Job 2:7-10
De duivel, verlof hebbende om de arme Job te scheuren en te kwellen, ging terstond aan het werk op hem, eerst als een pijniger, en toen als een verleider. Zijn eigen kinderen verleidt hij eerst en brengt hen tot zonde, en daarna, als hij hen in het verderf heeft gestort, kwelt en pijnigt hij hen, maar dit kind van God pijnigde hij door beproeving, en toen verzocht hij hem om een slecht gebruik te maken van zijn beproeving. Waar hij het op toelegde was, Job God te doen vloeken, en nu wordt ons hier gezegd welke maatregelen hij nam beide om hem er toe te bewegen en om hem het voorstel er toe te doen, hij heeft de verzoeking gedaan met al de list van de oude slang, die hier hetzelfde spel speelt met Job dat hij met onze eerste ouders heeft gespeeld, Genesis 3, hem verleidende om af te vallen van zijn trouw aan God en zoekende hem van zijn oprechtheid te doen aflaten.
I. Hij hitst hem op om God te vloeken door hem met boze zweren te slaan, en hem aldus tot een last te maken voor zichzelf vers 7, 8. De eerste aanval was uiterst heftig maar Job hield stand en behaalde de overwinning. Maar hij is nog slechts bezig zich te gorden, er komt nog erger, na de regen keren de wolken weer, onder de toelating van God volgt Satan zijn slag op, en nu is het dat de afgrond roept tot de afgrond.
1. De ziekte, die Job had bevangen, was zeer smartelijk, Satan sloeg hem met boze zweren over zijn gehele lichaam, van zijn hoofd tot zijn voeten, met een kwaadaardige ontsteking, zo worden die woorden door sommigen overgezet, een zeer hevige soort van roos misschien. Een enkele opkomende zweer is al kwelling genoeg en kan iemand hevige pijn veroorzaken, maar in welk een toestand moet Job zich dan niet bevonden hebben, wiens gehele lichaam bedekt was met zweren, zonder dat een enkel plekje er vrij van was, en zij waren zo smartelijk en heet als de duivel ze maken kon, met vuur van de hel ontstoken als het ware! Pokken is een zeer hevige en pijnlijke ziekte, en zou nog veel verschrikkelijker zijn dan zij is als, naar wij weten, haar hevigheid niet met enkele dagen ophield, hoe smartelijk moet dan Jobs ziekte niet geweest zijn, die over zijn gehele lichaam met boze zweren of gezwellen was geslagen, die hem ziek maakten, hem de hevigste folteringen veroorzaakten, en zich verspreidden, zodat hij in generlei houding rust of verademing kon vinden. Indien wij ooit met zware en smartelijke kwalen worden bezocht, zo laat ons niet denken dat anders met ons gehandeld wordt, dan God soms met de beste van Zijn heiligen en dienstknechten gehandeld heeft. Wij weten niet in hoeverre Satan (onder de toelating Gods) de hand kan hebben in de ziekten, waarmee de kinderen van de mensen en inzonderheid de kinderen Gods, worden bezocht, welke besmetting deze overste van de macht van de lucht kan verspreiden, welke ontstekingen door deze vurige draak veroorzaakt kunnen worden. Wij lezen van een vrouw, die door Satan vele jaren gebonden was, Lukas 13:16. Indien God die briesenden leeuw toeliet om aan iemand van ons zijn wil te werken, hoe diep ongelukkig zou hij ons spoedig maken!
2. Jobs behandeling van zichzelf in deze ziekte was zeer vreemd, vers 8.
A. Inplaats van geneeskrachtige zalven nam hij een potscherf, een stuk van een gebroken waterkruik, om zich daarmee te schrabben, wel een zeer treurige toestand, waarin die arme man gekomen was. Als iemand ziek en pijnlijk is, dan zal hij het te beter kunnen dragen als hij goed verpleegd en verzorgd wordt, veel rijke lieden hebben met een zachte liefderijke hand armen, die in zo'n toestand waren gekomen, verpleegd, zelfs aan Lazarus werd verlichting bezorgd door de tongen van de honden die kwamen en zijn zweren likten, maar aan de arme Job werd geen hulp verleend.
