Prediker 3:11-15
Wij hebben gezien welke wisselvalligheid er is in de wereld, en wij moeten niet verwachten dat wij meer vastigheid in de wereld zullen vinden dan anderen erin gevonden hebben. Nu toont hij hier dat de hand Gods in al deze veranderingen is, Hij heeft ieder schepsel datgene voor ons gemaakt wat het voor ons is, en daarom moet ons oog altijd op Hem gericht zijn.
1. Wij moeten ons hetgeen is ten nutte maken en moeten geloven dat het voor het tegenwoordige het beste is, en er ons naar schikken. Hij heeft ieder ding goed gemaakt op zijn tijd, vers 11, en daarom moeten wij zolang die tijd duurt er vrede mee hebben, ja wij moeten ons in de schoonheid ervan verlustigen ieder ding is zoals God het gemaakt heeft, het is werkelijk zoals Hij het heeft verordineerd te zijn niet zoals het ons toeschijnt. Wat ons hoogst onaangenaam toeschijnt, is op zijn eigen tijd geheel en al zoals het wezen moet. Koude is even normaal in de winter als warmte in de zomer, en op zijn beurt is de nacht een zwarte schoonheid, zoals de dag op zijn beurt een heldere, schitterende schoonheid is. Er is een verwonderlijke harmonie in de goddelijke voorzienigheid en al haar beschikkingen, zodat de uitkomst ervan, als zij beschouwd wordt in haar strekking en in haar tijd, zeer schoon zal blijken te zijn tot eer van God en tot vertroosting van hen, die op Hem vertrouwen. Wij zien nu nog wel niet de volkomen schoonheid van de voorzienigheid, maar wij zullen haar zien, en het zal een heerlijk gezicht wezen, als de verborgenheid Gods voleindigd zal zijn, dan zal het blijken, dat alles op de beste en meest geschikte tijd gedaan is, en het zal de verwondering van de eeuwigheid zijn, Deuteronomium 32:4.
2. Wij moeten geduldig wachten op de volledige ontdekking van hetgeen ons ingewikkeld en verward toeschijnt, erkennende dat wij het werk dat God gemaakt heeft van het begin tot het einde toe niet kunnen uitvinden, en daarom over niets voor de tijd moeten oordelen. Wij moeten geloven dat God alles goed gemaakt heeft ieder ding is goed gedaan, zoals bij de schepping, zo ook in de voorzienigheid, en wij zullen het zien als het einde komt, maar voor die tijd zijn wij onbevoegd om er over te oordelen. Terwijl het schilderij nog gemaakt wordt, terwijl men nog bezig is het huis te bouwen, zien wij van geen van beide de schoonheid, maar als de kunstenaar er de laatste hand aan gelegd heeft, dan blijkt het alles zeer goed te zijn. Wij zien van Gods werken slechts het midden, wij zien ze niet van de beginne, want dan zouden wij zien hoe verwonderlijk zij beraamd waren in de raad Gods, noch tot het einde ervan, dat het werk kroont, en dan zouden wij zien hoe heerlijk het product is, maar wij moeten wachten totdat de voorhang gescheurd is, en Gods handelingen niet beschuldigen, noch er een oordeel over willen uitspreken. De verborgen dingen zijn niet voor ons.
Deze woorden: Hij heeft de eeuw in hun hart gelegd, worden verschillend verstaan.
a. Sommigen zien er een reden in waarom wij meer van Gods werk kunnen weten dan wij ervan weten, aldus Dr. Pemble, God heeft zich niet zonder getuigenis gelaten van Zijn rechtvaardige, gelijke en schone ordening van de dingen, maar heeft haar gesteld om opgemerkt te worden in het boek van de wereld, en dit heeft Hij in het hart van de mensen gesteld, Hij heeft de mens de begeerte en de macht gegeven om in goede mate de geschiedenis van de natuur te verstaan met de loop van de menselijke zaken, zodat, indien de mensen zich slechts tot een nauwkeurige waarneming van de dingen wilden begeven, zij in de meeste ervan een bewonderenswaardig plan zouden ontdekken. b. Anderen zien er een reden in waarom wij niet zoveel van Gods werken kennen als wij ervan zouden kunnen kennen, aldus bisschop Reynolds. "Wij hebben de eeuw, of de wereld, zozeer in ons hart, zijn zo vervuld van gedachten en zorgen over wereldlijke dingen, dat wij noch de tijd noch de gezindheid hebben om er Gods hand in te zien." De wereld heeft niet slechts bezit gekregen van het hart, maar zij heeft er vooroordelen gevormd tegen de schoonheid van Gods werken.
