Jesaja 39:5-8
Laat ons hier opmerken:
1. Dat, zo God ons liefheeft, Hij ons zal vernederen, en wel een middel zal vinden om ons naar beneden te brengen als wij ons bovenmate verheven hebben. Aan Hizkia wordt een grievende boodschap gezonden om hem te vernederen vanwege de hoogmoed van zijn hart, en om hem van de dwaasheid ervan te overtuigen, want God kan wel toelaten dat Zijn volk in zonde valt, zoals Hizkia hier, om hem te beproeven en te zien al wat in zin hart was, maar Hij zal niet toelaten dat zij er stil in blijven liggen.
2. Het is rechtvaardig in God om ons datgene te ontnemen, dat wij tot het voorwerp maken van onze hoogmoed en waarop wij een vleselijk vertrouwen stellen. Toen David hoogmoedig was op de menigte van zijn volk, heeft God maatregelen genomen om hun getal te verminderen, en als Hizkia roemt op zijn schatten en er al te veel behagen in heeft, wordt hem gezegd dat hij handelt zoals de dwaze reiziger, die zijn geld en zijn goud toont aan iemand, die blijkt een dief te zijn, en er door in verzoeking kwam om hem te beroven.
3. Als wij slechts konden zien hetgeen zijn zal, dan zouden wij ons schamen over onze gedachten van hetgeen is. Indien Hizkia slechts had geweten dat het zaad en de opvolgers van deze koning van Babel in latere jaren het verderf zullen zijn van zijn geslacht en zijn koninkrijk, hij zou zijn gezanten niet met zo buitengewone beleefdheid ontvangen hebben. En wij kunnen ons voorstellen hoe toornig hij op zichzelf was, toen de profeet hem zei dat dit zo zijn zou. Wij kunnen niet met zekerheid voorzien wat zijn zal, maar in het algemeen wordt ons gezegd: Alles is ijdelheid en daarom is het ijdelheid voor ons om zo groot welgevallen te hebben in en vertrouwen te stellen op de dingen die tot deze categorie behoren.
4. Zij, die gaarne in bekendheid en verbintenis zijn met ongodsdienstige mensen, zullen er vroeg of laat genoeg van hebben, en dan oorzaak zien om er leedwezen over te gevoelen. Hizkia achtte zich gelukkig in de vriendschap van Babel, hoewel zij de moeder was van hoererijen en afgoderijen, en Babel, dat nu de vriendschap zoekt van Jeruzalem, heeft haar na verloop van tijd veroverd en haar inwoners gevankelijk weggevoerd. Verbonden met zondaren en ook verbonden met zonde zullen aldus eindigen, daarom is het onze wijsheid, om ons op een afstand te houden van hen en van haar.
5. Zij, die waarlijk berouw hebben van hun zonden, zullen het goed opnemen als zij er om worden bestraft, en zullen het gaarne hebben dat hun hun fouten onder het oog worden gebracht. Hizkia achtte het woord des Heeren goed, dat hem zijn zonde ontdekte en hem deed beseffen dat hij verkeerd had gedaan daar hij er zich tevoren niet bewust van was geweest. De taal van ware boetvaardige is: de rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn, en de wet is goed omdat zij, geestelijk zijnde, de zonde er als zonde in gezien wordt, ja ze toont aan dat de zonde zeer zondig is.
6. Ware boetvaardigen zullen zich rustig onderwerpen, niet alleen aan de bestraffing des woords, maar ook aan de bestraffing van de voorzienigheid om hun zonden. Toen aan Hizkia de straf voor zijn ongerechtigheid werd aangekondigd, zei hij: het woord des Heeren is goed, niet slechts de verzachting van het vonnis, maar het vonnis zelf, hij heeft er niets tegen in te brengen, hij erkent de billijkheid ervan en zegt Amen op de bedreiging. Zij die het kwaad inzien van de zonde, en zien wat zij verdient, zullen God rechtvaardigen in alles wet er om over hen gebracht wordt, en erkennen dat Hij hen minder straft dan hun ongerechtigheid verdient.
7. Hoewel wij niet onverschillig moeten zijn omtrent hen, die na ons komen, moeten wij toch achten dat er wel met ons gehandeld wordt, zo er vrede en waarheid is in onze dagen, ja dat wij beter behandeld zijn dan wij reden hadden te verwachten, indien een storm gaat losbarsten, dan moeten wij het als een gunst beschouwen, als wij veilig in de haven komen eer hij losgebarsten is, in vrede in ons graf nederdalen, doch daar kunnen wij nooit zeker van zijn maar moeten ons bereiden op veranderingen in onze eigen tijd, opdat wij staan mogen volmaakt en volkomen in al de wil van God, en hem welkom mogen heten, wát hij voor ons ook moge inhouden.