Job 24:1-12
Jobs vrienden verklaarden stellig dat zij spoedig de val zouden zien van goddeloze mensen, hoe voorspoedig zij ook voor een wijle konden wezen. Geenszins, zegt Job. hoewel de tijden voor de Almachtige niet verborgen zijn zien zij, die Hem kennen, toch niet terstond Zijn dag, vers 1.
1. Hij neemt als bewezen aan dat de tijden voor de Almachtige niet zijn verborgen, de verleden tijden zijn niet verborgen voor zijn oordelen, want "Hij zoekt het weggedrevene" Prediker 3:15, de tegenwoordige tijden zijn niet verborgen voor Zijn voorzienigheid, Mattheus 10:29, toekomende tijden zijn niet verborgen voor Zijn voorwetenschap, Handelingen 15:18. God regeert de wereld, en daarom kunnen wij er zeker van zijn dat Hij er kennis van neemt. Slechte tijden zijn voor Hem niet verborgen, ofschoon de slechte mensen, die de tijden slecht maken, tot elkaar zeggen dat Hij "niets ziet en niets merkt," Psalm 94:7. De tijden van iedere mens zijn in Zijn hand en onder Zijn oog, en daarom heeft Hij de macht om de tijden van slechte mensen in deze wereld rampzalig te maken. Hij voorziet de tijd des doods van iedere mens, als dus goddeloze mensen sterven eer zij voor hun goddeloosheid gestraft zijn, dan kunnen wij niet zeggen: "Zij zijn Hem bij verrassing ontkomen"
Hij voorzag het, ja meer, Hij gebood het, Hij beschikte en regelde het. Eer Job een onderzoek gaat instellen naar redenen van de voorspoed van de goddelozen, stelt hij Gods alwetendheid vast, zoals een profeet in eenzelfde geval Zijn rechtvaardigheid heeft vastgesteld Jeremia 12:1, een andere Zijn heiligheid, Habakuk 1:13, en een andere Zijn goedheid jegens Zijn eigen volk, Psalm 73:1. Algemene waarheden moeten wij vasthouden, al vinden wij het soms ook moeilijk om ze overeen te brengen met bijzondere gebeurtenissen.
2. Toch verklaart hij dat zij, die Hem kennen, dat is: wijze en Godvruchtige mensen, voor wie Zijn verborgenheid is, Zijn dagen niet zien, niet zien de dagen van Zijn oordeel voor hen, dat was het waarover hij in zijn eigen geval, zijn eigen zaak, klaagde, Hoofdst. 23:8, namelijk dat hij God niet kon zien, verschijnende ten zijnen behoeve om zijn zaak te bepleiten, noch de dag van Zijn oordeel tegen bekende en openbare zondaren, hetgeen zijn dag genoemd wordt, Psalm 37:13. Wij geloven dat die dag zal komen, maar wij zien hem niet omdat hij toekomend is en de voortekenen ervan verborgen zijn.
3. Hoewel dit een verborgenheid van de voorzienigheid is, is er toch een reden voor, en weldra zullen wij weten waarom dit oordeel is uitgesteld, en zelfs de wijsten en zij die God het best kennen dit nog niet zien. God wil hun geloof en geduld oefenen, hen aansporen om te bidden om de komst van Zijn koninkrijk, om hetwelk zij dag en nacht tot Hem moeten roepen, Lukas 18:7.
Ten bewijze dat goddeloze mensen voorspoedig zijn, wijst hij op twee soorten van onrechtvaardigen, die de gehele wereld zag groeien en bloeien in hun ongerechtigheid.
