messias het eerst gezonden was, en niet tot de heidenen, tot het gehele volk, en niet slechts tot het geslacht van de priesters, waarmee hij, hoewel zelf tot hen behorende, niet bijzonder vertrouwd was, op wie hij geen groten invloed uitoefende. Hij zal voor Hem heengaan, dat is: voor den Messias, dien zij moeten verwachten te zijn, niet hun Koning in den zin, waarin zij dat gewoonlijk bedoelden, een wereldlijk vorst van hun natie, maar hun Heere en hun God, om hen te regeren en te beschermen, en hen te dienen op ene geestelijke wijze door zijn invloed op hun hart. Thomas wist dit, toen hij tot Christus zei: Mijn Heere en mijn God, hij wist het beter dan Nathanaël, toen deze zei: Rabbi, Gij zijt de Koning Israël's. Johannes zal voor Hem heengaan, een weinig voor Hem, om kennis te geven van Zijne nadering, en het volk te bereiden om Hem te ontvangen. Hij zal heengaan in den geest en de kracht van Elias. Dat is: Ten eerste: Hij zal een man wezen zoals Elias was, en werken doen zoals Elias ze gedaan heeft-evenals hij zal hij een harig kleed dragen en met een lederen gordel omgord zijn, en afgezonderd van de wereld leven, - evenals hij zal hij de noodzakelijkheid prediken van boete en bekering, aan een zeer verdorven en ontaard geslacht-evenals hij zal hij stoutmoedig en ijverig zijn in het bestraffen van zonde en er tegen te getuigen, zelfs in de grootsten en aanzienlijksten, en er om gehaat en vervolgd worden door een Herodes en zijne Herodias, zoals Elias het was door Achab en zijne Izebel. Hij zal in zijn werk, evenals Elias, gedreven en gedragen worden door Gods Geest en kracht, waardoor zijne bediening met heerlijken voorspoed gekroond zal worden. Gelijk Elias de Schriften der profeten van het Oude Testament voorafging, en dit merkwaardig tijdperk der Oud Testamentische bedeling als het ware ingeleid heeft door een weinig schrijvens van hem zelven, 2 Kronieken 21:12, zo is Johannes de Doper voor Christus en Zijne apostelen heengegaan, en heeft hij de Evangeliebedeling ingeleid door de prediking van den hoofdinhoud der Evangelieleer en van den Evangelieplicht: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen Ten tweede. Hij zal de persoon wezen, van wie geprofeteerd werd door Maleachi, onder den naam van Elia, Maleachi 4:5, die gezonden zal worden, eer de dag des Heeren komt. "Ziet, Ik zend ulieden den profeet Elia", niet Elia den Tisbiet (zoals de LXX den tekst daar verdorven hebben om de Joodse overleveringen te begunstigen) maar een profeet in den geest en de kracht van Elias, zoals de engel het hier verklaart. Hij zal velen der kinderen Israël's bekeren tot den Heere, hun God, hun hart neigen om den Messias aan te nemen en welkom te heten, door de bewustheid van zonde in hen te doen ontwaken met de begeerte naar gerechtigheid. Al wat de strekking heeft om ons af te keren van ongerechtigheid, zoals Johannes' prediking en doop, zal ons tot Christus wenden, als tot onzen Heere en God, want zij die door Gods genade geleid worden om het juk der zonde af te werpen, dat is: de heerschappij der wereld en van het vlees, zullen weldra bewogen worden om het juk van den Heere Jezus op te nemen. Hierdoor zal hij de harten der vaderen bekeren tot de kinderen, dat is: hij zal de harten der Joden neigen tot de heidenen, hij zal er toe bijdragen om de ingewortelde vooroordelen van de Joden tegen de heidenen te overwinnen, hetgeen geschied is door het Evangelie, waar dit overhand verkreeg, en reeds begonnen door Johannes de Doper, die gekomen is tot een getuige, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden, die zowel Romeinse soldaten als Joodse Farizeeën doopte en onderwees, den hoogmoed en het zelfvertrouwen genas van die Joden, die er in roemden Abraham tot een vader te hebben, en hun verklaarde dat God uit stenen Abraham kinderen kon verwekken, Mattheus 3:9, hetgeen strekte om hen van hun vijandschap tegen de heidenen te genezen. Dr. Lightfoot merkt op: Het is een standvastig gebruik van de profeten om van de kerk der heidenen te spreken als kinderen van de Joodse kerk, Jesaja 54:5, 6, 13, 60:4, 9, 62:5, 66:12. Toen de Joden, die het geloof van Christus omhelsden, er toe gebracht werden om in gemeenschap te komen met de heidenen, die dat ook deden, toen werd het hart der vaderen bekeerd, dat is hier: gewend tot de kinderen.