3. Wij moeten tevreden zijn met ons lot in deze wereld, en blijmoedig berusten in de wil van God over ons, en er ons naar schikken. Er is geen zeker, geen blijvend goed in deze dingen, er wordt ons hier gezegd welk goed erin is vers 12, 13. Wij moeten er een goed gebruik van maken.
A. Ten voordele van anderen, al het goed, dat er in is, is er goed mee te doen, aan ons gezin, aan onze naburen, aan de armen, aan het publiek, aan zijn burgerlijke en godsdienstige belangen. Waarvoor hebben wij ons bestaan onze geestvermogens en onze bezittingen, waarvoor anders dan om er op de ene of andere wijze ons geslacht mee te dienen? Wij dwalen als wij denken dat wij geboren waren voor onszelf, neen, het is ons werk, onze opdracht goed te doen, daarin ligt het ware genot, en wat aldus besteed wordt is het best opgelegd en zal het meeste voordeel opleveren.
Merk op: het is om goed te doen in dit leven, dat kort en onzeker is, wij hebben slechts een kleine tijd om er goed in te doen, en derhalve is het ons nodig de tijd uit te Lopen. Het is in dit leven, waarin wij in een toestand zijn van op de proef gesteld te worden voor een ander leven. Ieders leven is zijn gelegenheid om datgene te doen, wat hem te stade zal komen in de eeuwigheid.
B. Tot onze eigen vertroosting. Laat ons het goede genieten van onze arbeid, daar dit een gave Gods is, en er aldus God in genieten en Zijn liefde smaken, Hem dank brengen en Hem tot het middelpunt maken van onze blijdschap, eten en drinken tot Zijn eer, en Hem dienen met vrolijkheid en goedheid des harten vanwege de veelheid van alles.
Indien alle dingen in deze wereld zo onzeker zijn, dan is het dwaas van de mensen om thans gierig te sparen ten einde op te garen voor de toekomst, het is beter om goedsmoeds en nuttig te leven op hetgeen wij hebben, en de morgen voor zichzelf te laten zorgen. Genade en wijsheid om dit te doen is de gave van God, en het is een goede gave, die de gaven van Zijn voorzienige milddadigheid kroont.
4. Wij moeten volkomen tevreden zijn met al de beschikkingen van de goddelijke voorzienigheid, beide ten opzichte van onze persoonlijke en van de openbare belangen en aangelegenheden, en er eenswillend mee zijn, omdat God in alles datgene tot stand brengt wat voor ons bestemd en bepaald is, en handelt naar de raad Zijns willens. En hier wordt ons gezegd:
A. Dat die raad niet veranderd kan worden en het daarom onze wijsheid is om van de nood een deugd te maken door ons er aan te onderwerpen. Het moet wezen zoals God wil. Ik weet en ieder die iets weet van God weet het dat al wat God doet in eeuwigheid zal zijn, vers 14. Hij is één van zin, en wie zal Hem dan doen afkeren? Zijn maatregelen worden nooit verbroken en nooit behoeft Hij nieuwe te nemen. Wat Hij voorgenomen heeft zal tot stand komen, en geheel de wereld is niet bij machte het te verhinderen. Daarom betaamt het ons te zeggen: "Laat het wezen zoals God wil", want hoe dit ook tegen onze plannen en belangen moge indruisen, Godswil is Zijn wijsheid.