I. Tirannen en zij die onrecht doen onder de dekmantel van wet en gezag. Het is een droevig gezicht, dat dikwijls gezien is onder de zon, dat "ter plaatse des gerichts goddeloosheid was," Prediker 3:16, "tranen van de verdrukten, waarop geen acht werd geslagen, terwijl aan de zijde hunner verdrukkers macht was," Prediker 4:1, "onderdrukking van de armen en beroving des gerichts," Prediker 5:7. 1. Zij stoten hun naburen uit het bezit van hun onroerend goed, dat door erfrecht van hun voorouders op hen was overgegaan. Zij tasten de landpalen aan onder voorwendsel dat zij verkeerd geplaatst zijn, vers 2, en zo maken zij inbreuk op het recht hunner naburen en denken datgene voorgoed aan hun nakomelingen te verzekeren, dat zij door onrecht verkregen hebben, door tot een bewijs voor hen te maken, wat een bewijs had moeten zijn voor de rechtmatige eigenaar. Dit is door de wet van Mozes verboden, Deuteronomium 19:14, onder bedreiging van een vloek, Deuteronomium 27:17. Het vervalsen, namaken of vernietigen van acten of bewijzen van eigendom is heden ten dage een misdaad, die hieraan gelijk gesteld is.
2. Zij beroven hen van hun roerend goed en dat wel onder schijn van wet en recht. Zij nemen met geweld kudden weg en voeden er zich mede, vers 2, zoals de rijke man des armen ooilam wegnam, 2 Samuël 12:4. Als een arm vaderloos kind slechts een ezel bezit, waarmee hij enig geld kan verdienen, dan vinden zij het een of ander voorwendsel om die weg te nemen, omdat de eigenaar niet instaat is zijn recht tegenover hen te handhaven. Als een weduwe slechts een enkele os bezit voor haar gering landbouwbedrijf, dan zal die ene os om een onbeduidende schuld of voor achterstallige pacht haar ontnomen worden om als pand voor de schuld in bezit te worden genomen. God heeft als een van Zijn eretitels aangenomen dat Hij een "Vader van de wezen is" en een "Rechter van de weduwen," en daarom zullen diegenen niet als Zijn vrienden geacht worden, die niet alles doen wat zij kunnen om hen te beschermen en te helpen, maar gewis zal Hij diegenen rekenen Zijn vijanden te zijn, die hen kwellen en verdrukken.
3. Zij grijpen iedere gelegenheid aan om hen te beledigen, vers 4. Als zij hen op de openbare weg ontmoeten, zullen zij hen, als zij kunnen, misleiden zodat de armen en nooddruftigen genoodzaakt zijn zich voor hen te verbergen, daar zij zich op geen andere wijze tegen hen kunnen beveiligen. Zij houden er van de lieden te bespotten, de draak met hen te steken, hun kwaad te doen als zij kunnen en juichen als het hun gelukt te beletten dat de armen geholpen worden, dreigen hen te straffen als landlopers en noodzaken hen aldus zich te verbergen, waarna zij hen nog op de koop toe uitlachen.
Sommigen houden het er voor dat deze wreedheden, vers 9, 10 gepleegd werden door die verdrukkers, welke zich voor hetgeen zij doen op de wet beroepen. Zij rukken het weesje van de borst, dat is: nadat zij de arme kinderen vaderloos gemaakt hebben, maken zij hen ook moederloos, de vader van het leven beroofd hebbende, breken zij het hart van de moeder, en zo verhongeren zij de kinderen en laten hen omkomen. Farao en Herodes rukten de kinderen van de borst door het zwaard, en wij lezen van kinderen, "die uitgebracht moeten worden tot de doodslager," Hosea 9:13. Het zijn voorzeker wel onmenselijke moordenaars, die met zoveel genot onschuldig bloed zuigen. Wat over de arme is nemen zij te pand, ja zij nemen de armen zelf te pand, zoals sommigen dit lezen, en waarschijnlijk was het onder dit voorwendsel dat zij de wezen van de borst rukten, beslag op hen leggende om hen als slaven te gebruiken of te verkopen, zoals Nehemia 5:5. Wreedheid jegens de armen is grote goddeloosheid en roept luide om wraak. Zij, die geen barmhartigheid betonen aan hen, die aan hun genade zijn overgeleverd, zullen zelf een oordeel zonder barmhartigheid ontvangen.
