Nehemia 5:1-5
Wij hebben hier de tranen van de verdrukten, die Salomo heeft aangezien, Prediker 4:1. Laat ons ze hier aanzien, zoals zij voor Nehemia geschreid werden, wiens ambt als landvoogd het was "de armen en behoeftigen te verlossen, en hen uit van de goddeloze" erdrukkers hand te rukken," Psalm 82:4. Zware tijden en harde harten maakten de armen ongelukkig.
I. Het waren zware tijden, waarin zij leefden. Er was schaarste van koren, en dus honger vers 3, waarschijnlijk uit gebrek aan regen, waarmee God hen gekastijd had wegens hun veronachtzaming van Zijn huis, Haggai 1:9-11. Zo brengen dwaze, zondige mensen Gods oordelen over zich, en dan treuren en klagen zij er over. Als de marktprijzen hoog, de levensmiddelen schaars en duur zijn, dan lijden de armen er onder en zijn in grote verlegenheid. Geloofd zij God voor de zegen, en Hij verlosse ons van de zonde, van "zatheid van brood," Ezechiël 16:49. Hetgeen de schaarsheid, waarover hier geklaagd wordt, nog zwaarder maakte, was dat hun zonen en dochteren velen waren vers 2. De gezinnen, die het behoeftigst waren, waren het talrijkst, hier waren de monden maar waar was de spijs? Sommigen hebben bezittingen, huizen en landerijen, maar geen kinderen om ze te erven, anderen hebben kinderen, maar geen bezittingen om ze hun na te laten, zij die beide hebben, hebben reden om dankbaar te zijn, zij, die geen van beide hebben, kunnen zoveel gemakkelijker tevreden zijn. Zij, die grote gezinnen en weinig inkomen hebben, moeten leren door het geloof te leven op Gods voorzienigheid en belofte, en zij, die kleine gezinnen hebben en grote bezittingen moeten met hun overvloed het gebrek van anderen vervullen. Maar dit was niet alles. Het koren was duur en de belastingen waren hoog de belasting van de koning moest betaald worden, vers 4. Dit teken van hun gevangenschap bleef nog op hen. Het was misschien een hoofdgeld, dat geëist werd, en daar zij vele zonen en dochteren hadden, werd die belasting hoger voor hen. Hoe meer zij hadden te onderhouden, (een hard geval!) hoe meer zij hadden te betalen. Nu schijnt het dat zij geen geld hadden om koren te kopen en belasting te betalen, en dus genoodzaakt waren geld te lenen. Hun gezinnen waren arm uit Babel gekomen, zij hebben zich met grote onkosten huizen moeten bouwen, en waren nog niet weer op kracht gekomen toen deze nieuwe lasten hen troffen. De verlegenheid van arme huisvaders, die grote moeite hebben om een eerlijk bestaan te vinden en soms gebrek hebben aan het nodige voor zich en hun gezin, is wel een geschikt voorwerp van medelijden voor hen die, hetzij door hun rijkdom hetzij door hun macht, instaat zijn hen te helpen.
II. De personen, met wie zij te doen hadden waren hard. Er moest geld wezen, maar het moest geleend worden, en zij, die hun het geld leenden, deden hun voordeel met hun verlegenheid en waren zeer hard voor hen, maakten hen tot hun prooi.
1. Zij vorderden rente van hen, twaalf percent, iedere maand het honderdste deel, vers 11. Als mensen grote sommen gelds lenen, om er handel mee te drijven of landerijen te kopen, dan is er geen reden, waarom de lener niet met de lener zou delen in de winst, of als het is om het aan hun lusten te besteden of om weer tot herstel te komen van wat zij op die wijze hebben uitgegeven, waarom zouden zij dan niet moeten betalen voor hun buitensporigheid? Maar als de armen moeten lenen om hun gezin te onderhouden en wij zijn instaat hen te helpen, dan is het zeker, dat wij hun of om niet moeten lenen wat zij nodig hebben, of, zo het niet waarschijnlijk is dat zij het terug kunnen betalen, hun iets moeten geven om hun tegemoet te komen in hun nood. Ja meer: 2. Zij dwongen hen om hun landerijen en huizen aan hen te verpanden, teneinde zekerheid te hebben voor de terugbetaling van hun geld, vers 3, en dat niet alleen, maar zij behielden de opbrengst ervan voor interest, vers 5 vergel. met vers 1, zodat zie langzamerhand meesters werden van alles wat zij hadden. Maar dit was nog het ergste niet.
3. Zij namen hun kinderen om, naar hun believen, òf tot slaven verkocht te worden, òf zichzelf door hen als slaven te doen dienen vers 5. Daar klagen zij het meest over, als hetgeen hen het gevoeligst trof, en zij verzwaren het hiermede: onze kinderen zijn als hun kinderen, die ons even dierbaar zijn als de hun hun dierbaar zijn, niet slechts van dezelfde menselijke natuur en recht hebbende op de eer en de vrijheid daarvan, Maleachi 2:10, Job 31:15, maar zij behoren tot hetzelfde heilige volk, zij zijn vrijgeboren Israëlieten en geëerd met dezelfde voorrechten. Ons vlees draagt het heilige zegel van het verbond van de besnijdenis, zowel als het vlees van onze broederen, en toch moeten onze erfgenamen slaven zijn en het is niet in onze macht hen te lossen. Met dit nederig betoog komen zij tot Nehemia, niet alleen omdat zij zagen dat hij een groot man was en hun verlichting kon bezorgen, maar omdat hij een goed man was en het zou willen. Waarheen zullen de verdrukte armen gaan om hulp te verkrijgen dan tot de schilden van de aarde? Waarheen dan tot de barmhartigheid in het koninklijk gemoed, en tot hen, die door Hem gezonden zijn om hulp tegen het summum jus de uiterste strengheid van de wet?
Wij laten nu Nehemia om naar de klacht te horen en een onderzoek in te stellen naar de waarheid van hetgeen de klagers aanvoeren (want de klachten van de armen zijn niet altijd gegrond) terwijl wij nederzitten en zien:
a. Met Godvruchtig medelijden op de verdrukten, en de hardheid betreuren, waaronder velen in de wereld zuchten, onze ziel stellende in de plaats van hun ziel, en in onze gebeden en door ons hulpbetoon hen gedenkende, aan wie lasten zijn opgelegd, en die lasten met hen dragende.
b. Met Godvruchtige verontwaardiging tegen de verdrukkers, en afschuw van hun hoogmoed en wreedheid, die de tranen en het bloed drinken van hen, die in hun macht zijn. Maar laat hen, die geen barmhartigheid betonen, een oordeel zonder barmhartigheid verwachten. Het was een verzwaring van de zonde van deze verdrukkende Joden, dat zij zelf nog zo kort geleden uit het diensthuis verlost waren, hetgeen hen verplichtte om uit dankbaarheid "de banden" "van het juk te ontbinden," Jesaja 58:6.