a. Er wordt niets gedaan aan zijn zweren, dan wat hij er zelf met zijn eigen handen aan deed. Zijn kinderen en zijn dienstknechten zijn dood zijn vrouw is onvriendelijk, Hoofdst. 19:17. Hij bezit niets, waarmee hij een geneesheer zou kunnen betalen, en, wat het treurigste is van alles, niemand van hen, aan wie hij vroeger weldadigheid had bewezen, had zoveel gevoel van eer en dankbaarheid om hem nu te dienen of te helpen in zijn nood, hem een hand te lenen om zijn wonden te reinigen en te verbinden hetzij omdat de ziekte afzichtelijk en hinderlijk was, of omdat zij vreesden er door aangestoken te worden. Zo was het in vroegere dagen, en zo zal het in de laatste dagen wezen, de mensen waren liefhebbers van zichzelf ondankbaar, zonder natuurlijke liefde.
b. Al wat hij aan zijn zweren doet is ze te schrabben, zij worden met geen zachte doeken verbonden, door geen zalf verzacht, niet gewassen of rein gehouden, geen helende pleister er op gelegd, geen slaapwekkende en pijnstillende middelen de arme lijder toegediend om hem verlichting en rust te geven, geen hartversterking om zijn krachten op te houden, de gehele behandeling bestaat in het schrabben van de zweren die, toen zij rijp werden en korsten vormden zijn gehele lichaam met korsten bedekten, zoals dit gewoonlijk met pokken eindigt. Het zou een onbegonnen werk zijn geweest, om zijn zweren een voor een te behandelen of te verbinden, daarom besluit hij om het maar in het groot te doen, allen tegelijk te behandelen, een middel, dat men wel even erg kan achten als de kwaal.
c. Hij heeft niets anders om het er mee te doen dan een potscherf, geen chirurgisch instrument, geschikt voor het doel, maar een werktuig meer geschikt om in zijn wonden te wroeten en zijn pijn te vermeerderen dan hem verlichting te geven. Mensen, die ziek zijn en pijn lijden, hebben het nodig om onder de leiding en het toezicht van anderen te wezen, want dikwijls zullen zij al heel slechte verzorgers zijn van zichzelf.
B. Inplaats van rust te nemen in een zacht, warm bed, zat hij neer in het midden van de as. Waarschijnlijk had hij nog wel een bed (want, hoewel zijn velden beroofd waren, bevinden wij toch niet dat zijn huis geplunderd was, of verbrand), maar hij verkoos in het midden van de as te zitten, hetzij, omdat hij zijn bed moede was, of omdat hij zich in de plaats en de houding wilde stellen van een boeteling, die ten teken van verfoeiing van zichzelf in stof en as ligt, Hoofdst. 42:6, Jesaja 58:5, Jona 3:6. Aldus heeft hij zich vernederd onder de machtige hand van God, en zijn hart en zijn gemoed in overeenstemming gebracht met de geringheid en armoede van zijn omstandigheden. Hij klaagt, Hoofdst. 7:5, dat zijn vlees met het gewormte was bekleed, en met het gruis des stofs, en daarom: het stof tot het stof, en de as tot de as. Als God hem in het midden van de as brengt, dan zal hij er tevreden neer zitten, een nederig gemoed past bij nederige omstandigheden en zal ons helpen om er mee verzoend te wezen. De Septuaginta geeft de lezing: hij zat neer op een mesthoop buiten de stad, ( hetgeen gewoonlijk gezegd wordt als er van deze geschiedenis wordt gesproken), maar het oorspronkelijke zegt niets meer dan dat hij nederzat in het midden van de as, hetgeen hij in zijn eigen huis heeft kunnen doen.