Een ander voorbeeld van hun barbaarse behandeling van hen, tegen wie zij in het voordeel zijn, is dat zij hun zelfs hun noodzakelijk voedsel en hun kleren ontnemen. Zij drukken hen zo met hun afpersingen, dat zij de naakte doen weggaan zonder kleed vers 10 waardoor hij een dodelijke ziekte opdoet. En als een arm, hongerig gezin een garf heeft opgezameld om er zich een kleine koek van te bereiden en dan te sterven, dan ontnemen zij hun zelfs deze garf, dit weinigje koren, zeer tevreden om hen te zien omkomen van gebrek terwijl zij zelf volkomen verzadigd zijn.
4. Zij zijn zeer verdrukkend voor de arbeiders, die zij in hun dienst gebruiken. Zij geven hun niet slechts geen loon hoewel de arbeider zijn loon waardig is (en dit is een schreeuwende zonde, Jakobus 5:4) maar zij willen hun niet eens te eten en te drinken geven, die hun garven dragen doen zij hongerig weggaan, vers 10, dit komt overeen met vers 11, dat zij, die tussen hun muren olie uitpersen en zwaar werken om de wijnpers uit te treden, dorst lijden, hetgeen nog erger is de dorsende os te muilbanden. Die meesters vergeten dat zij een Meester hebben in de hemel, die hun dienaren en arbeiders het noodzakelijke levensonderhoud niet willen geven, er zich niet om bekommeren of zij al of niet van hun arbeid kunnen leven.
5. Het is niet alleen onder het arme landvolk, maar ook in de steden, dat wij de banden zien van de verdrukten, vers 12. Uit de stad zuchten de lieden, waar de rijke kooplieden en handelaars even wreed zijn voor hun arme schuldenaars als de landheren buiten voor hun arme pachters en onderhorigen. In de steden worden zodanige wreedheden meer en spoediger gezien dan in afgelegen hoeken van het land, en de verongelijkten hebben gemakkelijker toegang tot de rechtbanken om recht te verkrijgen, en toch vrezen de verdrukkers aldaar noch voor het bedwang van de wet, noch voor de rechtvaardige afkeuring hunner naburen, maar de verdrukten zuchten en schreeuwen als verwonden, en kunnen zich geen verlichting verschaffen, want de verdrukkers zijn onverbiddelijk en doof voor hun zuchten.
II. Hij spreekt van rovers en van hen die onrecht plegen door bepaald geweld, zoals de benden van de Sabeërs en Chaldeën, die hem onlangs hadden geplunderd. Hij noemt hen niet ten einde niet partijdig te schijnen voor zijn eigen zaak en aldus over de mensen te oordelen naar hetgeen zij voor ons zijn (waartoe wij zo licht geneigd zijn) maar onder de Arabieren, de kinderen van het Oosten (Jobs vaderland) waren er de zodanigen, die van roof en buit leefden, vijandelijke invallen deden bij hun naburen en reizigers uitplunderden. Zie hoe zij hier beschreven worden en welk onheil zij stichten, vers 5-8.
1. Hun aard is als die van de woudezels in de woestijn, ongetemd, onhandelbaar, onredelijk, Ismaëls aard en karakter, Genesis 16:12, woest en geweldig, niet onder bedwang van wet of gerechtigheid, Jeremia 2:23, 24. Zij kiezen de woestijn tot hun woonplaats teneinde naar willekeur in de eenzaamheid te kunnen leven en in de gelegenheid te zijn om zoveel temeer kwaad te doen. Voor zulke woestelingen is de woestijn ook werkelijk de geschiktste plaats Hoofdst. 39:9. Maar geen woestijn kan de mensen buiten het bereik stellen van Gods oog en Gods hand.
