Job 16:1-5
Beide Job en zijn vrienden volgden de gewone weg van de twistredenaars, welke hierin bestaat dat zij elkanders verstand en beleid onderschatten. Hoe langer de zaag van de twisting op- en neergaat, hoe warmer zij wordt, en het begin van die soort van twisting is als een opening geven aan het water, zo verlaat haar dan, eer zij zich vermengt. Elifaz had Jobs redenen voorgesteld als ijdel, nutteloos en niet ter zake, en Job schrijft hier aan de zijne dezelfde eigenschappen toe. Zij, die zo gereed zijn met hun afkeuringen en bestraffingen, moeten verwachten dat gelijke afkeuringen en bestraffingen hun toegeduwd zullen worden. Dat gaat gemakkelijk genoeg, en het duurt eindeloos voort, maar "Cui bono? -Waartoe dient het?" Het zal der mensen hartstochten opwekken, maar hen niet tot overtuiging brengen, noch de waarheid in een helder licht stellen.
Job bestraft hier Elifaz:
1. Wegens nodeloze herhaling vers 2. "Ik heb vele dergelijke dingen gehoord Gij zegt mij niets dan wat ik reeds weet, gij brengt niets nieuws te berde, het is alles telkens en nogmaals hetzelfde". En Job vindt dit een schier even grote beproeving van zijn geduld, als al de ellende, die hij leed. Dat gedurig inprenten van dezelfde dingen door een tegenstander is ook werkelijk prikkelend en walglijk, maar voor een leraar, een onderwijzer is dit dikwijls noodzakelijk en voor hem die onderwezen wordt moet dit niet verdrietelijk zijn, voor hem is regel op regel, gebod op gebod nodig. Wij hebben vele dingen gehoord, die goed voor ons zijn om nogmaals te horen, ten einde ze beter te begrijpen en te onthouden, er te meer door getroffen te worden en te meer onder de invloed ervan te komen.
2. Wegens verkeerde toepassingen. Zij waren gekomen om hem te vertroosten, maar daarbij gingen zij al zeer onhandig te werk en als zij Jobs toestand bespraken, toonden zij dat zij hem volstrekt niet begrepen. "Gij allen zijt moeilijke vertroosters, die inplaats met iets aan te komen om de smart te verzachten, er nog smart aan toe doet en haar zwaarder, bitterder maakt." De toestand van de patiënt is voorwaar wel zeer treurig, als zijn medicijnen vergif voor hem zijn en zijn medicijnmeester zijn ergste ziekte. Wat Job hier zegt van zijn vrienden is waar van alle schepselen in vergelijking met God en op de een of andere tijd zullen wij moeten zien en erkennen dat zij allen moeilijke vertroosters zijn. Als wij onder overtuiging van zonde verkeren, als ons geweten ons verschrikt en benauwt en de banden des doods ons omgeven, dan is het alleen de gezegende Geest, die in waarheid vertroosten kan, zonder Hem zijn alle anderen er onbekwaam en onmachtig toe, en nutteloos zingen zij liedekens bij een treurig hart.
3. Wegens voortdurende onbetamelijkheid in het spreken. Job wenst dat er een einde kome aan de winderige woorden, vers 3. Indien deze woorden winderig, ijdel zijn, dan zou het goed wezen als zij nooit waren begonnen, en hoe eerder er een einde aan komt, zoveel beter. Zij, die zo wijs zijn dat zij doelmatig en ter zake spreken, zullen ook zo wijs zijn om te weten wanneer zij genoeg gezegd hebben omtrent een zaak, en wanneer het tijd is om op te houden.
4. Wegens redeloze halsstarrigheid. Wat stijft u, dat gij alzo antwoordt? Het is een zeer roekeloze en ongerechtvaardigde stoutheid, om met Elifaz iemand misdaden ten laste te leggen, die wij niet kunnen bewijzen een oordeel uit te spreken over iemands geestelijke staat, dat alleen maar op zijn uitwendige toestand berust, telkens en nogmaals met bezwaren aan te komen tegen iemand, die telkens en nogmaals weerlegd zijn.
