17. En Job stierf, oud en der dagen zat (
Genesis 25:8;
35:29).
Het wenen des geloofs, het gekerm van het kruis, de praktijk van de rechte zielenzorg, dit en veel andere dingen leert de Kerk uit dit niet uit te leren Boek.. Er is over gestreden, of Job een voorbeeld of type van den Heere Jezus Christus mocht genoemd worden, daar hij toch zo menigvuldig gewankeld heeft, zelfs ten dele in de verzoeking, die hem trof, bezweken is. Maar ook de andere voorbeelden des Ouden Verbonds, als Abraham, Izaak, Jakob, Jozef, David, Salomo, waren onvolkomene, zondige mensen, welke de lijdenswegen, vervolgingen en de vernedering, die hen mede tot typen maken, niet zonder menigvuldige struikelingen doorleefd hebben. Dat Job, tegenover de hevige, bittere aanvallen van den satan en van zijne werktuigen, bij al zijn wankelen, geduld en volharding getoond heeft (Jakobus 5:11), en God, die hem sloeg, niet in het aangezicht zegende, maar met zijne ganse ziel steeds aan Hem vasthield, zodat ook zeer dikwijls het geloof in heldere vlammen uit de as opsteeg en zich tot profetische blikken verhief; dat hij juist ten gevolge van satans aanvallen in zulk ene diepte nederdaalde en door den Heere tot de hoogste heerlijkheid verheven werd; dat hij voor zijne vijanden bad en het hun om den wille van zijn middelaarschap vergeven werd-dat alles zijn trekken, die Job wel als ene type van den Heilige Gods voorstellen, bij wiens ganse lijden de satan steeds op den achtergrond was, van de Edomietische vervolging van enen Herodes af tot op den tijd, dat Hij aan het kruis van God verlaten was, van Hem, die in alles verzocht is geweest als wij, doch zonder zonde. Terwijl het ene voorbeeld buiten Israël, Melchizedek, voorspellend op de in Christus verenigde ambten wijst, is het andere, Job, door zijn gaan uit grote heerlijkheid door zeer diep lijden tot ene nieuwe grotere heerlijkheid, ene persoonlijke voorzegging van het leven van den enigen knecht Gods in de drie toestanden (Zijne heerlijkheid vóór Zijne menswording, Zijne vernedering en Zijne verhoging; toen Hij een naam ontving, die boven allen naam is.
Deze is tevens de goddelijke zijde aan ons Boek, die, welke tot de geschiedenis van zijn rijk behoort; de andere zijde blijft die, dat het den weg der opbouwing van elke gelovige en van de gehele Kerk, als een weg van verzoekingen met het doel om te heiligen en tot heerlijkheid te brengen voorstelt: "God kastijdt de Kerk, maar Hij geeft haar niet over aan den dood; Hij zendt haar, nadat Hij haar door Zijne bezoekingen voorbereid heeft, dan Geest van bekering en opwekking en dan keert Hij in liefde en genade Zich tot hare gevangenis. Dit geschiedde bijv. toen Juda in de ballingschap naar Babel gevoerd en vervolgens in vreugde naar het vaderland teruggeleid werd. Dat zal op het heerlijkst geschieden, wanneer in de plaats der strijdende kerk ten laatste de triomferende treedt. De herstelling in het tijdelijke is in het Boek van Job, beeld, voorspel en onderpand van de eeuwige.
Bedroefde en beproefde kinderen Gods, schept moed! Leert uit deze geschiedenis, met welk ene zachtmoedigheid en onderwerping gij uwe beproevingen moet dragen. Wacht, vertrouwt en verheugt u, en gij zult niet teleurgesteld worden. Laat in den tijd van droefheid het vooruitzicht uwe zielen verlevendigen en opwekken, dat u het Koninkrijk bereid is. Maar dat ook de zorgeloze zondaar gewaarschuwd zij voor den naderen een ondergang. Gij moogt niet in beproevingen geweest zijn, het is niet zeker, dat gij de droefheid ontgaan zult, en wanneer uwe vreugde van u genomen is, hebt gij dus enige bron, uit welke gij hulp en troost kunt putten? Hoe vreselijk-beide hier en hiernamaals te lijden. Schrik op uit dat gevaar! Haast u en geloof het Evangelie..