B. Dat die raad niet veranderd behoeft te worden, want er is niets verkeerds in, niets dat verbeterd behoeft te worden. Indien wij het alles tegelijk konden overzien, wij zouden zien dat alles zo volmaakt is, dat er niets aan is toe te doen, want er ontbreekt niets aan, en dat er niets van is af te doen, want er is niets onnodigs in, niets dat gemist kan worden. Gelijk het Woord van God, zo zijn ook de werken van God allen volmaakt in hun soort, en het is verwaand in ons om er aan toe te willen doen of er iets aan te willen verminderen, Deuteronomium 4:2. Het is daarom evenzeer ons belang als onze plicht om onze wil in onderwerping te brengen aan Gods wil.
5. Wij moeten er ons op toeleggen om te beantwoorden aan Gods doel in al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, hetwelk in het algemeen is: ons godsdienstig te maken. God doet alles, opdat de mensen zullen vrezen voor Zijn aangezicht, hen ervan te overtuigen dat er een God boven hen is, die een soevereine heerschappij over hen heeft, tot wiens beschikking zij zijn en in wiens hand hun tijden zijn en alle gebeurtenissen, die hen betreffen, dat zij daarom steeds hun ogen op Hem gericht moeten houden, om Hem te eren en te aanbidden, Hem te erkennen in al hun wegen Hem zorgvuldig in alles te behagen, en bevreesd te zijn om Hem in iets te beledigen. Aldus verandert God Zijn beschikkingen, en is toch onveranderlijk in Zijn raad, niet om ons in verwarring te brengen, en nog veel minder om ons tot wanhoop te brengen, maar om ons onze plicht jegens Hem te leren en ons aan te sporen om hem te doen. Wat God bedoelt in de regering van de wereld is: de godsdienst onder de mensen te steunen en te bevorderen.
6. Welke veranderingen wij in deze wereld ook zien of gewaarworden, wij moeten de onverbreekbare standvastigheid van Gods regering erkennen. De zon gaat op en onder, de maan wast en neemt af, en toch zijn beide waar zij waren, en haar omwentelingen geschieden van de beginne af naar dezelfde methode, naar de ordeningen des hemels, en evenzo is het met de gebeurtenissen van de voorzienigheid, vers 15. Hetgeen dat geweest is, dat is nu. God is niet meer onlangs begonnen deze methode te gebruiken, neen, de dingen zijn altijd even veranderlijk en onzeker geweest als zij nu zijn, en zo zullen zij blijven, wat wezen zal, dat is alreeds geweest, en daarom spreken wij niet nadenkend als wij zeggen: "De wereld is stellig nooit zo slecht geweest, als zij nu is", of: "De tijden zullen nooit beter worden," zij kunnen beter worden met ons, en na een tijd om te treuren kan een tijd komen om blij te zijn, maar ook die zal nog onderhevig zijn aan de gewone hoedanigheid, het algemene lot. Gelijk de wereld was, is zij, en zal zij zijn, standvastig in onstandvastigheid, want God zoekt het voorbijgegane, herhaalt wat Hij tevoren gedaan heeft, en handelt niet anders met ons dan Hij met goede mensen placht te handelen, en zal om onzentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots verzet worden uit haar plaats. Er is ons geen verandering overkomen, noch heeft er ons een verzoeking door bevangen, dan die aan alle mensen gemeen is. Laat ons in voorspoed niet hoogmoedig of zorgeloos zijn, want God kan een voorbijgegane benauwdheid terugroepen, en haar bevelen ons te grijpen en onze vrolijkheid te bederven, Psalm 30:8. En laat ons evenmin wanhopen in tegenspoed, want God kan de zegeningen en voorrechten van vroeger terugroepen, zoals Hij dat voor Job gedaan heeft. Wij kunnen dit toepassen op onze voorbijgegane daden en ons gedrag onder de veranderingen, die er met ons plaatshadden. God zal rekenschap van ons eisen voor het verleden, en daarom behoren wij, als wij in een nieuwe toestand komen, onszelf te oordelen wegens onze zonden in onze vorige toestand hetzij van voorspoed of van beproeving.