En de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, dat is: hij zal het Evangelie inleiden, door hetwelk de heidenen, die nu ongehoorzaam zijn, bekeerd zullen worden, niet zozeer tot hun vaderen, de Joden, als wel tot het geloof in Christus, hier genoemd "de voorzichtigheid", de wijsheid "der rechtvaardigen", in gemeenschap met de gelovige Joden. Of wel: Hij zal het hart der vaderen met de kinderen bekeren, dat is: het hart van ouden en jongen, hij zal het middel wezen om sommigen van elke leeftijd tot Godsvrucht te neigen, een grote hervorming teweeg te brengen in het Joodse volk, hen weg te leiden van een rituelen, traditionelen godsdienst, waarop zij hadden vertrouwd, en heen te leiden naar een wezenlijke, ernstige Godsvrucht, en het gevolg daarvan zal wezen, dat vijandschap gedood zal worden en onenigheid zal ophouden, en zij, die in twist en onenigheid met elkaar leven, zullen in zijn doop verenigd des te beter met elkaar verzoend worden. Dit komt overeen met de beschrijving, die Josephus geeft van Johannes de Doper, Antiq. lib. 18 cap. 7.
"Hij was een goed man, en leerde de Joden de beoefening der deugd, in vroomheid voor God en rechtvaardigheid jegens elkaar, en dat zij behoorden samen te komen en aan elkaar verbonden te blijven in den doop." En hij zegt: "Het volk stroomde naar hem toe, en zij waren ten zeerste ingenomen met zijne leer." Aldus wendde hij het hart van vaderen en kinderen tot God en tot elkaar, door de ongehoorzamen te bekeren tot de wijsheid van de rechtvaardigen. Merk op: Ten eerste. De ware Godsdienst is de wijsheid van de rechtvaardigen, in onderscheiding van de wijsheid dezer wereld. Het is zowel onze wijsheid als onze plicht om Godsdienstig te zijn, daar is zowel billijkheid als verstand in. Ten tweede. Het is niet onmogelijk dat zij, die ongelovig en ongehoorzaam waren, bekeerd zullen worden tot de wijsheid van de rechtvaardigen, Gods genade kan de grootste onwetendheid en het diepst ingewortelde vooroordeel overwinnen. Ten derde. Het grote doel van het Evangelie is de mensen tehuis te brengen bij God, en hen nader te brengen tot elkaar, en op die boodschap is Johannes de Doper uitgezonden. Het twee maal melding maken van zijn bekeren van mensen schijnt ene toespeling te bevatten op den naam van den Tisbiet, die aan Elias gegeven wordt, en die, naar sommigen gevoelen, niet aanduidt van welke landstreek of stad hij was, maar de betekenis heeft van een naamwoord, dat zij dan overzetten door "bekeerder", iemand, die zich veel bezighield met en voorspoedig was in het werk der bekering. Daarom wordt van den Elias van het Nieuwe Testament gezegd, dat hij velen tot den Heere hun God zal bekeren. Hierdoor zal hij den Heere een toegerust volk bereiden, het hart des volks genegen maken om de leer van Christus aan te nemen, opdat zij alzo bereid zijn voor de vertroosting van Zijne komst. Merk op: Ten eerste, Allen, die den Heere toegewijd zullen zijn en in Hem gelukkig gemaakt zullen worden, moeten eerst voor Hem toebereid worden. Wij moeten door genade in deze wereld toebereid worden voor de heerlijkheid in de andere wereld, door de verschrikkingen der wet voor de vertroostingen des Evangelies, door den geest der dienstbaarheid voor den Geest der aanneming. Ten tweede. Niets heeft een meer dadelijke strekking om de mensen toe te bereiden voor Christus dan de leer der bekering, die geloofd wordt zo, dat men er zich aan onderwerpt. Als hierdoor de zonde verdrietelijk en bezwarend wordt, dan zal Christus zeer dierbaar worden.