Het Boek Job is handelende of dramatische poëzie in den hogen, heiligen zin des woords. De oudste vorm der poëzie is, die der samenspraken. Het Boek Job heeft dan ook veel overeenkomst met de oude Griekse Tragedie Prometheus van Aeschylus. Nochtans het karakter der Oosterse poëzie is verhevenheid en dat der Griekse poëzie schoonheid. De Oosterse poëzie is ene poëzie der wolken, der bergen, der natuur, die der Grieken ene poëzie der kunst, der schoonheid van bouw, van samenstelling van alles, wat door mensen wordt gemaakt. De Griekse poëzie kan dan ook wel op ons werken, maar zich niet bij ons voortplanten, want zij is te plaatselijk en te veel aan eigen volk en grond gebonden. Dat kan de Hebreeuwse poëzie wel, want de natuur is voor allen en de volken op Israël geënt, zijn daarmee veel van hetgeen Israël eigen was, deelachtig geworden. De taal van Jobs Boek is de moeder van het Hebreeuws-Arabisch, en schittert van schoonheid. Trouwens het is geen menselijk maar een Goddelijk Boek. De inhoud bewijst het. De loop en afloop van Job's geschiedenis zijn niet menselijk maar goddelijk, en kunnen niet gesteld worden als te vallen binnen het vermogen der menselijke vinding. Zij zijn enig, nooit overtroffen en volstrekt onovertrefbaar. Het grote raadsel dezes tijds van het lijden der rechtvaardigen, wordt hier besproken op ene wijze, welke ene verlichting van den Geest van God noodzakelijk onderstelt. Een vluchtige blik op het geheel (want de bijzondere delen zijn te veelvuldig om ze hier te behandelen) moge ons hiervan overtuigen. De Schrift geeft den mens zo als hij is, de Griekse poëzie zou alles geïdealiseerd hebben, De heerlijkheid ligt in de waarheid, niet in de idealisering. Ook brengt de Schrift het lijden altijd in verband met de lijdzaamheid, en geeft hiermede aan het lijden zijne vrucht, terwijl de heidenen de smart op zich zelve en tegenover den mens stellen. Lijdzaamheid zonder lijden is onzin, en lijden zonder lijdzaamheid is zonde. Job was geen bovenmenselijk wezen, zoals de Prometheus van Aeschylus, neen, hij was een arm zondaar en toch een rechtvaardig man. En dat hij het zijnen vrienden niet toegaf, dat God hem tuchtigde, omdat hij een goddeloos man was, en toch in God geloofde en bleef geloven als dien, die geven en nemen kan, en in beide te prijzen en te verheerlijken is, -dit was het pand, dat hem in dat ogenblik toebetrouwd was.
Hij ging uit van de erkentenis van Gods Soevereiniteit en keerde er toe terug, nadat de verkeerdheid zijner vrienden zijn hooggaand lijden, nog hoger opgedreven, en hen tot ergernis en toorn en zonde opgewekt had. Christus alleen is de Volmaakte in alles, ook in de lijdzaamheid. Job is daarom geen toonbeeld ener volstrekte lijdzaamheid, zo ver de menselijke natuur het kan uithouden. Toen dat uiterste punt bereikt was, hield zijne lijdzaamheid op, en hij vervloekte zijnen dag, doch het geloof aan zijnen God behield hij. Wat toch waren hem zijne vrienden? Wachten wij ons, dat wij ons door hen zouden laten verleiden, want omdat zij zo fraai spreken, zijn zij inderdaad verleidelijk. Wij worden in de twee eerste hoofdstukken genoeg gewaarschuwd, Job niet te miskennen. Het getuigenis, dat God hem geeft, is voldoende om Job reeds vóór alle besprekingen, in het gelijk te stellen. Niet dat de vrienden van Job huichelaars waren, neen, wie anderen onder een schonen schijn verleidt, is een huichelaar; doch men kan zonder huichelaar te zijn zich zelven wel misleiden. Nu wij weten wat er in den hemel gebeurd is, is het gehele Boek vol heilige ironie. Hoe tasten de wijze en vrome vrienden van Job gedurig mis, hoe weinig weten zij van de eigenlijke waarheid der zaak! Er zijn vele waarheden zonder waarheid. Men kan ene menigte van waarheden zodanig naast elkaar plaatsen, dat er ten laatste gene waarheid overblijft. Plaats het uitnemendste schilderstuk het onderste boven, en gij hebt de aanschouwing er van volkomen bedorven. De redeneringen der vrienden van Job waren heerlijk maar eenzijdig en ontijdig, dat is het kunstig geheim van dat Goddelijk Boek. Hun wetenschap was als veler wetenschap, welke de gehele waarheid heeft noch geeft, maar een gedeelte er van, of ene waarheid, welke niet overeenkomt met de behoefte. Geef iemand zout water voor zijnen dorst, zal hij er zijn dorst mede lessen? De mens wachte zich voor ene waarheid afgezonderd van al de andere waarheden; onder bedekking en geleide van zulk ene waarheid worden de onwaarheden binnengebracht. Wat de vrienden van Job zeiden is waarheid, maar die daar te plaatse niet behoort. Een bruiloftsgedicht kan uitnemend schoon zijn, maar opgezegd in een huis, waar men weent over een dierbaren dode, is het wanklank. Het kan schoon zijn, maar niet op deze plaats.
