Spreuken 23:10-11
De wezen worden onder Gods bijzondere bescherming genomen, zij zullen niet alleen bij Hem ontfermd worden, Hosea 14:4, maar Hij zal hun recht doen. Hij is hun Verlosser, hun Doel, hun naaste bloedverwant, die hun partij zal nemen, met ijver voor hen in de bres zal treden, zichzelf beledigd achtende in de beledigingen, die hun worden aangedaan. Als hun Verlosser zal Hij hun twistzaak twisten tegen hen, die hun schade en nadeel toebrengen en op de een of andere wijze zal Hij niet alleen hun recht verdedigen en het voor hen herkrijgen, maar het onrecht wreken, dat hun aangedaan is. En Hij is machtig, almachtig, Zijn almacht wordt aangewend om hen te beschermen, en hun hoogmoedigste en machtigste verdrukkers zullen bevinden dat zij daar niet tegen bestand zijn, en dat het op hun gevaar is zo zij er tegen strijden.
Daarom moet iedereen het zorgvuldig vermijden om hen in iets te schaden, of inbreuk te maken op hun rechten, hetzij door in het geheim de oude palen terug te zetten, of door een gewelddadig binnendringen in hun eigendom. Wezen zijnde, hebben zij niemand om voor hun recht op te komen, en nog kinderen zijnde, bemerken zij niet eens dat hun onrecht wordt gedaan. Eerbesef, en nog veel meer de vreze Gods, moest de mensen er van terughouden om onrecht te doen aan kinderen, inzonderheid vaderloze kinderen.