IV. Zacharias ongeloof aan de voorzegging van den engel, en de bestraffing, die vanwege dat ongeloof op hem gelegd werd. Hij had alles gehoord wat de engel hem te zeggen had, en nu had hij het hoofd moeten buigen en den Heere aanbidden, zeggende: Uwen dienstknecht geschiede naar het woord, dat gij hebt gesproken", maar het was niet zo. Er wordt ons hier gezegd:
1. Wat zijn ongeloof sprak, vers 18. Hij zei tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Dat was geen ootmoedige bede ter bevestiging van zijn geloof, maar een gemelijke tegenwerping tegen al hetgeen hem gezegd was, als volstrekt ongelooflijk, alsof hij zei: "Dat zal men mij nimmer doen geloven." Hij kon niet anders dan bemerken, dat het een engel was, die tot hem sprak, in de boodschap, die hem gebracht werd, en die betrekking had op Oud Testamentische profetieën, lag reeds het blijk en bewijs der waarheid er van. Er zijn in het Oude Testament vele voorbeelden van mensen, die op hogen leeftijd nog kinderen kregen, toch kan hij niet geloven, dat hij dit kind der belofte zal hebben. "Want ik ben oud en mijne vrouw is niet slechts altijd onvruchtbaar geweest, maar zij is nu verre op hare dagen gekomen, en er is gene waarschijnlijkheid voor, dat zij ooit kinderen zal krijgen." Hij moet dus een teken hebben, want anders zal hij niet geloven. Hoewel de verschijning van den engel, die gedurende langen tijd niet meer plaatsgehad heeft in de kerk, reeds op zichzelve een voldoend teken was, -hoewel hem die bekendmaking geschied was in den tempel, de plaats waar Gods stem gehoord werd, en waar hij geen reden had te denken, dat aan een bozen engel toegelaten zou zijn te komen-hoewel hem de boodschap gegeven werd, toen hij in het gebed was, en reukofferde, -en hoewel een vast geloof aan het grote beginsel van den Godsdienst, dat God almachtig is en er voor Hem niets onmogelijk is, dat wij niet slechts moeten weten, maar ook aan anderen moeten leren, had moeten volstaan om alle tegenwerpingen tot zwijgen te brengen- heeft hij toch, al te veel lettende op de toestand van zijn lichaam en dat zijner vrouw-wat aan een zoon Abrahams voorzeker niet betaamde- aan de beloftenis Gods getwijfeld, Romeinen 4:19, 20.
2. Hoe zijn ongeloof tot zwijgen werd gebracht, en hem vanwege dit ongeloof het zwijgen werd opgelegd.
a. De engel sluit hem den mond door zijn gezag te doen gelden. Vraagt hij: Waarbij zal ik dat weten? Laat hem het hieraan weten: Ik ben Gabriël, vers 19. Hij hecht zijn naam aan zijne profetie, tekent haar als het ware, met zijn eigen hand, teste meipso -neem het aan op mijn woord. Engelen hebben soms geweigerd hun naam te zeggen, zoals aan Manoach en zijne huisvrouw, maar deze engel zegt geredelijk: Ik ben Gabriël, hetgeen betekent de macht Gods, of de machtige Gods, te kennen gevende dat de God, die hem geboden had dit te zeggen, ook machtig was het te volbrengen. Hij maakt zich ook bekend bij zijn naam om hem te herinneren aan de aankondiging van de komst van den Messias, gezonden aan Daniël door den man Gabriël, Daniël 8:16, 9:21. "Ik ben dezelfde, die toen gezonden was, en ben nu gezonden met hetzelfde doel." Hij is Gabriël, die voor God staat, een troondienaar Gods. De eerste staatsministers aan het Perzische hof worden hiermede aangeduid, dat zij het aangezicht des konings zagen, Esther 1:4. "Hoewel ik thans met u spreek, sta ik toch voor God. Ik weet dat Zijn oog op mij is, en ik durf niet meer zeggen, dan waartoe ik gemachtigd ben. Maar ik verklaar dat ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen, die alle aanneming wèl waardig zijnde, door u met blijdschap ontvangen behoren te worden.