En nu is er niets pijnlijker voor een mens in ellende, zo als Job was, dan te gevoelen dat de waarheid, die men voordraagt en opdraagt, ja opdringt, gene waarheid is voor hem. En uit de ene verkeerde houding komt de andere voort. Worden de troostredenen niet beaamd maar tegengesproken, dan wordt men aanmatigend, meesterachtig, ja verbitterd en hard. Ten laatste wilden de vrienden van Job hem de les lezen, en niets is belachelijker voor een wijs man, zo als Job was, dan ingebeelde wijsheid. Zijne vrienden brachten wel redenen voort om God te rechtvaardigen, doch hun redenen waren vals, omdat zij niet waren uit Gods woord, maar uit hun eigen mening. Zij stellen God voor als te doen, zo als zij doen zouden als zij God waren. Nu is het schoon en heerlijk als de lijder zelf zegt: "God is goed, God is volkomen!" maar zijn naaste moet dit niet zeggen, zonder vooraf met hem mede te lijden, of althans medelijden met hem te hebben. De vrienden van Job wilden redenen van de zaak geven, en meenden God het best te rechtvaardigen, door Job te beschuldigen en als een onrechtvaardige voor te stellen, die, zo gene openbare, dan toch zeker verborgene zonden moest gekoesterd hebben. Nu, er is ook niets lichter voor den mens dan tot den ellendige te zeggen: "het is uwe schuld!" dan is hij er af. Er zijn nog heden mensen, die het voor den Heere opnemen, die gereed zijn, als God slaat, in de handen te klappen. Doch hebben de vrienden van Job, het Job voorgedaan, om na het verlies van tien kinderen en van alles wat hij had te zeggen: "De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd!" Ach, de ongelukkigen hebben altijd ongelijk. Het is altijd: "Gij zijt in de gevangenis, Jozef! daarom hebt gij zeker gestolen." Zij komen om te vertroosten en worden beschuldigers, rechters, scherprechters. En wat geven zij er anders mede te kennen dan: wij lijden niet, omdat wij geen kwaad gedaan hebben.
Weten zij dan niet, dat de smart niet overwonnen wordt dan door een positieven (bepaalden) troost, en dat een negatieve (onbepaalde) troost niets baat? Zij hadden van het paard, dat zo schoon in dit Boek geschilderd wordt, kunnen leren, hoe men de ene aandoening door de andere moet te boven komen. Is het paard niet moedig tot overmoedigheid toe, en toch het heeft iets schrikachtigs; het is niet Stoïcijns, maar gevoelig; het schrikt voor ene schaduw, springt op bij het klappen van de zweep, en beeft bij den minsten slag er van, doch met al zijne vrees is er ene kracht in hem om haar te boven te komen. Komt hij met een held op het slagveld, dan wordt hij ook een held en strijdt mede, maar hij moet er aan gewoon en hij moet er in geoefend worden. Zo ook bij den mens; het is groot de smart geheel te gevoelen en er dan ene kracht tegen te zetten, die haar overwint; en kunnen wij zelf dit niet of moeilijk, dat onze vrienden ons dan daarin helpen: "Welgelukzalig is de mens, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige: de Heere zal hem bevrijden ten dage des kwaads, de Heere zal hem ondersteunen op het ziekbed," Psalm 41:2,4. Daarom, wilt gij vertroosten, gevoel en redeneer niet en poëtiseer niet Een treurende wil dat gij met hem mede bedroefd zijt en met hem mede weent, dat is troosten. De vrienden van Job vragen niet: Hoe is het met uwe zweren? Neen, daar denken zij niet aan, laat die maar zijn zo als zij willen; zij hebben alleen schone troostredenen voor hem, zij redeneren door, om hem van hun theorie op te offeren. Nog eens, er is ene begoocheling, waardoor men de vrienden van Job gelijk zou geven, omdat zij zo fraai spreken, maar Job, die alleen met God te doen heeft, laat zich niet medeslepen. Wat hij niet durft voor God, dat durft hij toch wel voor de mensen, zich zelven rechtvaardigen. En dat is gene zelfverheffing, maar geloof. Job heeft tegen mensen recht en gelijk.
