Job 4:1-6
In deze verzen:
I. Verontschuldigt Elifaz de moeite, die hij Job zal aandoen door hetgeen hij gaat zeggen, vers 2. "Zo wij een woord opnemen tegen u, een woord van bestraffing en raadgeving tot u spreken, zult gij verdrietig zijn, het ons ten kwade duiden? Wij hebben reden te vrezen dat gij dit zult, maar het kan niet verholpen worden, wie zal zich van woorden kunnen onthouden?"
Merk op:
1. Met welk een bescheidenheid hij spreekt van zichzelf en van hetgeen hij gaat doen. Hij wil de behandeling van de zaak niet op zich alleen nemen, maar zeer nederig voegt hij zijn vrienden aan zich toe: "zo wij een woord tegen u opnemen." Zij, die Gods zaak bepleiten, moeten gaarne hulp willen hebben, opdat zij geen schade lijden door hun zwakheid of ongenoegzaamheid. Hij wil niet veel beloven, maar vraagt verlof om te trachten, te pogen, een woord tot hem te richten, een gepast woord te zeggen omtrent Jobs toestand. In moeilijke zaken betaamt het ons niet verder te gaan dan te beproeven wat gezegd of gedaan kan worden. Aan velen zeer uitnemende redenen of verhandelingen is de bescheiden titel van essay, of proeve gegeven.
2. Met welk een tederheid hij spreekt van Job en zijn tegenwoordige toestand van beproeving. "Indien wij u ons gevoelen zeggen zult gij dan verdrietig zijn? Zult gij het euvel opnemen? Zult gij het ter harte nemen als uw beproeving, of het ons ten laste leggen als onze schuld? Zullen wij voor onvriendelijk en wreed gehouden worden, als wij openhartig en trouw met u handelen? Wij wensen, wij hopen van neen, en het zou ons bedroeven zo ons datgene ten kwade werd geduid, wat wij toch goed bedoelen." Wij moeten bevreesd zijn om iemand te grieven of te bedroeven, inzonderheid hen, die reeds in smart en droefheid zijn, opdat wij niet, zoals Davids vijanden, aan de beproefden nog beproeving toevoegen, Psalm 69:27. Wij moeten ons onwillig betonen om te zeggen wat wij kunnen voorzien smartelijk te zullen zijn, al is het ook nog zo nodig. God zelf, hoewel Hij rechtvaardiglijk beproeft, bedroeft de mensenkinderen toch niet van harte, Klaagliederen 3:33.
3. Met welk een verzekerdheid hij spreekt van de waarheid en gepastheid van hetgeen hij gaat zeggen: Wie zal zich van woorden kunnen onthouden? Voorzeker! het was een vrome ijver voor Gods eer en het geestelijke welzijn van Job, die hem deze noodzakelijkheid oplegde om te spreken. "Wie kan nalaten te spreken ter handhaving van Gods eer, die wij horen betwijfelen, en in liefde tot uw ziel, die wij in gevaar zien?" Het is een dwaas medelijden, dat ons belet onze vrienden te bestraffen, zelfs onze vrienden, die in beproeving zijn, om hetgeen zij verkeerds zeggen of doen, alleen maar uit vrees van hen te beledigen. Of de mensen het goed of kwaad opnemen, wij moeten met wijsheid en zachtmoedigheid onze plicht betrachten en ons geweten ontlasten.