b. De engel sluit hem in waarheid den mond, door de uitoefening zijner macht. "Opdat gij geen tegenwerpingen en bedenkingen meer zult maken, zie, gij zult zwijgen, vers 20. Indien gij een teken begeert ter ondersteuning van uw geloof, dan zal het er een wezen, dat tevens tot straf dient voor uw ongeloof. Gij zult niet kunnen spreken tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn, vers 20. Gij zult stom en doof zijn, hetzelfde woord heeft beide betekenissen, en het is duidelijk dat hij zowel zijn gehoor als zijne spraak had verloren, want zijne vrienden maakten tekenen, om zich door hem te doen verstaan, zij wenkten hem, vers 62, zoals hij hun toegewenkt had, vers 22. Door hem nu met stomheid te slaan heeft God rechtvaardiglijk met hem gehandeld, want hij had Gods woord tegengesproken. Hieruit kunnen wij aanleiding nemen om het geduld Gods en Zijne lankmoedigheid over ons te bewonderen, omdat wij, die zo dikwijls tot oneer van God hebben gesproken, niet, gelijk Zacharias, met stomheid worden geslagen, hetgeen voorzeker geschied zou zijn, indien God met ons had gehandeld naar onze zonden. God heeft vriendelijk met hem gehandeld, teder en genadiglijk. Want Ten eerste. Aldus heeft hij hem belet om nog meer wantrouwende en ongelovige woorden te spreken. Indien hij kwaad gedacht heeft, en niet zelf zijne hand op zijn mond wil leggen, en hem niet met een breidel zal bewaren, dan zal God het doen. Het is beter in het geheel niet te spreken dan onrecht te spreken. Ten tweede. Aldus heeft Hij zijn geloof bevestigd, en niet instaat zijnde tot spreken, is hij des te beter instaat tot denken. Als wij door de bestraffingen, die over ons komen wegens onze zonde, er toe gebracht worden om aan het Woord Gods meer geloof te schenken, dan hebben wij geen reden om er over te klagen.
Ten derde. Aldus werd hij weerhouden van het gezicht bekend te maken en er op te roemen, dat hij anders allicht gedaan zou hebben, terwijl het vooralsnog geheim gehouden moest worden.
Ten vierde. Het was een grote genade, dat Gods woorden ter bestemder tijd vervuld zouden worden, in weerwil van zijn zondig wantrouwen. Het ongeloof van den mens zal de beloften Gods niet tenietdoen, ter bestemder tijd zullen zij vervuld worden, en hij zal niet altijd stom blijven, slechts tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn, en dan zullen uwe lippen geopend worden, opdat uw mond des Heeren lof verkondige. Zo is het dat, hoewel God de ongerechtigheid Zijns volks met de roede bezoekt, Hij Zijne goedertierenheid toch niet van hen wegneemt.
V. Zacharias' terugkeer tot het volk en daarna tot zijn gezin, en de ontvangenis van dit kind der belofte, den zoon zijns ouderdoms.
1. Het volk bleef wachten, dat Zacharias uit den tempel zou komen, daar hij in den naam des Heeren den zegen over hen moest uitspreken, en hoewel hij over den gewonen tijd wegbleef, hebben zij zich toch niet, zoals dit maar al te dikwijls in Christelijke bijeenkomsten gebeurt, weggespoed zonder den zegen te ontvangen. Zij wachtten en waren verwonderd, dat hij zolang vertoefde in den tempel, ook bevreesd zijnde, dat er iets was voorgevallen, dat niet goed was, vers 21. 2. Toen hij naar buiten kwam, was hij sprakeloos, vers 22. Hij had nu het volk moeten laten heengaan met een zegen, maar hij was stom en niet bij machte om het te doen, opdat het volk gezind zou worden om den Messias te verwachten, die den zegen kan gebieden, die in waarheid zegent, en in wie alle geslachten der aarde gezegend worden. Het priesterschap van Aäron zal nu weldra tot zwijgen gebracht en ter zijde gesteld worden, ten einde den weg te bereiden tot de invoering ener betere hoop.
