Job 42:1-6
De woorden van Job om zichzelf te rechtvaardigen, hadden een einde Hoofdst. 31:40. Daarna heeft hij niets van die strekking meer gezegd. De woorden van Job om zichzelf te oordelen en te veroordelen begonnen in Hoofdst. 39:37, 38. Hier gaat hij voort met woorden van dezelfde strekking, want, zo zijn lijdzaamheid al geen volmaakt werk had, zijn berouw over zijn ongeduld had het wèl. Hij is hier geheel en al verootmoedigd om zijn dwaasheid en zijn onbedachtelijk spreken, en het werd hem vergeven. Godvruchtige mensen zullen hun fouten en gebreken ten laatste inzien en erkennen, al kost het ook enige moeite om hen er toe te brengen. Toen, nadat God alles tot hem gezegd had betreffende Zijn grootheid en macht, uitkomende in de schepselen, toen antwoordde Job de Heere, vers 1, niet om Hem tegen te spreken, hij had beloofd dit niet weer te zullen doen, Hoofdst. 39:38 niet weer te zullen antwoorden, maar zich te zullen onderwerpen, en aldus moeten wij allen op de roepstem van God antwoorden.
I. Hij onderschrijft de waarheid van Gods onbeperkte macht, kennis en heerschappij, welke te bewijzen het doel was van Gods rede uit het onweder, vers 2. Verdorven hartstochten en praktijken ontstaan of uit sommige verdorven beginselen, of uit het veronachtzamen van en het ongeloof aan de beginselen van de waarheid, en daarom begint waar berouw in "de erkentenis van de waarheid," 2 Timotheus 2:25 T. Job erkent hier dat zijn verstand overtuigd is van de grootheid, heerlijkheid en volmaaktheid van God, waaruit de overtuiging zal volgen van zijn geweten betreffende zijn eigen dwaasheid in oneerbiedig van God te spreken.
1. Hij erkent dat God alles vermag. Wat kan te moeilijk zijn voor Hem, die behemoth en leviathan gemaakt heeft en naar Zijn wil en welbehagen kan leiden? Hij wist dit tevoren en had zelf zeer goed over dit onderwerp gesproken, maar nu wist hij het met toepassing. God had het eens gesproken, en toen heeft hij het tweemaal gehoord, dat de sterkte Godes is en dat het dus de grootst mogelijke dwaasheid en vermetelheid is om met Hem te twisten. "Gij vermoogt alles, en daarom kunt Gij mij uit die lage toestand opheffen, waaraan ik dikwijls dwaselijk gewanhoopt heb als iets onmogelijks, thans geloof ik, dat Gij machtig zijt dit te doen."
2. Dat geen gedachte Hem onthouden kan worden, dat is:
a. Van geen van onze gedachten kan Hem belet worden kennis te nemen. Er is op geen tijd een gemelijke, ontevreden, ongelovige gedachte in ons hart, of God is er getuige van. Het is tevergeefs om met Hem te twisten want wij kunnen onze voornemens en raadslagen niet voor Hem verbergen, en als Hij ze ontdekt, kan Hij ze teniet maken.
b. Er is geen gedachte van Hem, waarvan de uitvoering belet kan worden. Al wat de Heere behaagt doet Hij. Job had dit hartstochtelijk gezegd, erover klagende: Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen, Hoofdst. 23:13 nu zegt hij met genot en voldoening, dat Gods woord zal bestaan. Indien Gods gedachten over ons gedachten zijn des vredes, en Hij ons het einde en de verwachting geeft, dan kan Hij van het vervullen van Zijn genaderijke doeleinde niet worden teruggehouden wèlke moeilijkheden er schijnbaar ook in de weg te liggen.