II. Hij hitst hem aan, door de overredingen van zijn eigen vrouw, om God te vloeken, vers 9. De Joden (die gaarne wijs willen wezen boven hetgeen geschreven is) zeggen dat de vrouw van Job Dina was, de dochter van Jakob, aldus de Chaldeeuwse paraphrase. Het is niet waarschijnlijk dat zij dit was, maar wie zij ook geweest zij, voor hem was zij wat Michal voor David geweest is, een bespotster van zijn Godsvrucht. Zij bleef hem gespaard, toen al wat hem lieflijk was hem ontnomen was, om hem te beroeren en te verleiden. Als Satan nog iets overlaat van hetgeen hij verlof had om weg te nemen, dan is dit met een boze bedoeling. Het is zijn listig overleg om zijn verzoekingen tot ons te doen komen door hen, die ons dierbaar zijn, zoals hij Adam verzocht heeft door Eva, en Christus door Petrus. Daarom moeten wij er zorgvuldig tegen waken, dat wij erdoor de invloed, het smeken en bidden van anderen niet toe gebracht worden iets verkeerds te zeggen of te doen, neen, zelfs niet op aanraden van hen, wier mening en gunst wij op hogen prijs stellen.
Merk op hoe sterk deze verzoeking was.
1. Zij bespot Job om zijn standvastigheid in de Godsdienst: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Zijt gij zo hardnekkig aan uw Godsdienst gehecht, dat niets u ervan genezen kan? Zo mak en onnozel om u aldus te onderwerpen aan een God, die, wel verre van uw diensten te belonen met tekenen van Zijn gunst, er een genot en welbehagen in schijnt te vinden om u ongelukkig te maken, u berooft, u geselt zonder dat gij Hem er enigerlei reden of oorzaak toe hebt gegeven? Is dit een God om nog te worden bemind, geloofd en gediend?"
2. Zo poogt Satan nog de mensen van God af te trekken, zoals hij onze eerste ouders van Hem afgetrokken heeft, door hun harde gedachten van Hem in te blazen, als één die aan Zijn schepselen hun geluk misgunt en zich vermaakt en verlustigt in hun ellende, terwijl toch niets meer vals en leugenachtig is dan dit. Nog een andere kunstgreep, die hij gebruikt, bestaat hierin, dat hij de mensen van hun Godsdienst zoekt weg te drijven, door hen te overladen met spot en smaad, omdat zij er aan vasthouden. Wij hebben reden om dit te verwachten, maar wij zijn dwaas als wij er ons aan storen, onze Meester zelf heeft dit ondervonden, wij zullen er overvloedig voor beloond worden, en met veel meer reden kunnen wij de spotters tegemoet voeren: "Zijt gij zulke dwazen, dat gij nog vasthoudt aan uw goddeloosheid, terwijl gij God zoudt kunnen zegenen en leven?"
3. Zij spoort hem aan om zijn Godsdienst te verzaken, God te lasteren, Hem te trotseren en te tarten om nu maar Zijn ergst aan hem te doen. " Vloek God, en sterf, leef niet langer in afhankelijkheid van God, verwacht geen hulp of verlichting van Hem, verlos uzelf door uw eigen scherprechter te zijn, maak een einde aan uw lijden door een einde te maken aan uw leven, het is beter opeens te sterven dan aldus voortdurend te sterven, gij kunt er nu welaan wanhopen hulp of verlichting van uw God te ontvangen, zo vloek Hem dan en verhang u. Dit zijn twee van Satans afschuwelijkste verzoekingen, maar waarmee zulke Godvruchtige mensen toch soms zijn aangevallen, en dat wel in zeer hevige mate. Niets druist meer in tegen het natuurlijk geweten dan God te lasteren, noch tegen het natuurlijk gevoel dan zelfmoord te begaan, men kan dus gerust veronderstellen, dat de gedachte daaraan door Satan is ingeblazen. Heere, leid ons niet in verzoeking, niet in zulk een, ja in geen, maar verlos ons van de boze.