Zij hadden hem moeten beklagen en Job had moeten berusten naar nu berusten de vrienden en Job gaat zich beklagen. Hij rechtvaardigde zich voor de mensen en hij mocht het, maar nu vergat hij ook al het goede, weleer van God ontvangen, en wenste niet alleen niet meer te leven, maar ook nooit geleefd te hebben. Hiermede zondigde hij, en was hij zijne lijdzaamheid, zijne kracht kwijt. En nu verscheen hem de Heere, en toonde hem de werken Zijner almacht en vrijmacht, en geheel het antwoord Gods is ene commentaar van het woord des Apostels: "Maar toch, o mens! wie zijt gij, die tegen God antwoordt?" God spreekt, maar lost niets op; Hij heeft de zaak in den hemel opgelost, maar voor mensen op aarde doet Hij dat niet; God geeft niet de reden der bestaande dingen op, maar wijst enkel hunnen oorsprong aan. Deze zaak is van Mij geschied, liet God ook aan Rehabeam bij den afval der tien stammen zeggen: "De zaak is van God." Dit moet den mens genoeg zijn, want het is genoeg; God zelf is de enige algenoegzame reden van alles wat Hij laat geschieden. God leidt den mens historisch. Hij lost niets op, maar geeft hem de geschiedenis Zijner regering en zegt: zo zijn de dingen ontstaan, zó heb Ik ze gemaakt, en laat Ik ze voortduren, geloof nu, wat gij niet kunt begrijpen. Hiermede handhaaft God Zijne soevereiniteit. Daarom is de leer der verkiezing niet een stelsel a priori. Neen, God lost niets op; wij hebben geen verantwoordelijk God. Ene verantwoording is Gode onwaardig. God zelf acht het beneden Zich, om Zich te verantwoorden, en omdat de vrienden van Job gepoogd hadden God bij Job te verantwoorden, feilden zij; het was hun zonde. God wil zulke voorsprekers niet hebben. "Gij hebt mij beoordeeld naar uwen maatstaf," zei God tot hen, door hen te bestraffen.
Voorts, God spreekt met Job, maar doet hem geen verwijt over zijne zonde; alleen doet Hij hem gevoelen dat hij niet meer is dan een mens en prijst hem daarna, dat hij de rechtvaardigheid van Hem, den Heere, tegenover zijne vrienden heeft gehandhaafd. Ja God spreekt hem vrij, door hem te stellen tot een priester voor zijne vrienden, tot verzoening hunner zonden. Trouwens God onderhandelt nooit met den mens, Hij heeft gene weegschalen, waarin Hij aan de ene zijde het kwade en aan de andere zijde het goede weegt; en daarna het oordeel uitspreekt. Neen, God genade betonende, stelt alleen ene volmaakte vergeving tegenover de zonde. En nu, als de rede van den Almachtige geëindigd is, blijkt zijne uitwerking. Deze uitwerking is de toepassing Gods. God maakt gene toepassing maar Job doet het. Zie, ik ben te gering, (zei hij) wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijne hand op mijnen mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden, of tweemaal en zal niet voortvaren, en wederom: Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat gene van uwe gedachten kan afgesneden worden. Wie is Hij (zegt Gij) die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist. Hoor toch, en ik zal spreken. Ik zal U vragen, en onderricht Gij mij. Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en heb berouw in stof en as. Zo antwoordde Job. Waarom doen wij niet hetzelfde?