4. Wat betreft zijn gedrag onder deze beproeving, hij beschuldigt hem van zwakheid en kleinmoedigheid. Voor dit punt van zijn beschuldiging had hij maar al te veel grond, vers 3 -5. En hier:
A. Neemt hij nota van Jobs vroegere diensten in het vertroosten van anderen. Hij erkent dat Job velen had onderwezen. niet alleen zijn eigen kinderen en zijn dienstvolk, maar ook vele anderen, zijn naburen en zijn vrienden, zovelen als zich in de kring van zijn werkzaamheid bevonden. Hij heeft niet slechts hen aangemoedigd, die onderwijzers waren door hun ambt of beroep, hen gesteund en betaald voor hun onderrichten van hen, die arm waren maar hij zelf heeft velen onderwezen. Hoewel hij een groot, voornaam man was, heeft hij dit niet beneden zich geacht. Koning Salomo was een prediker. Hoewel hij een man was van zaken, vond hij daar toch de tijd toe, hij ging tot zijn naburen, sprak met hen over hun ziel, en gaf hun goede raad. O dat dit voorbeeld van Job door onze grote mannen gevolgd werd! Als hij personen ontmoette, die op het punt stonden van in zonde te vallen of te bezwijken onder de last hunner moeilijkheden, hebben zijn woorden hen staande gehouden. Hij had een verwonderlijke bekwaamheid of gave om te zeggen wat geschikt was om de mensen te sterken tegen verzoeking, hen te ondersteunen onder hun lasten, en het benauwde geweten te vertroosten. Hij had en gebruikte de tong van de geleerden wist tot vermoeiden een woord ter rechter tijd te spreken, en is zeer bezig geweest in dit goede werk. Met gepaste raadgevingen en vertroostingen heeft hij slappe handen gesterkt voor werk en dienstbetoon en voor de geestelijken strijd, en "de krommende knieën" "vastgesteld" om de mens te steunen op zijn reis en onder zijn last. Het is niet alleen onze plicht onze eigen "trage handen op te richten" door ons op te wekken en te bemoedigen op de weg. van onze plicht, Hebreeën 12:12, wij moeten ook de slappe handen van anderen sterken als daar gelegenheid toe is, en doen wat wij kunnen om hun struikelende knieën vast te stellen door tot hen, die onbedachtzaam van hart zijn, te zeggen: Vreest niet, Jesaja 35:3, 4. De uitdrukkingen schijnen daaraan ontleend te zijn. Zij, die overvloed van geestelijke rijkdom bezitten, moeten overvloedig zijn in geestelijke barmhartigheid. Een goed woord wèl en verstandig gesproken, kan meer goed doen dan wij wellicht denken.
Maar waarom maakt Elifaz hier nu melding daarvan?
a. Misschien prijst hij hem aldus voor het goed, dat hij gedaan heeft, teneinde de voorgenomen bestraffing te meer draaglijk voor hem te maken. Rechtmatige lof is een goede inleiding voor een rechtmatige bestraffing, zal er toe bijdragen om vooroordelen weg te nemen en te tonen dat de bestraffing niet uit kwaadwilligheid voortkomt. Paulus prees de Corinthiers eer hij hen berispte, 1 Corinthiers 11:2.
b. Hij gedenkt hoe Job anderen vertroost heeft, als een reden waarom hij terecht kon verwachten zelf vertroost te worden, en toch, indien overtuiging nodig was teneinde te kunnen vertroosten, dan moeten zij er in verontschuldigd worden, zo zij zich daar het eerst toe begeven. "De Trooster zal overtuigen," Johannes 16:8.
c. Hij zegt dit misschien in medelijden, het betreurende dat hij vanwege zijn zwaar lijden, die vertroostingen voor zichzelf niet kon aannemen, die hij vroeger aan anderen heeft toegediend. Het is gemakkelijker goede raad te geven dan aan te nemen, zachtmoedigheid en geduld te prediken dan te beoefenen. Facile omnes cum valemus, rectum concilium aegrotis damus-Allen vinden wij het gemakkelijk, om, als wijzelf gezond zijn, goede raad te geven aan de zieken.
d. De meesten denken dat hij er van spreekt tot verzwaring van zijn tegenwoordig ongeduld, hem zijn kennis verwijtende en de goede diensten, die hij aan anderen bewezen heeft, alsof hij zei: "Gij hebt anderen onderwezen, waarom hebt gij uzelf niet onderricht? Is dit geen blijk van uw geveinsdheid, dat gij de medicijn hebt voorgeschreven aan anderen, die gij zelf niet nemen wilt, zodat gij uzelf tegenspreekt, en tegen uw eigen bekende beginselen handelt? Gij, die een ander leert niet te verflauwen, bezwijkt gij nu zelf? Romeinen 2:21. "Geneesmeester, genees uzelf." Zij, die anderen hebben bestraft, moeten verwachten ervan te horen, als zij zelf er aan onderhevig zijn om bestraft te worden.