III. Kloekmoedig weerstaat hij de verzoeking en komt haar teboven, vers 10. Spoedig diende hij haar van antwoord (want Satan liet hem het gebruik van zijn tong, in de hoop dat hij er God mee zou vloeken), hetgeen zijn vast besluit aantoonde God te blijven aankleven, zijn goede gedachten van Hem te behouden, en zijn oprechtheid niet los te laten. Zie: 1. Hoe de verzoeking hem toornig maakte, hij was er over verontwaardigd, dat men hem zo iets durfde voorstellen. "Hoe! God vloeken? Ik verafschuw de gedachte ervan, ga weg achter mij, Satan." In andere gevallen heeft Job met veel zachtmoedigheid geredeneerd met zijn vrouw, zelfs als zij onvriendelijk voor hem was, Hoofdst. 19:17. Ik smeekte haar om van de kinderen mijns schoots wil. Maar als zij hem aanspoort om God te vloeken, is hij zeer misnoegd. Gij spreekt als een van de zottinnen spreekt. Hij noemde haar geen zottin of atheïst, hij breekt ook niet uit in onbetamelijke uitdrukkingen van zijn misnoegen, waar zij, die ziek en pijnlijk zijn, maar al te licht toe komen, denkende dat dit in hen wel verontschuldigd kan worden, maar hij toont haar het kwaad van hetgeen zij gezegd had, dat zij de taal sprak van de ongelovigen en de afgodendienaars, die "als zij" "hard gedrukt zijn vloeken op hun koning en op hun God," Jesaja 8:21. Wij hebben reden te veronderstellen dat in een Godvruchtig gezin, zoals dat van Job was, zijn vrouw welgezind was voor de Godsdienst, maar dat zij, nu hun bezittingen en al hun gerief en gemak weg waren, het verlies niet kon dragen met die goede gemoedsgesteldheid, die Job had. Maar dat zij nu daarom ging beproeven hem met haar boos humeur aan te steken, was een grote ergernis voor hem, en hij kon niet nalaten haar zijn misnoegen er over te tonen. Diegenen zijn toornig en zondigen niet, die alleen toornig zijn tegen de zonde, en een verzoeking opvatten als de grootste belediging, en "de kwaden niet kunnen dragen," Openbaring 2:2. Toen Petrus een satan was voor Christus, zei Hij hem ronduit: gij zijt Mij een aanstoot. Als zij, die wij geloven wijs en goed te zijn, ooit spreken wat dwaas en slecht is, dan moeten wij er hen getrouwelijk om bestraffen, en hun het kwaad aantonen van hetgeen zij zeggen, opdat wij geen zonde op hen laten. Verzoekingen om God te vloeken moeten met de grootste afschuw afgewezen worden, er moet niet eens mee geredeneerd worden, wie het ook zij, die ons daartoe zoekt te overreden moet als onze vijand worden beschouwd, het is op ons gevaar, zo wij naar hem luisteren. Job heeft niet gedacht dat hij, zo hij God vloekte, zich met Adams verontschuldiging kon vrijpleiten, zeggende: "de vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, heeft er mij toe" "bewogen," Genesis 3:12, waarin een stilzwijgende beschuldiging tegen God, tegen Zijn inzetting en Zijn voorzienigheid lag opgesloten, neen indien gij hoont en vloekt, zult gij alleen de schuld er van dragen.
2. Hoe hij tegen de verzoeking redeneert: Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? Hen, die wij bestraffen, moeten wij trachten te overtuigen, en het is niet moeilijk een reden te geven, waarom wij nog vasthouden aan onze oprechtheid, zelfs als ons al het overige ontnomen is. Hij bedenkt dat goed en kwaad wel tegen elkaar overgestelde zaken zijn, maar dat zij toch niet uit tegenover elkaar gestelde oorzaken voortkomen, maar beide uit de hand Gods tot ons komen, Jesaja 45:7, Klaagliederen 3:38, en dat wij daarom in beide het oog op Hem moeten hebben met dankbaarheid voor het goede, dat Hij zendt, en zonder gemelijkheid ook het kwade ontvangen, dat Hij zendt. Let op zijn argument:
A. Hij betoogt, dat wij het kwade niet alleen moeten dragen, maar ontvangen. Zouden wij het kwade niet ontvangen? dat is:
a. Zullen wij niet verwachten het te ontvangen? Als God ons zovele goede dingen geeft, zullen wij dan verbaasd zijn of het vreemd vinden als Hij ons soms beproeft? I Petrus 4:12.