II. Hij erkent zich schuldig aan hetgeen waarvan God hem in het begin van Zijn rede beschuldigd had, vers 3. "Heere, het eerste woord dat Gij gezegd hebt, was: Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap? Meer was niet nodig, dat woord heeft mij overtuigd, ik beken het: ik ben de man, die zo dwaas geweest is. Dat woord is doorgedrongen tot mijn geweten, heeft mij mijn zonde ordelijk voor ogen gesteld, het is te duidelijk om het te ontkennen, te slecht om het te verontschuldigen, ik heb de raad verborgen zonder wetenschap, ik heb onwetend de raad en de bedoelingen Gods met mij te beproeven voorbijgezien, en daarom heb ik met God getwist, en veel te veel mijzelf gerechtvaardigd, zo heb ik dan verhaald dingen, die ik niet verstond," dat is: "ik heb de beschikkingen van Gods voorzienigheid geoordeeld, terwijl ik volstrekt onbekend was met de redenen er voor." Hier:
1. Erkent hij onwetend te zijn omtrent de Goddelijke raadsbesluiten, en dat zijn wij allen. Gods oordelen zijn een grote afgrond, die wij niet kunnen peilen, en nog veel minder kunnen wij de oorsprong ervan ontdekken. Wij zien wat God doet, maar wij weten noch waarom Hij het doet, noch wat Hij er mee tot stand zal brengen, dat zijn dingen die te hoog en te wonderlijk voor ons zijn, buiten ons gezicht om ze te ontdekken, buiten onze macht om ze te veranderen, buiten onze bevoegdheid om er over te oordelen, het zijn dingen, die wij niet weten, zij zijn boven het bereik van ons verstand om er een uitspraak over te doen. De reden, waarom wij met Gods voorzienigheid twisten, is dat wij haar niet begrijpen, en wij moeten tevreden zijn om in het duister daaromtrent te wezen totdat de verborgenheid Gods vervuld zal worden.
2. Hij bekent onvoorzichtig en vermetel te zijn geweest door te spreken van hetgeen hij niet verstaat, en aan te klagen hetgeen, waarover hij niet kan oordelen. Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. Wij doen onszelf onrecht, zowel als aan de zaak die wij op ons nemen te beslissen, als wij onbevoegd en onbekwaam zijn om er over te oordelen.
III. Hij zal niet antwoorden, maar hij zal, zoals hij gezegd heeft, Hoofdst, 9:15, zijn Rechter om genade bidden. "Hoor toch, en ik zal spreken, vers 4 niet spreken als om te klagen of zich te verdedigen, Hoofdst. 13:22, maar als een nederig smekeling, niet als iemand die wil onderrichten en voorschrijven, maar als een die begeert onderricht te worden, en gaarne wil dat hem voorgeschreven zal worden. Heere, doe mij geen moeilijke vragen meer, want niet op een uit duizend, die Gij mij gesteld hebt, zou ik kunnen antwoorden, maar geef mij verlof om onderricht van U te vragen, en weiger het mij niet, en verwijt mij mijn dwaasheid en zelfgenoegzaamheid niet, Jakobus 1:5. Nu is hij tot het gebed gekomen, dat Elihu hem geleerd heeft: Wat ik niet zie, leer Gij mij, Hoofdst. 34:32 `3.
IV. Hij neemt de houding aan van een boetvaardige, en daarin volgt hij een goed beginsel. In waar berouw moet niet slechts overtuiging zijn van zonde, maar ook verbrijzeling van gemoed en droefheid naar God er over, een "bedroefd zijn naar God," 2 Corinthiers 7:9. Zodanig was Jobs droefheid over zijn zonde.
1. Job had in zijn berouw het oog op God, hij koesterde hoge gedachten van Hem, en dat was het beginsel waarnaar hij handelde, vers 5.
a. "Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord, menigmaal toen ik jong was door mijn onderwijzers, door mijn vrienden nu onlangs, ik heb iets geweten van Uw grootheid en macht en soeereine heerschappij, en toch was ik door hetgeen ik gehoord heb er niet toe gebracht om mij te onderwerpen, zoals ik mij had behoren te onderwerpen, de denkbeelden, die ik van deze dingen had, dienden mij slechts om er over te spreken, maar hadden de rechte invloed niet op mijn geest, maar nu hebt Gij U door een onmiddellijke openbaring aan mij ontdekt in Uw heerlijke majesteit, maar nu ziet U mijn oog, nu ervaar ik de kracht van deze waarheden, waarvan ik tevoren slechts een denkbeeld had, en daarom heb ik nu berouw en herroep wat ik zo dwaselijk gezegd heb. Het is een grote zegen om een goede opvoeding te hebben en van de dingen Gods te weten door het onderricht van Zijn woord en Zijn dienstknechten, "het geloof is uit het gehoor," en dat geloof zal dan waarschijnlijk tot ons komen als wij aandachtig horen met het gehoor van het oor.