B. Hij verwijt hem zijn tegenwoordige kleinmoedigheid, vers 5. "Nu het aan u is gekomen, nu het uw beurt is om beproefd te worden, en de bittere beker, die rondgaat, in uw hand is gegeven, nu het tot u raakt, zijt gij verdrietig en wordt gij beroerd." Hier gaat hij:
a. Al te licht heen over Jobs beproeving. "Het raakt tot u." Hetzelfde woord dat Satan heeft gebruikt, Hoofdst. 1:11, 2:5. Had Elifaz slechts de helft gevoeld van Jobs beproeving, hij zou gezegd hebben: "Het treft mij, het wondt mij", maar sprekende van Jobs beproeving, maakt hij er een kleinigheid van: "het raakt u aan, en gij kunt het niet dragen om aangeraakt te worden, Noli me langere-Raak mij niet aan.
b. Stelt hij Jobs toorn al te groot voor. "Gij zijt verdrietig, of, gij zijt buiten uzelf, gij raast en weet niet wat gij zegt. Aan mensen, die in zware, diepe droefheid zijn, moet iets toegegeven worden, er moet een gunstige uitlegging worden gegeven aan hetgeen zij zeggen. Als wij ieder van hun woorden in de slechtste zin opvatten, dan doen wij hun niet zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden.
5. Wat betreft zijn algemeen karakter vóór deze beproeving, hij beschuldigt hem van goddeloosheid en dubbelhartigheid, en dat punt van zijn beschuldiging was ten enenmale ongegrond en onrechtvaardig. Hoe onvriendelijk verwijt hij hem zijn schoon en krachtig belijden van de Godsdienst, alsof het nu alles op niets ware uitgelopen, slechts voorgewend bleek te zijn, vers 6. "Is dit niet uw vreze, uw vertrouwen, uw hoop en de oprechtheid uwer wegen? Blijkt het nu niet dat het alles slechts een blote schijn was? Want, indien gij er oprecht in waart geweest, God zou u niet aldus beproefd hebben, en gij zoudt u niet aldus onder de beproeving gedragen hebben." Dit was het nu juist wat Satan beoogde, Job als een huichelaar te doen voorkomen, dus te weerleggen wat God gezegd had omtrent Jobs karakter. Nu hij zelf dit niet aan God kon betogen, daar hij nog zag en zei: Job is oprecht en vroom, poogt hij het aan Job zelf door zijn vrienden aldus te doen voorkomen, en hem er dan toe te bewegen zich een huichelaar te bekennen. Kon hij dit gedaan krijgen, hij zou getriomfeerd hebben: Habes confitentem reum-Uit uw eigen mond zal ik u oordelen. Maar door Gods genade werd Job instaat gesteld vast te houden aan zijn oprechtheid en wilde hij geen vals getuigenis afleggen tegen zichzelf. Zij die roekeloos en liefdeloos een afkeurend oordeel uitspreken over hun broederen en hen veroordelen als geveinsden, doen Satans werk en dienen zijn belangen meer dan zij wel weten. Ik weet niet waarom aan dit vers in verscheidene edities van de Engelse overzetting van de Bijbel een verschillende lezing wordt gegeven. Het oorspronkelijke en al de oude vertalingen hebben uw hoop voor de oprechtheid van uw wegen, evenzo in die van Genève en de meeste edities van de laatste vertaling, maar in een van de eerste, die van 1612, vind ik de lezing: Is dit niet uw vrees, uw vertrouwen, de oprechtheid van uw wegen, en uw hoop? Beide de aantekeningen van de Westminster vergadering en die van Dr. Poole, geven dezelfde lezing, en in die van 1660 luidt het: "Is niet uw vreze uw vertrouwen, en de oprechtheid van uw wegen uw hoop? Blijkt het nu niet dat alle Godsdienst zowel van uw vroomheid in de binnenkamer als van uw wandel in het openbaar slechts bestond in de hoop en verwachting van er rijk door te worden? Was het niet alles slechts baatzucht?" Juist hetzelfde wat Satan gezegd heeft. Is niet uw Godsdienst uw hoop, en uw rechte wegen uw vertrouwen? Aldus Ds. Broughton. Of: "Was dit niet zo? Hebt gij niet gedacht dat die uw bescherming zou zijn? Maar gij bedriegt u." Of: "Zou dit niet zo geweest zijn? Indien uw Godsdienst oprecht ware geweest, zou hij u dan niet voor deze wanhoop bewaard hebben?" Het is waar: "Vertoont gij u slap ten dage van de" "benauwdheid, uw kracht, uw" genade, is "nauw," of klein, Spreuken 24:10, maar hieruit volgt nog niet dat gij in het geheel geen kracht, geen genade, hebt. Iemands karakter moet niet naar een enkele daad beoordeeld worden.