Job 39:34-38
I. Hier is een verootmoedigende uitdaging van God aan Job. Na hem vele moeilijke vragen gedaan te hebben, om hem door zijn blijkbare onwetendheid in de werken van de natuur te doen zien hoe onbevoegd hij was om te oordelen over de methoden en plannen van de voorzienigheid, doet Hij hem nog een vraag, die de toepassing in zich sluit van het geheel, en dus afdoende is voor geheel de zaak. Het schijnt dat God, evenals Elihu, een weinig wachtte, om aan Job gelegenheid te geven om te zeggen wat hij te zeggen had, of om te denken aan hetgeen God gezegd had. Maar Job was zo beschaamd, dat hij bleef stilzwijgen, en daarom eist God antwoord van hem, vers 34, 35. Dit wordt niet gezegd gesproken te zijn uit het onweder, zoals tevoren, en daarom denken sommigen dat God het zei in een zachte fluistering, zoals het suizen van een zachte stilte, dat meer invloed had op Job dan het onweder, zoals op Elia, 1 Koningen 19:12.13 K. Mijn leer druipe als een regen, en dan doet zij wonderen. Hoewel Job niet gesproken had, wordt toch gezegd dat God hem antwoordde, want Hij kent de gedachte van de mensen en kan een gepast antwoord geven op hun stilzwijgen.
1. God richt een overtuigende vraag tot hem. Zal hij, die met de Almachtige twist, Hem onderrichten. Zal hij voorwenden Gods wijsheid en wil voor te schrijven? Zal God van iedere wrevelige klager onderricht ontvangen en om hem genoegen te doen Zijn maatregelen veranderen? Het is een minachtende vraag: Zal men God wetenschap leren? Hoofdst. 21:22. Er wordt te kennen gegeven dat zij, die met God twisten, er zich eigenlijk toe begeven om Hem te leren Zijn werk beter te doen. Want als wij twisten met mensen gelijk wijzelf zijn, omdat zij niet wèl gehandeld hebben, dan behoren wij hen te onderrichten om beter te doen, maar is het te dulden dat iemand zijn Maker onderricht? Hij, die met God strijdt, wordt terecht voor Zijn vijand gehouden, en zal hij voorgeven in zoverre overmocht te hebben in de strijd, dat hij Hem nu gaat voorschrijven wat Hij te doen en te laten heeft? Wij zijn onwetend en kortzichtig, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor Hem, wij zijn dwaas maar Hij is oneindig wijs, wij zijn afhankelijke schepselen, maar Hij is de vrijmachtige Schepper, en zullen wij dan voorwenden Hem te onderrichten? Sommigen lezen de zin: Is het wijsheid om met de Almachtige te twisten? Het antwoord ligt voor de hand. Neen, het is de grootst mogelijke dwaasheid. Is het wijsheid te twisten met Hem, wie tegen te staan gewis ons verderf ten gevolge zal hebben terwijl het tot ons onuitsprekelijk voordeel en belang zal zijn om ons aan Hem te onderwerpen?
2. Hij eist een spoedig antwoord. "Laat hem, die God bestraft, op die vraag aan zijn eigen geweten antwoorden en er aldus op antwoorden: Verre zij het van mij om met de Almachtige te twisten, of Hem te onderrichten. Laat hem, zo hij kan, antwoorden op al de vragen, die Ik gedaan heb. Laat hem zijn vermetelheid en onbeschaamdheid verantwoorden voor Gods rechterstoel." Diegenen hebben hoge gedachten van zichzelf en lage gedachten van God, die iets wat Hij zegt of doet bestraffen.
II. Jobs nederige onderwerping hierop. Nu kwam Job tot zichzelf, en begon hij vertederd te worden door droefheid naar God. Toen zijn vrienden hun betoog voor hem hielden, gaf hij niet toe, maar de stem des Heeren is met kracht. Als de Geest van de waarheid gekomen zal zijn, zal Hij overtuigen. Zij hadden hem veroordeeld als een goddeloos man, Elihu zelf heeft met veel scherpheid tot hem gesproken, Hoofdst. 34:7, 8, 37, maar God heeft hem zulke harde woorden niet gegeven. Wij kunnen soms reden hebben om van God een zachtere behandeling te verwachten en een billijker beoordeling van hetgeen wij doen, dan wij van onze vrienden ondervinden. Job is er door overwonnen, hij geeft zich als een overwonnen gevangene over aan Gods genade.