b. "Zullen wij er ons niet toe zetten, om het op de rechte wijze te ontvangen?" Het woord betekent: ontvangen als een gave, en geeft een vrome gemoedsgesteldheid te kennen onder onze beproevingen, die noch minachtende, noch er onder bezwijkende, ze beschouwende als gaven, Filipp. 1:29, ze aannemende als straf voor onze ongerechtigheid Leviticus 26:41, berustende in de wil van God hierin-"Hij doe mij wat goed is in Zijn ogen", en ons er naar voegende, zoals zij die weten gebrek te lijden, zowel als overvloed te hebben, Filipp. 4:12. Als het hart verootmoedigd en gespeend is door verootmoedigende leidingen van Gods voorzienigheid, dan "nemen wij de tucht aan," Zefanja 3:2, en nemen ons kruis op ons.
B. Waaruit hij redeneert. Zullen wij zoveel goed ontvangen, als uit de hand Gods tot ons is gekomen gedurende al de jaren van vrede en voorspoed, die wij geleefd hebben en zullen wij nu geen kwaad ontvangen, als God het geschikt oordeelt om het ons te zenden? De gedachte aan de zegeningen, die wij van God ontvangen hebben, zowel voorheen als nu, moet ons in een gepaste gemoedsstemming onze beproevingen doen ontvangen. Als wij ons deel ontvangen van het algemene goed in de zeven jaren van overvloed, zullen wij dan ook niet ons deel ontvangen van het algemene kwaad in de jaren van de hongersnood? Qui sentit commodum, sentire debet et onus-hij, die het voorrecht gevoelt moet zich bereiden voor de ontbering. Indien wij zoveel hebben, dat ons aangenaam is en ons behaagt waarom zouden wij dan niet ook tevreden zijn met hetgeen God behaagt? Indien wij zoveel goeds en liefelijks ontvangen, zullen wij dan ook niet enige beproevingen ontvangen, die als tegenstellingen dienen van onze gemakken en gerieflijkheden, om er de waarde zoveel sterker van te doen uitkomen (de waarde van onze zegeningen leren wij kennen doordat wij ze soms ontberen), en als temperingen van hetgeen ons aangenaam is, teneinde het minder gevaarlijk te maken, de balans in evenwicht te houden en te voorkomen dat wij "ons verheffen?" 2 Corinthiers 12:7. Indien wij zoveel goed ontvangen voor het lichaam, zullen wij dan ook niet enig goed ontvangen voor de ziel, dat is: enige beproevingen, waardoor wij Gods heiligheid deelachtig worden, Hebreeën 12:10, iets, dat door het aangezicht treurig te maken het hart beter maakt? Zo laat dan murmureren, evenals roemen, voor altijd buitengesloten zijn.
IV. Zo hield Job dan in goede mate nog vast aan zijn oprechtheid, en was Satans aanslag tegen hem mislukt. In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. Hij heeft niet alleen dit goed gezegd, maar alles wat hij toen zei, was onder de regel van Godsdienst en goed verstand, onder al deze treurige omstandigheden heeft hij geen verkeerd woord gesproken, en wij hebben geen reden om te denken dat hij niet ook een goede gemoedsstemming behield, zodat, hoewel er in het hart enige roering, een opkomen van het bederf kon wezen de genade toch de overhand behield, en hij droeg zorg, dat de wortel van de bitterheid niet opwaarts sproot om beroerte te maken, Hebreeën 12:15. De overvloed van zijn hart was voor God, bracht goede dingen voort, en hield het kwaad dat er was ten onder. Indien hij enigerlei kwaad dacht, legde hij toch zijn hand op zijn mond, Spreuken 30:32, smoorde hij de boze gedachte, en liet hij haar niet verder gaan, waaruit bleek, niet alleen dat hij ware genade had, maar dat zij sterk was en zegevierend, in één woord, dat hij de hoedanigheid niet had verbeurd van een oprecht en vroom man, want aldus toont hij zich, die temidden van zulke verzoekingen "in woorden niet" "struikelt," Jakobus 3:2, Psalm 17:3.