Wij houden zo veel van toepassingen; doch de beste toepassingen zijn die, welke wij zelven maken. Is het niet genoeg, dat het eten ons toebereiden toegediend wordt, welnu dat wij dan ten minste de moeite doen, om toe te tasten en te eten. Nog eens zó deed Job, hij nu maakte de gevolgtrekking uit Gods rede tot hem, en al wat Job deed, deed hij in volheid; niets is bij hem ten halve. Alles is bij hem een geheel, zowel in lof als in klacht. Zo lang zijne vrienden spreken, werd zijn gemoed altijd onstuimiger, en zodra spreekt God niet of zijn hart breekt. Trouwens hier sprak de Wijsheid, en daar de niet-wijsheid, en wie zinkt niet neer voor de majesteit van God? Het geloof redeneert niet met God, maar aanbidt Hem; het neemt Gods getuigenissen als waarheid aan; het is het amen van den mens op de prediking Gods. Dat wij dan niet met God redeneren, maar zien wij op de uitkomst. God liet Job vernederd worden, maar om hem op ene nog hogere hoogte te plaatsen, en daarop staande te houden al zijne dagen. En zo eindigde alles daarin, waarin alle wereldbeschouwing eindigen moest, in de erkentenis, dat wij de heerlijkheid Gods nu niet begrijpen, maar dat wij die daarna zullen begrijpen. Wij leven in ene schijnbare verwarring: wet en vrijheid, geloof en werken, en wat niet al meer, zijn tegenstrijdigheden, maar waarvan wij de orde eenmaal zullen verstaan. Door het geloof in God moeten wij in deze tegenstrijdigheden reeds nu ene Goddelijke orde zien. Als een wijs man iets verkeerds doet, dan ergert het ons, maar als hij het morgen weer doet, dan beginnen wij al te denken: "hij heeft er zeker een bijzonder doel mede, ja er zit zeker iets achter," en zo bevredigt men zich allengs met de disharmonie om de vermoedelijke harmonie. En zouden wij hetzelfde niet met de Alwijsheid doen? God verijdelt soms onze goede plannen, en niet onze slechte plannen? Waarom? Omdat Hij betere plannen met ons voor heeft, en onze goede plannen Hem daartoe in den weg staan. Geloven, berusten en harmonie zien in alles wat God doet. Ziedaar wat ons het meest betaamt en het meeste licht geeft. Immers het geloof is een zich inwerpen in de diepten, in de volheid Gods, en dat is een ruime kring, ruim als de hemelen, terwijl ons verstand is als ene bedompte kamer, waarin gij stikt; en daarom zo gij ademen wilt, "de ramen open!" De mensen hebben altijd Gods raadsels willen ontwarren, en bij gebreke aan ene goede ontknoping de zaak willen plooien, en daartoe de zaligmaking aller mensen gesteld; doch dit is de oplossing niet, dat is de knoop doorhakken met het zwaard, niet ontwarren met de hand of het verstand; er is nog iets hogers, maar dat wij niet begrijpen. "Het kost den mens veel (zegt Luther), dat hij God God laat," en dat werkelijk te doen is voor ons, in onzen tegenwoordigen staat, de enig ware Theodice (verdediging Gods)..
Zo eindigt ook de geschiedenis der Patriarchen. Onder het O.V. inzonderheid was het een grote zegen tot in hogen ouderdom hier op aarde te mogen verkeren. Niet omdat onder de Oude Bediening niet geopenbaard was de heerlijkheid van de eeuwigheid, maar het ontbrak nog aan de volle openbaring van hetgeen hier namaals zal zijn. Het leven en de onsterfelijkheid is door Jezus Christus aan het licht gebracht, naar des Apostels getuigenis.
INHOUD VAN HET BOEK JOB.
I. Job's voorspoed en zijn tegenspoed. 1) Job 1:1-5. Job's rijkdom en godsvrucht.
2) Job 1:6-12. Job door Satan bij God valselijk beschuldigd.
3) Job 1:13-22. Job's godsvrucht beproefd door de beroving van al het zijne en van zijne kinderen.
4) Job 2:1-6. Job andermaal door Satan bij God beschuldigd.
5) Job 2:7, 8. Job beproefd aan zijn lichaam.
6) Job 2:9-13. Job tot Godverzaking aangezocht door zijne huisvrouw, en tot zondige murmureringe gebracht door het stilzwijgen der vrienden.
7) Job 3. Job vervloekt zijn geboortedag en wenst te sterven.