b. Als ons verstand verlicht wordt door de Geest van de genade, dan zal onze kennis van Goddelijke dingen die, welke wij tevoren hadden even ver overtreffen als het zien met het oog datgene overtreft wat het slechts bij los gerucht vernomen heeft. Door het onderwijs van mensen openbaart God ons Zijn Zoon, maar door het onderwijs des Geestes openbaart Hij Zijn Zoon in ons, Galaten 1:16, en aldus verandert Hij ons naar hetzelfde beeld 2 Corinthiers 3:18.
c. Soms behaagt het Gode om zich het volkomenst aan Zijn volk te openbaren door de bestraffingen Zijns woords en van Zijn voorzienigheid. "Thans nu ik ten volle beproefd ben, nu mij mijn fouten onder het oog zijn gebracht, nu ziet U mijn oog. De roede en de bestraffing geeft wijsheid. Welgelukzalig is de man, o Heere! die Gij tuchtigt en die Gij leert uit Uwe wet."
2. Job had in zijn berouw het oog op zichzelf, hij koesterde harde gedachten van zichzelf, en daarin gaf hij uitdrukking aan zijn smart over zijn zonden, vers 6. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.
Merk op:
a. Het betaamt ons ten diepste verootmoedigd te zijn wegens de zonden, waarvan wij overtuigd zijn geworden, en niet te blijven bij een oppervlakkig misnoegen op onszelf er over. Zelfs Godvruchtige mensen, die geen grove, schrikkelijke zonden hebben te belijden en te betreuren, moeten toch grote zielesmart hebben wegens de werkingen en het uitbreken van hoogmoed, hartstocht, gemelijkheid en ontevredenheid, en al hun haastige, onbedachtelijk gesproken woorden, daarover moeten wij verslagen zijn in het hart, bitterlijk bedroefd zijn. Zolang de vijand niet volkomen vernederd is, is de vrede onzeker.
b. Uitdrukkingen van droefheid naar God betamen aan boetvaardigen, Job had berouw in stof en as. Zonder dat er een innerlijke verandering is, zouden die uitwendige tekenen en uitdrukkingen slechts een bespotten zijn van God, maar als zij voortkomen uit oprecht berouw, uit wezenlijke zielesmart, dan geeft de zondaar er eer door aan God, is hij beschaamd, en dan kan hij het middel zijn om anderen tot berouw en bekering te brengen. Jobs beproevingen hadden hem in de as gebracht, Hoofdst. 2:8, hij zat neer in het midden van de as, maar nu hebben zijn zonden hem daar gebracht. Ware boetvaardigen treuren even van harte over hun zonden als zij ooit over uitwendige rampen en beproevingen getreurd hebben, maken er rouw over als over een enige zoon of een eerstgeborene, want zij zijn er toe gekomen om meer kwaad te zien in hun zonden dan in hun rampen.
c. Met waar berouw gaat altijd verfoeiing van zichzelf gepaard, Ezechiël 6:9. Zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben. Wij moeten niet alleen toornig zijn op onszelf vanwege de schade, die wij door onze zonde aan onze eigen ziel hebben toegebracht, maar wij moeten onszelf verafschuwen omdat wij ons door de zonde hatelijk en verfoeilijk gemaakt hebben voor de reine en heilige God die het niet verdragen kan om de ongerechtigheid te aanschouwen. Indien de zonde waarlijk een verfoeisel voor ons is, dan zal zonde in onszelf dit in zeer bijzondere zin voor ons zijn, hoe dichter zij bij ons is, hoe afschuwelijker zij zijn zal.
d. Hoe meer wij zien van de majesteit en heerlijkheid van God, en hoe meer wij de snoodheid en hatelijkheid van de zonde bespeuren en van onszelf vanwege de zonde, hoe meer wij er onszelf om zullen vernederen en verfoeien. "Nu ziet mijn oog welk een God Hij is, die ik heb beledigd de glans dier majesteit, die ik door moedwillige zonde als in het aangezicht heb geslagen, de tederheid dier ontferming, die ik heb veracht en vertreden, nu zie ik welk een heilig en rechtvaardig God Hij is, aan wiens toorn ik mij heb blootgesteld, weshalve ik mij verfoei. "Wee mij, want ik verga." Jesaja 6:5. God had Job getart om alle hoogmoedigen te zien en tenonder te brengen. "Ik kan het niet," zegt Job, "ik heb genoeg te doen om mijn eigen hoogmoedig hart ten onder te brengen." Laat ons het aan God overlaten om de wereld te regeren, en laat het onze zorg zijn om in de kracht van Zijn genade onszelf, ons eigen hart goed te regeren.