Job 29:1-6
Aan hen, die zware verliezen hebben geleden kan verlof tot spreken worden gegeven en er is niets, waarover zij met meer gevoel spreken dan over het genot en het geluk dat zij verloren hebben. Hun vorige voorspoed is een van de aangenaamste onderwerpen van hun gedachten en hun gesprekken. Zo was het hier met Job, die begint met een wens, vers 2. Och, of ik ware gelijk in de vorige maanden! Aldus begint hij het verhaal van zijn voorspoed. Zijn wens is:
1. "Och, of ik in zo goed een toestand ware als ik toen was, dat ik zoveel rijkdom, eer en genoegen had als ik toen gehad heb!" Dit wenst hij niet zozeer voor zijn gemak en behagen als wel voor zijn eer en goede naam en de eer en heerlijkheid zijns Gods die, naar hij dacht, door zijn tegenwoordig lijden verduisterd waren. "Och, dat ik in mijn vorige voorspoed hersteld ware, dan zou aan de bestraffingen mijner vrienden voor goed het zwijgen zijn opgelegd, zelfs naar hun eigen beginselen!" Indien dit ons doel is in onze begeerte naar leven, gezondheid en welvaart, namelijk dat God verheerlijkt moge worden en de eer van onze heilige belijdenis bewaard of hersteld moge worden, dan is die begeerte niet slechts natuurlijk, maar ook geestelijk.
2. "Och, dat ik in zo goed een gemoedsgesteldheid ware, als waarin ik toen was!" Waar Job nu het meest over klaagde, was een last op zijn ziel, op zijn gemoed, doordat God zich van hem had teruggetrokken, en daarom wenst hij dat zijn geest thans even verruimd en aangemoedigd mocht zijn in de dienst van God als dit toen het geval was, dat hij thans even gelukkig en vrijmoedig gemeenschap met Hem kon oefenen als toenmaals. Dit was in de dagen van zijn jonkheid, vers 4, toen hij in zijn bloeitijd was voor het genieten van deze dingen, er het grootste genot in kon smaken. Zij, die voorspoedig zijn in de dagen hunner jeugd, weten niet wat sombere, donkere dagen nog voor hen weggelegd zijn.
Twee dingen hebben de vorige maanden voor Job aangenaam gemaakt.
I. Dat hij vertroosting smaakte in zijn God. Dat was het voornaamste, dat hem blijdschap gaf in zijn voorspoed, als de bron en de lieflijkheid ervan, namelijk dat hij de gunst genoot van God en de tekenen had van die gunst. Hij heeft zijn voorspoed niet toegeschreven aan een gelukkige wending van de fortuin of aan zijn eigen macht of aan de kracht van zijn hand, neen, hij erkent hetzelfde als David erkend heeft, Psalm 30:8 :Gij, Heere, had door Uwe goedgunstigheid mijn berg vastgezet. Een Godvruchtige ziel verblijdt zich in de gunst van God, niet in die van de wereld.
Vier dingen waren voor de Godvruchtige Job toen aangenaam.