II. De redenen van Elifaz, Bildad, en Zofar en de tegenredenen van Job.
1) Job 4, 5. Elifaz tracht te bewijzen, dat wie in grote zonden zijn vervallen, ook op in het oog vallende wijze worden gestraft.
2) Job 6. Job schildert de diepte zijner ellende en wenst zich een spoedigen dood.
3) Job 7. Job wijst op zijn ontzettenden toestand, en smeekt den Heere om een spoedigen dood.
4) Job 8. Bildad beschuldigt Job van huichelarij, en spreekt het vermoeden reeds uit, dat deze zich aan een bijzondere zonde heeft schuldig gemaakt.
5) Job 9. Job verdedigt zich tegen Bildad en tast daarin de gerechtigheid Gods aan.
6) Job 10. Zijn aanklagen van God gaat in een klagen over.
7) Job 11. Ook Zofar beschuldigt Job van huichelarij.
8) Job 12. Job maakt de schijn-wijsheid van zijne vrienden te schande.
9) Job 13. Job toont hun hun onbekwaamheid om te troosten aan.
10) Job 14. Job wendt zich tot God en wil met den Heere een rechtsstrijd beginnen.
11) Job 15. Elifaz tweede rede, waarin ook hij Job tot een huichelaar wil maken.
12) Job 16, 17. Job betuigt zijn onschuld. 13) Job 18. Bildad telt Job onder de goddelozen.
14) Job 19. Job's klagen over zijne ellende, en zijn inzicht in de verlossing.
15) Job 20. Zofar schetst den toestand der goddelozen in betrekking op Job.
16) Job 21. Job weerlegt de rede van Zofar.
17) Job 22. Elifaz betwijfelt Job's vroomheid.
18) Job 23, 24. Job beroept zich op den rechterstoel Gods.
19) Job 25. Bildad's verklaring, dat alle mensen zondaars zijn.
20) Job 26. Job prijst meer dan Bildad de Majesteit Gods.
21) Job 27. Job's vergelijking tussen godvrezenden en huichelaars.
22) Job 28. Lof der wijsheid.
23) Job 29. Job deelt zijn vroegeren staat van geluk mede.
24) Job 30. Job schetst zijn tegenwoordigen treurigen toestand.
25) Job 31. Job herinnert aan zijn vroeger leven in de vreze Gods.
III. De rede van Elihu.
1) Job 32. Elihu deelt zijne verontwaardiging mede over het verder stilzwijgen van de drie vrienden.
2) Job 33. Elihu verdedigt de gerechtigheid Gods.
3) Job 34. Elihu bestraft Job over diens zonde tegen God, en verdedigt verder de gerechtigheid Gods.
4) Job 35. Elihu verdedigt verder de gerechtigheid Gods.
5) Job 36. Elihu geeft verder bewijs van Gods Gerechtigheid, Almacht en Wijsheid.
6) Job 37. Elihu wijst op het Boek der natuur, waaruit Gods Wijsheid gekend wordt.
IV. Job door den Heere terechtgewezen, en weer in voorspoed hersteld.
1) Job 38. De Heere prijst Zijn Almacht en Wijsheid. 2) Job 39:1-35. De Heere wijst Job op het gedierte des velds.
3) Job 39:36,37, 38. Job's aanvankelijke belijdenis van zijne zonde.
4) Job 40. De Heere roept Job andermaal op, om met Hem te strijden, en stelt hem den Behémoth voor.
5) Job 41. Beschrijving van grootte, macht en sterkte van den Leviathan.
6) Job 42:1-6. Na oprechte boete wordt Job door God uit zijne ellende verlost.
7) Job 42:7-9. Job's rechtvaardiging, en de bestraffing van zijne vrienden door den Heere.
8) Job 42:10-17. Job's herstelling en zijn dood.
SLOTWOORD OP HET BOEK JOB.
Op zijn eigenaardige wijze schrijft Luther omtrent dit Boek: "De Hebreeuwse dichter en vervaardiger van dit Boek moge geweest zijn, wie hij wil, hij heeft zulke verzoekingen en aanvechtingen gehad, gezien, ervaren en alzo beschreven. Het schijnt, dat hij een groot, voortreffelijk theoloog moet geweest zijn, die dit Boek gemaakt en geschreven heeft, wie hij dan ook was."