5. Wegens het schenden van de heilige wetten van de vriendschap, doende aan zijn broeder wat hij niet wenst dat aan hem gedaan zal worden, en wat zijn broeder aan hem niet gedaan zou hebben. Dit is een scherpe bestraffing en die treffen moet, vers 4, 5.
A. Hij verlangt van zijn vrienden dat zij zich, in hun verbeelding, voor een kleine wijle in zijn toestand verplaatsen, hun ziel stellen in de plaats van zijn ziel, eens zullen denken dat zij in de ellende zijn en hij gezond en welvarend is. Dit was geen ongerijmde of vreemde gedachte, maar iets dat spoedig genoeg een feit kon worden, zó verrassend, zo plotseling zijn dikwijls de wisselvalligheden in der mensen leven, het rad draait zo snel om dat de spaken spoedig van plaats veranderen, hoedanig ook de smarten of rampen van onze broederen zijn, wij moeten ze door ons medegevoel tot de onze maken, want. wij weten niet hoe spoedig dit ook werkelijk het geval kan wezen.
B. Hij stelt hun de onvriendelijkheid hunner houding tegenover hem voor, door aan te tonen wat hij hun zou kunnen doen, indien zij zich in zijn toestand bevonden. Ook ik zou kunnen spreken, zoals gijlieden spreekt, vers 4. Het is gemakkelijk hen te vertreden, die reeds ter aarde zijn geworpen, en afkeurende aanmerkingen te maken op hetgeen zij zeggen, die door pijn en beproeving tot het uiterste zijn gebracht. "Ik zou woorden tegen u kunnen samenhopen, zoals gij het tegen mij doet, en hoe zou u dit aanstaan? Hoe zoudt gij het verdragen?"
C. Hij toont hun wat zij behoorden te doen, door hun te zeggen wat hij in dat geval doen zou, vers 5. "Ik zou u versterken, alles zeggen wat ik maar kon om uw leed te verzachten, maar niets om het te verzwaren." Het is voor lijders natuurlijk om te denken aan wat zij zouden doen indien het blaadje eens omgekeerd was, maar misschien zou ons hart ons bedriegen, wij weten niet wat wij zouden doen. Wij vinden het gemakkelijker om het redelijke en gewichtige van een gebod in te zien als wij gelegenheid hebben om aanspraak te maken op het nut en voordeel ervan, dan om die plicht te volbrengen als de gelegenheid er toe zich aan ons voordoet. Zie wat onze plicht is jegens onze broederen, die in benauwdheid en beproeving zijn.
a. Wij moeten zeggen en doen al wat wij kunnen om hen te versterken, hun overwegingen aan de hand doen, die geschikt zijn om hen aan te moedigen om op God te vertrouwen en hun bezwijkende moed weer te verlevendigen. Geloof en lijdzaamheid zijn de sterkte van de beproefden, al wat er toe bijdraagt om deze gaven van de genade op te wekken of in stand te houden, zal de struikelende knieen vaststellen.
b. Hun leed te verzachten, de oorzaken ervan weg te nemen, zo dit mogelijk is, of tenminste hun gevoeligheid over die oorzaken te lenigen. Goede woorden kosten niets, maar zij kunnen aan hen, die leed hebben, groten dienst bewijzen, niet alleen omdat het hun tot troost is hun vrienden begaan te zien met hun lijden, maar ook omdat zij er door herinnerd kunnen worden aan hetgeen zij door de overmaat hunner smart vergeten hadden. Ofschoon harde woorden geen stenen breken (zoals het spreekwoord zegt) kunnen vriendelijke woorden er toe bijdragen dat de beenderen, die verbrijzeld waren, zich verheugen, en diegenen hebben een tong van de geleerden, die met de moeden een woord ten rechten tijd spreken.