3. Hij trachtte hen door tekenen te doen verstaan, dat hij een gezicht gezien had, want "hij wenkte hun toe en bleef stom," vers 22. Dit stelt ons het zwakke en gebrekkige voor van het Levitische priesterschap in vergelijking met het priesterschap van Christus en de Evangeliebedeling. Het Oude Testament spreekt door tekenen, geeft ons aanduidingen van Goddelijke en hemelse dingen, maar onvolkomen en onzeker: het wenkt ons toe, maar blijft stom. Het is het Evangelie, hetwelk duidelijk verstaanbaar tot ons spreekt, en ons een helder gezicht geeft op hetgeen in het Oude Testament door een spiegel in een duistere rede gezien werd.
4. Hij bleef totdat de dagen zijner bediening vervuld waren. Daar hem ten lote gevallen was om te reukoffers, kon hij dat doen, hoewel hij stom en doof was. Als wij den dienst van God niet zo goed kunnen volbrengen als wij wensen, maar hem toch volbrengen zo goed als wij kunnen, zal God er ons in aannemen.
5. Toen keerde hij terug tot zijn gezin en zijne vrouw werd bevrucht, vers 23, 24. Zij werd bevrucht krachtens de belofte, en er zich van bewust zijnde, verborg zij zich vijf maanden. Zij bleef tehuis, en hield de zaak geheim, en ging niet zoveel uit als zij placht te doen,
a. Om zich te sparen en misdracht te voorkomen.
b. Om generlei ceremoniële verontreiniging op te doen, waardoor inbreuk gemaakt kon worden op het Nazireërschap van haar kind, daar zij zich het bevel herinnerde, dat aan de moeder van Simson in een gelijk geval werd gegeven, en het toepaste op zichzelve: zolang zij zwanger is van een Nazareeër moet zij "niet eten van iets dat van den wijnstok des wijns voortkomt, en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten," Richteren 13:14. En hoewel vijf maanden genoemd worden, wegens hetgeen volgde in de zesde maand, kunnen wij toch veronderstellen dat zij gedurende haar gehele zwangerschap aldus heeft gehandeld.
c. Sommigen denken, dat het uit overgrote ingetogenheid was, dat zij zich aldus verborg, zich schamende om te horen zeggen, dat iemand van haar leeftijd nog zwanger was. Zal zij wellust hebben, nadat zij oud geworden is en ook haar heer oud is? Genesis 18:12. Of het was ten teken van hare nederigheid, om den schijn niet te hebben van te roemen op de eer, die God haar aangedaan heeft.
d. Zij verborg zich, of bleef in afzondering: tot gebed, om haar tijd door te brengen in gebed en dankzegging. De heiligen zijn de verborgenen Gods. Zij geeft voor hare afzondering deze reden: Alzo heeft mij de Heere gedaan, Hij heeft niet slechts genadiglijk met mij gedaan door mij een kind te geven, maar mij aldus geëerd door mij een kind te geven, dat een Nazareeër zijn zal" (want dat zal haar man haar schriftelijk te verstaan hebben gegeven). Om mijne versmaadheid onder de mensen weg te nemen, Vruchtbaarheid werd onder de Joden als zulk een grote zegen beschouwd, vanwege de belofte van de toeneming des volks en het uit hen voortkomen van den Messias, dat het een grote versmaadheid was om onvruchtbaar te zijn, en zij die dit waren, hoe onberispelijk ook in handel en wandel, werden toch geacht schuldig te zijn aan de een of andere grote onbekende zonde, waarvoor zij aldus gestraft werden. Nu juicht Elizabeth, omdat niet alleen deze versmaadheid van haar weggenomen is, maar haar grote eer wordt aangedaan. Alzo heeft mij de Heere gedaan, boven al wat ik gedacht of verwacht heb in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft. In Gods genadige handelingen met ons moeten wij letten op Zijn genadig aanzien van ons. Hij heeft ons aangezien met ontferming en gunst, en daarom heeft Hij aldus met ons gehandeld.