Job 21:1-6
Job beveelt hier zijn toestand en zijn rede, beide wat hij leed en wat hij zei, aan de medelijdende overweging van zijn vrienden.
1. Wat hij van hen begeert is zeer billijk, namelijk dat zij hem zullen toelaten te spreken, vers 3, en hem niet in de rede zullen vallen, zoals Zofar gedaan heeft. Onder alle mensen moet aan hen, die verliezen lijden, verlof tot spreken worden gegeven, en als zij, die beschuldigd en bestraft worden, niet tot hun verdediging mogen spreken, dan wordt hun een onherstelbaar onrecht gedaan. Hij smeekt hun dat zij aandachtiglijk zijn rede zullen horen, vers 2, als degenen die hem begrijpen, en zo zij in dwaling waren, bereid zouden zijn hun dwaling in te zien en te herstellen, hij bidt hun ook hem aan te zien, vers 5, want wij kunnen evengoed niet horen als niet letten op hetgeen wij horen.
2. Hetgeen waarop hij aandringt is zeer redelijk.
A. Zij kwamen om hem te troosten. "Welnu", zegt hij, "laat dit zijn uw vertroostingen, vers 2, zo gij geen andere vertroostingen voor mij hebt, zo onthoudt mij tenminste deze niet, weest zo vriendelijk, zo rechtvaardig, om mij geduldig aan te horen, en dat zal dan voor uw vertroostingen kunnen gelden." Ja zij konden niet weten hoe hem te vertroosten, indien zij hem niet wilden toestaan zijn zaak voor hen bloot te leggen. Of: "het zal een vertroosting zijn voor uzelf als gij kunt denken vriendelijk gehandeld te hebben met uw beproefde vriend, hem niet met hardheid te hebben bejegend."
B. Hij zal hen willen aanhoren, als het hun beurt zal zijn om te spreken. "Nadat ik gesproken heb, kunt gij voortgaan met hetgeen gij te zeggen hebt, en ik zal u niet hinderen al is het ook dat gij voortgaat met spotten." Zij, die zich in twistgesprekken mengen, moeten verwachten dat hun harde woorden gegeven zullen worden, en zich voornemen om dit geduldig te dragen, want meestal zullen zij, die spotten, blijven spotten in weerwil van alles, dat tegen hen gezegd wordt.
C. Hij hoopte hen te overtuigen. "Indien gij mij slechts met onpartijdigheid wilt aanhoren, gaat dan maar voort met spotten zo gij kunt, maar ik geloof datgene te zullen zeggen, dat u een andere toon zal doen aanslaan, daar gij dan veeleer medelijden met mij zult hebben, dan genegen zult zijn om nog verder met mij te spotten."
D. Zij waren zijn rechters niet, vers 4. "Is mijn klacht tot de mens? Neen, en indien zij het ware, ik zie dat het van weinig nut zou zijn. Maar mijn klacht is tot God, en ik beroep mij op Hem. Laat Hem richten tussen u en mij. Voor Hem staan wij op gelijke voet, en daarom heb ik het voorrecht evengoed als gij gehoord te worden. Indien mijn klacht tot de mensen was, mijn geest zou ontroerd zijn, want zij zouden geen acht op mij slaan, en mij ook niet recht begrijpen, maar mijn klacht is tot God, die mij zal toelaten te spreken, ofschoon gij dit niet wilt." Het zou treurig zijn, indien God even onvriendelijk met ons handelde als onze vrienden soms met ons handelen.
E. Er was in zijn toestand iets, dat zeer verbazingwekkend was, en dat dus hun ernstige overweging behoefde en verdiende. Zijn geval was geen gewoon, maar wel een zeer buitengewoon geval. a. Hijzelf was er van verbaasd, verbaasd over de ellende, die God over hem heeft gebracht, en over de bestraffingen van zijn vrienden, vers 6. "Wanneer ik gedenk aan de ontzettende dag, toen ik van alles wat lieflijk was en mij tot vertroosting strekte beroofd werd, die dag, waarop ik met boze zweren geslagen werd, als ik gedenk aan al de harde redenen, waarmee gij mij gegriefd hebt, dan-ik beken het- word ik beroerd, dan wordt mijn vlees door siddering bevangen, inzonderheid als ik dit vergelijk met de voorspoedige toestand van vele goddelozen en de toejuichingen hunner naburen, waarmee zij door de wereld gaan." De leidingen van Gods voorzienigheid in het bestuur van de wereld zijn soms zeer verbazingwekkend, zelfs voor wijze en Godvruchtige mensen, zodat zij niet weten wat er van te denken.
b. Hij wenst dat zij er verbaasd over zullen zijn, vers 5. "Ziet mij aan, en wordt verbaasd. Inplaats van een uitlegging te geven van mijn beproevingen, moest gij, vervuld van ontzag, de ondoorgrondelijke verborgenheden van Gods voorzienigheid aanbidden in de beproevingen van een man, van wie gij geen kwaad weet, daarom behoordet gij de hand op de mond te leggen, zwijgend de uitkomst af te wachten en niet te oordelen vóór de tijd." Gods weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren. Als wij hetgeen Hij doet door de goddelozen voorspoedig te laten zijn en de Godvruchtigen te beproeven, niet kunnen verklaren, de diepten van deze Zijn handelingen niet kunnen doorgronden, dan betaamt het ons stil neer te zitten en ze te bewonderen. De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, Hoofdst. 17:8. Weest gij dit ook.