1. Hij erkent zich een overtreder te zijn, en heeft niets tot zijn rechtvaardiging aan te voeren, vers 37. "Zie ik ben te gering, niet slechts gering en verachtelijk, maar gering en verfoeilijk, in mijn eigen ogen." Hij is zich nu bewust gezondigd te hebben, en daarom noemt hij zich gering, snood, verachtelijk. De zonde verlaagt ons, en boetvaardigen vernederen zichzelf, smaden zichzelf, zijn beschaamd, ja schaamrood. "Ik heb op een ongehoorzame wijze gehandeld jegens mijn Vader, ik ben ondankbaar geweest jegens mijn weldoener, ik heb onverstandig gehandeld voor mijzelf, en daarom ben Ik gering, verachtelijk." Job vernedert en verlaagt zich nu evenzeer als hij zich vroeger gerechtvaardigd en geprezen heeft, berouw over de zonde brengt verandering in de schatting van de mensen van henzelf. Job is al te stout geweest in zijn vragen om een samenspreking met God, hij heeft gedacht dat hij wel instaat zou zijn om zich bij Hem te rechtvaardigen, maar nu is hij overtuigd van zijn dwaling, en erkent hij dat hij voor God niet kan bestaan, volstrekt onbekwaam is om iets van de moeite waard voort te brengen, als de nietigste worm is, die op Gods aarde kruipt. Als zijn vrienden met hem spraken, antwoordde hij hun, want hij achtte dat hij evengoed was als zij, maar als God met hem spreekt, heeft hij niets te zeggen, want in vergelijking met Hem ziet hij zich als niets ja minder dan niets, erger dan niets, ijdelheid en nietswaardigheid, en daarom: Wat zou ik U antwoorden? God eiste een antwoord. Hier geeft hij de reden van zijn stilzwijgen, het was niet omdat hij gemelijk of weerbarstig was maar omdat hij overtuigd was verkeerd te hebben gedaan. Zij, die waarlijk overtuigd zijn van hun zondigheid en geringheid, durven zich niet rechtvaardigen voor God, maar schamen zich dat zij ooit de gedachte daaraan gekoesterd hebben, en ten teken van hun schaamtegevoel leggen zij hun hand op hun mond.
2. Hij belooft niet meer op die wijze te zullen overtreden, want Elihu had hem gezegd dat het voegzaam is dit aan God te zeggen. Als wij verkeerd hebben gesproken, dan moeten wij er berouw van hebben en het verkeerde gezegde niet herhalen, er niet bij blijven. Hij legt zichzelf het zwijgen op, vers 38. "Ik leg mijn hand op mijn mond zal die bewaren als met een breidel, om alle hartstochtelijke gedachten te onderdrukken, die in mijn hart kunnen opkomen, en ze weerhouden van uit te barsten in onbetamelijke woorden." Het is slecht om verkeerd te denken, maar veel erger is het om verkeerd te spreken, want dat is een toegeven aan de slechte gedachte, en geeft het een imprimatur, dat is machtiging, het is het uitgeven van het oproerige geschrift, en daarom: "zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op de mond" Spreuken 30:32, en laat het niet verder gaan, dat zal dan voor u het bewijs zijn dat gij aan de boze gedachte niet hebt toegegeven. Job had zijn boze gedachten toegelaten zich te luchten: "Eenmaal heb ik verkeerd gesproken, of tweemaal", dat is: "onderscheidene malen in deze en die rede, maar ik heb afgedaan, ik zal niet antwoorden, niet blijven bij wat ik gezegd heb, en het ook niet nogmaals zeggen, ik zal niet verder voortgaan."
Merk hier op wat waar berouw is.
a. Het is onze dwalingen te herstellen en de verkeerde beginselen naar welke wij handelden. Wat wij lang en dikwijls en krachtig hebben volgehouden, moeten wij herroepen, eenmaal, ja tweemaal, zodra wij ervan overtuigd zijn dat het een vergissing, een dwaling was, moeten wij er niet langer aan vasthouden, maar ons schamen dat wij er zolang aan vastgehouden hebben. b. Het is terug te komen van iedere bijweg, en er geen stap verder op voort te gaan, "ik zal niet voortvaren, ik zal nooit meer zo toegeven aan mijn hartstochten, mij nooit meer dusdanige vrijheid van spreken veroorloven, nooit meer zeggen wat ik gezegd heb, noch doen wat ik gedaan heb." Voordat het hiertoe komt, is er nog geen waar berouw. Merk nog verder op dat zij, die met God twisten, ten laatste tot zwijgen gebracht zullen worden. Job is zeer stoutmoedig geweest in zijn vragen om een bespreking met God, en hij had zeer boud gesproken en gezegd hoe duidelijk hij zich zaak zou voordragen, en hoe zeker hij er van was dat hij gerechtvaardigd zou worden als een vorst zou hij tot Hem naderen, Hoofdst. 31:37, hij zou zelfs tot Zijn stoel komen, Hoofdst. 23:3, maar hij heeft er spoedig genoeg van, geeft zijn pleit op, en wil niet antwoorden. "Heere, de wijsheid en het recht zijn aan Uw zijde, en ik heb zottelijk en goddelooslijk gedaan met er aan te twijfelen."