Hiermede belijdt de grote Hervormer zijne onkunde, omtrent de zekerheid van den vervaardiger van dit schoon gewrocht des Israëlitische dichters, van den man, die, onder de inwerking des H. Geestes, een Boek vervaardigde, hetwelk in onzen tijd zelfs de aandacht trekt van het overigens alles verwerpend ongeloof.
En nog immer geldt het, dat wij niet met zekerheid kunnen aangeven, door wie en wanneer dit kostelijk Boek is geschreven.
Hebben de Talmudisten en de Kerkvaders gemeend, dat het door Mozes was vervaardigd, stellen anderen de herkomst nog vroeger, velen zijn van gedachte, dat het uit den tijd van Salomo dagtekent, en anderen, dat het bewerkt is in de dagen der Ballingschap.
Noemt een enkele Heman, den dichter van Psalm 88, als den man, wie het gegeven werd, het te vervaardigen, wij voor ons zouden het liefst vasthouden, dat het uit de dagen van Ezechiël is, ja, wellicht wel door dien groten Profeet Israël's, aan den oever van den Chebar, is vervaardigd.
Hoe het echter ook zij, dit staat voor ons vast, dat de man, die hier als hoofdpersoon voorkomt, Job een historisch persoon is geweest, wiens bittere lijdensgeschiedenis, wiens miskenning door zijne vrienden, wiens overgegevenheid aan God aan de ene zijde en wiens harde verwijten tegen God aan de andere zijde, den Dichter is overgeleverd, maar van wie Hij ook wist, dat de Heere, de Verbonds-God, na eerst den boetprediker tot hem gezonden te hebben, hem had overtuigd van zijne zonde, hem tot schuldbelijdenis en boete had bewerkt, en daarna weer op bijzondere wijze had gezegend.
Welnu door de bijzondere drijving des Geestes er toe bewerkt, geïnspireerd, heeft Hij in dit Boek een heerlijk pleidooi geleverd voor de Vrijmacht van den Soevereinen God, een Vrijmacht, die niets gemeens heeft met de willekeur van een aardsen tiran, maar Wiens Vrijmacht schittert in en gepaard gaat met Zijne Wijsheid en Rechtvaardigheid, Zijne Liefde en Ontferming.
Waar dan ook door de drie vrienden van Job de Rechtvaardigheid Gods in een vals daglicht wordt geplaatst, wanneer zij voor Job, in de moedeloze ogenblikken van zijn lijden, schuilt achter de wolken, waar deze zich alsdan wel ene Rechtvaardigheid voorstelt, maar zonder Goddelijke wijsheid, daar zendt de Heere eerst Elihu, die op menselijke wijze, (niet op verstandelijke, zoals sommigen het voorstellen), d.i. als mens sprekende tot mensen, Job toespreekt, om bij hem boete en berouw te wekken, en treedt Hij zelf daarna in een onweder op, niet om Zich zelven te verdedigen, maar om den lijder, uit Zijne Almacht en Wijsheid, te doen verstaan wie Hij is, en om hem aldus tot ware schuldbekentenis te brengen.
Een schuldbekentenis, die dan ook ten leste zo volledig volgt, dat de Heere de gevangenis van Zijn knecht wendt, en hem uitermate zegent met Zijne weldaden en goedertierenheden.
Men heeft het Boek van Job wel eens een tragedie genoemd. Maar dan is het een heilige tragedie, geheel verschillend van die der ongewijde schrijvers.
Want toch, waar de Griekse tragedie-dichters hun helden laten ten ondergaan, tengevolge van de grillige speling van het dusgenaamde noodlot: daar wordt hier door den gewijden Dichter zo heerlijk voor ogen gesteld, dat het heil, wat Job na zijn lijden ervaart, alle gedachte aan een noodlot doet verdwijnen.
De held gaat niet onder, maar wordt door Gods genade en ontferming weer opgehaald uit den ruisenden kuil der ellende, en staat daar voor ons oog als een door God zelven van dwaling en zonde gered kind van God, als een gereinigde van die fijne eigengerechtigheid, welke in het hart van alle Gods kinderen nog zo overvloedig wordt gevonden.
Het is dan ook zo volkomen waar, dat de weg, dien Job moest gaan, om tot vrede te komen, dezelfde is, die ieder kind van God moet gaan, n.l. dat het trotse hart gebroken moet worden.
En daarom is dit een Boek, wat op bijzondere wijze doorleefd wil wezen, maar nooit wordt uitgeleerd.