Deuteronomium 19:14-21
Hier is een wet ter voorkoming van bedrog en meineed, want de Goddelijke wet draagt zorg voor de rechten en de eigendom van de mensen, en heeft ze omtuind. Zo vriendelijk gezind is zij aan de menselijke samenleving en aan de burgerlijke belangen van de mensen.
I. Een wet tegen bedrog, vers 14.
1. Hier wordt aan de eerste planters in Kanaän een aanwijzing gegeven om landpalen te stellen naar de verdeling van het land onder de verschillende stammen en geslachten door het lot. Het is de wil van God, dat iedereen zal weten wat het zijne is, en dat alle goede middelen gebruikt moeten worden, om inbreuk maken en het doen of lieden van onrecht te voorkomen. Als het recht vastgesteld is, dan moet er voor gezorgd worden, dat het later niet onzeker wordt gemaakt, en dat er, zo mogelijk geen aanleiding zij tot twist.
2. Een uitdrukkelijke wet voor het nageslacht om die landpalen niet te verrukken, welke aldus in de aanvang gesteld zijn, waardoor iemand heimelijk voor zich neemt hetgeen van zijn naaste is. Dit is ongetwijfeld een zedelijk gebod, dat nu nog verbindend is, en aan ons verbiedt:
a. Ons meester te maken van het recht van een ander, voor ons te nemen wat het onze niet is, door bedrieglijke handelingen, zoals door vervalsing, het verbergen of vernietigen of veranderen van akten en geschriften, die onze landpalen zijn, het verplaatsen van heggen of grensstenen. Hoewel de landpalen door de hand des mensen gesteld werden was hij, die ze uitrukte, toch een dief en rover voor de wet van God. Een ieder zij tevreden met zijn eigen deel, en rechtvaardig voor dat van zijn naaste, en dan zullen er geen landpalen uitgerukt worden.
b. Het verbiedt het zaaien van onenigheid tussen naburen, en iets te doen, dat strijd en processen kan teweegbrengen, hetgeen gedaan wordt door de dingen te verwarren, die twistzaken zouden kunnen beslechten. En
c. Het verbiedt inbreuk te maken op de gevestigde orde van de burgerlijke regering, en het veranderen-of afschaffen van oude gebruiken, zonder dat daar een rechtmatige oorzaak voor is. Deze wet handhaaft de eer van de verjaring. Consuetudo facit jus. Gewoonte geldt als wet.
II. Een wet tegen meineed, die twee dingen vaststelt:
1. Dat een enkel getuige nooit toegelaten mag worden om getuigenis af te leggen ineen criminele zaak, zo, dat op zijn getuigenis vonnis gewezen zou worden, vers 15. Deze wet hadden wij reeds tevoren, Numeri 35:30, en in dit boek in hoofdst. 17.
6. Dit werd vastgesteld ten gunste van de aangeklaagde, wiens leven en eer niet aan de genade moeten overgeleverd zijn van een bijzonder persoon, die een wrok tegen hem heeft, en ter waarschuwing van de aanklager, om niet te zeggen wat hij door het getuigenis van een ander niet waar kan maken. Het is een rechtvaardige schande die door deze wet op het mensdom wordt gelegd, als zijnde vals en onbetrouwbaar, iedereen wordt er door verdacht, en het is de eer van Gods genade, dat het getuigenis hetwelk Hij gegeven heeft betreffende Zijn Zoon beide in hemel en op aarde bevestigd is door drie getuigen, 1 Johannes 5:7. Want drie zijn er die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest. God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig, Romeinen 3:4.
2. Dat een vals getuige met dezelfde straf gestraft moet worden, als die de beschuldigde zou zijn opgelegd, vers 16, 21,.
a.De misdadiger hier is de valse getuige die gezegd wordt tegen iemand op te staan niet alleen omdat alle getuigen opstonden als zij hun getuigenis aflegden, maar omdat een vals getuige in waarheid opstaat als een vijand en aanrander tegen hem, die hij beschuldigt. Indien twee of drie, of vele getuigen samenstemden in een vals getuigenis, dan waren zij allen onderhevig om door deze wet vervolgd te worden.
b. De persoon, die verongelijkt of in gevaar werd gebracht door het valse getuigenis, wordt verondersteld de gedaagde te zijn, vers 17. Maar indien de persoon op dit getuigenis ter dood werd gebracht en het zou later blijken, dat het getuigenis vals was, dan kon ieder of de rechters zelf, ex officio krachtens hun ambt, de valse getuigen ter verantwoording roepen.
c. Dewijl zaken van die aard meer dan gewoonlijk moeilijkheden opleverden, werden zij tot het opperste gerechtshof gebracht, de priesters en rechters, die gezegd worden voor het aangezicht des Heeren te staan, omdat, gelijk andere rechters in de poorten van hun steden zaten, zo hebben deze zitting gehouden in de poorten van het heiligdom, Hoofdstuk 17:12.
d. Het verhoor moet met grote zorg en nauwkeurigheid geschieden, vers 18. Er moet een onderzoek ingesteld worden naar het karakter van de personen, en al de omstandigheden van het geval, die met elkaar vergeleken worden, teneinde de waarheid te ontdekken, die, als men er aldus met getrouwheid en onpartijdigheid naar zoekt door Gods voorzienigheid, naar men mag hopen, aan het licht zal gebracht worden.
e. Indien het bleek dat iemand willens en wetens, en met boosaardige bedoelingen een vals getuigenis tegen zijn naaste heeft afgelegd, dan moest hij, al werd ook het kwaad, dat hij bedoelde, niet tot stand gebracht, dezelfde straf ondergaan, die zijn getuigenis over zijn naaste zou hebben gebracht, vers 19. Nec lex est justior ulla Geen wet kon rechtvaardiger zijn. Indien de misdaad, waarvan hij zijn naaste beschuldigde, met de dood gestraft moest worden, dan moest de valse getuige gedood worden indien met geseling, dan moest hij gegeseld worden, indien met geldboete, dan moest hij voor dezelfde som beboet worden. En omdat het aan hen, die niet bedenken hoe snood de misdaad is, en hoe noodzakelijk er op deze wijze tegen voorzien moet worden, hard zou kunnen toeschijnen iemand zo streng te straffen wegens enige woorden die hij heeft gesproken, inzonderheid als er niet werkelijk kwade gevolgen uit zijn voortgekomen, wordt er bijgevoegd, vers 21, uw oog zal niet verschonen. Niemand behoeft barmhartiger te zijn dan God. De weldaad, die voor het publiek zal voortvloeien uit deze strengheid, zal er ruim tegen opwegen, vers 20. De overgeblevenen zullen het horen en vrezen. Zo voorbeeldig een straf zal een waarschuwing zijn voor anderen om zich niet tot zo'n kwaad te begeven, als zij zien hoe hij, die een kuil gedolven en die uitgegraven heeft, in de groeve is gevallen, die hij gemaakt heeft.