2. Hun beroep is stelen en allen, die om hen heen zijn, tot hun prooi te maken. Zij hebben dit tot hun beroep gekozen, het is hun werk, omdat er meer en gemakkelijker winst mee te behalen is dan met een eerlijk beroep. Zij zijn vlijtig en ijverig in dit beroep, gaan er op uit als tot hun werk, Psalm 104:23. Zij geven er zich moeite mede, staan vroeg op om op hun prooi uit te gaan, als een reiziger zich vroeg op weg bevindt, zullen zij even vroeg uitgaan om hem te beroven, zij roven en teren er op, zoals een man leeft en teert op zijn beroep. De woestijn-niet de grond maar de wegen ervan-is hun tot spijs, hun en hun kinderen, zij onderhouden zich en hun gezin door te roven op de weg en achten er zich gelukkig in, zonder het minste berouw te gevoelen of medelijden te hebben met hun slachtoffers, en zij genieten van hun winst met evenveel gerustheid alsof zij er eerlijk waren aangekomen, zoals Efraïm, Hosea 12:8, 9.
3. Zie het kwaad, dat zij doen in het land. Zij beroven niet slechts reizigers, maar doen invallen bij hun naburen en maaien hun voeder op het veld, vers 6. Dat is: zij komen op het erf van andere mensen, maaien hun koren en voeren dit weg alsof het het hunne was. De wijnberg des goddelozen lezen zij af en zo wordt de ene goddeloze tot de gesel gemaakt van de andere goddeloze. Wat de goddelozen verkregen door afpersing (dat hun manier van stelen is) verkrijgen deze rovers van hen door hun wijze van stelen, en aldus gebeurt het dikwijls dat de verwoesters verwoest worden, Jesaja 33:1.
4. De ellende van hen, die in hun handen vallen, vers 7, 8. De naakten, die zij beroofd hebben, geen kleren aan het lijf hebben gelaten, laten zij vernachten in de koude, zodat zij geen kleren aanhebbende, van de stroom van de bergen nat werden en, bij gebrek aan een betere beschutting de steenrotsen omhelsden blijde met een spelonk er in om zich tegen het weer te beschutten. Elifaz had Job van zodanige onmenselijkheid beschuldigd, daar hij tot de gevolgtrekking was gekomen dat Gods voorzienigheid hem niet aldus ontbloot zou hebben, indien hij de kleren van de naakten niet had uitgetogen, Hoofdst. 22:6. Job zegt hem hier dat er werkelijk de zodanigen waren, die zich aan die misdaden schuldig maakten, waarvan hij ten oprechte werd beticht en toch voorspoedig waren en welvoeren bij hun schelmstukken, daar de vloek onder welke zij zich legden onzichtbaar werkte. En Job denkt dat het juister is te redeneren zoals hij redeneerde, namelijk om uit die openbare goddeloosheid op te maken dat er in het verborgen een toekomende straf voor bereid wordt, dan om te redeneren zoals Elifaz namelijk om uit niets anders dan tegenwoordige rampen op te maken, dat er verborgen ongerechtigheid moet geweest zijn.
De straffeloosheid van deze verdrukkers en rovers wordt uitgedrukt in een enkel woord, vers 12. Toch legt God hun geen dwaasheid op, dat is: Hij vervolgt hen niet terstond met Zijn oordelen om deze misdaden, stelt hen niet tot afschrikkende voorbeelden, zodat voor de gehele wereld hun dwaasheid blijkt. Hij, "die rijkdom vergadert, doch niet met recht, in de helft van zijn dagen zal hij die moeten verlaten en in zijn laatste een dwaas zijn," Jeremia 17:11. Maar zolang hij voorspoedig is, gaat hij voor een wijs man door, en God legt hem geen dwaasheid op, totdat Hij zegt: "Gij dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen," Lukas 12:20.