1. Het vertrouwen, dat hij had in de bescherming Gods. Het waren de dagen toen God mij bewaarde, vers 2. Zelfs toen zag hij zich blootgesteld aan gevaar, heeft hij van zijn goed de stad van zijn sterkte niet gemaakt en op de veelheid zijns rijkdoms niet vertrouwd maar de naam des Heeren was zijn sterke toren en daarin alleen achtte hij zich veilig, en daaraan schreef hij het toe, dat hij toen veilig was, en dat zijn vertroosting en lieflijkheid hem bewaard bleven. De duivel zag dat God een omtuining rondom hem had gemaakt, Hoofdst. 1:10, en Job had dit zelf ook gezien, en hij heeft erkend dat Gods opzicht zijn geest heeft bewaard, Hoofdst. 10:12. Alleen zij zijn veilig, die door God beschermd worden, en zij kunnen gerust zijn, en daarom moeten de mensen, al hebben zij ook nog zoveel in de wereld, zich niet veilig achten, tenzij God hen bewaart. 2. De voldoening, die hij smaakte in de gunst van God, vers 3. Gods lamp scheen over zijn hoofd, dat is: God verhief het licht Zijns aanschijns over hem, en gaf hem de verzekerdheid van Zijn liefde. De beste mededelingen van Gods gunst aan de heiligen in deze wereld, zijn slechts lamplicht, vergeleken bij hetgeen voor hen is weggelegd in de toekomende staat. Maar Job smaakte een zo grote voldoening in de Goddelijke gunst, dat hij bij het licht daarvan door de duisternis heenwandelde, dat licht was hem ten gids in zijn twijfelingen, vertroostte hem onder zijn smarten, ondersteunde hem, hield hem staande onder zijn lasten en hielp hem heen door al zijn moeilijkheden. Zij, die de helderste zonneschijn hebben van uitwendige voorspoed, moeten toch enige ogenblikken van duisternis verwachten, soms worden zij tegengewerkt, soms staan zij in verlegenheid, soms zijn zij treurig en neerslachtig, maar zij, die de gunst van God deelachtig zijn en haar weten te waarderen, kunnen bij het licht daarvan blijmoedig en getroost door de duisternis van dit tranendal heengaan. Dat brengt een blijdschap in het hart, die kan opwegen tegen al het droevige van de tegenwoordige tijd.
3. De gemeenschap, die hij had met het Goddelijk woord, vers 4. Gods verborgenheid was over mijn tent, dat is: toen God vrijelijk met hem sprak zoals de ene boezemvriend met de andere. Hij kende Gods wil en was er niet zoals nu, in duisternis over. De verborgenheid des Heeren wordt gezegd te zijn voor degenen, die Hem vrezen, want Hij toont hun datgene in Zijn verbond dat anderen niet zien, Psalm 25:14. God deelt Zijn gunst en genade mee aan Zijn volk en ontvangt hun toewijding op een wijze, die voor de wereld verborgen blijft. Sommigen lezen de zin: Toen het gezelschap Gods in mijn tent was hetgeen Rabbi Salomo verstaat van een vergadering van Gods volk, die in Jobs huls placht bijeen te komen ter aanbidding Gods, waarin hij voorging, waarin hij veel genot smaakte, en welker verstrooiing een groot verdriet voor hem was. Het kan ook verstaan worden van de engelen Gods, die zich legerden rondom zijn woning.
4. De verzekerdheid, die hij had van Gods tegenwoordigheid, vers 5, toen de Almachtige nog met mij was. Hij dacht dat God nu van hem geweken was, maar in die dagen was Hij met hem en dat was voor hem alles in alles. Gods tegenwoordigheid in iemands huis maakt het-al is het ook slechts een hut-beide tot een burcht en tot een paleis.
II. Dat hij genot en vertroosting had in zijn gezin, alles was er aangenaam en lieflijk, hij had monden voor zijn spijs en spijs voor zijn monden, het gebrek aan een van beide is een grote beproeving.
1. Hij had veel kinderen om van zijn goederen te genieten, en hij had hen bij zich mijn jongens waren rondom mij, en die kinderen waren hem gehoorzaam, zij waren om hem heen om te weten wat hij wenste en waarin zij hem konden dienen. Het is voor liefhebbende ouders een genot om hun kinderen om zich heen te zien. Job spreekt met veel gevoel van deze zegen, nu hij ervan beroofd was. Het was hem een blijk en bewijs dat God met hem was, dat zijn kinderen om hem heen waren, en toch achten wij het verkeerd indien wij, als wij onze kinderen verloren hebben, ons er niet mee kunnen vertroosten dat wij onze God niet hebben verloren.
2. Hij had een grote bezitting om dit talrijk gezin te kunnen onderhouden, vers 6. Zijn melkhuis was zo goed voorzien dat hij, zo hem dit had behaagd, zijn gangen had kunnen wassen in boter, en zijn olijfgaarden waren zo vruchtbaar, dat het was alsof de rots hem oliebeken uitgoot. Hij schat zijn rijkdom niet naar zijn zilver en goud, die geschikt zijn om opgelegd te worden, maar naar zijn boter en olie, die dienden tot gebruik, immers waartoe dient een bezitting, indien niet om er goed uit te hebben voor onszelf en er goed mee te doen aan anderen.