9. De HEERE der heirscharen heeft het beraadslaagd, heeft het besloten in Zijnen raad, dat, waaraan geen mens kon denken, opdat Hij, wiens wijsheid het is tot niets te maken wat iets is (
1 Corinthiërs 1:26), ontheilige, vernietige, de hovaardij van alle sieraad, om al de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken 2), doordien zij alle in de vernederde Tyriërs een spiegel hebben, hoe het hun zelven eenmaal zal gaan.
1) En opdat Tyrus zou weten, dat deze bedreiging zeker vervuld zou worden, maar ook opdat het de roede zou kussen en de hand, die haar besteld had, daarom zegt hier de Profeet, dat zulks die bloeiende handelsstad niet zou aangedaan worden, in de eerste plaats door den mens, maar door Hem, wiens Raad zou bestaan en die al zijn Welbehagen zou doen.
Het was de Heere God, die zulks had besloten en het ook gewis zou uitvoeren.
Ook hier wordt het weer zo klaar en duidelijk voor ogen gesteld, dat alles geschiedt naar den bepaalden Raad en de voorkennisse Gods.
2) Hij bedoelde hiermede de trotsheid te vernederen der hovaardigen, aan welke Hij al hun geleend en vergankelijk sieraad ontnemen wilde en al hun glorie te gronde werpen, opdat de heerlijksten derhalve verachtelijk gemaakt zijnde in de ogen aller mensen, hun eigen naaktheid zien en erkennen, en tot Hem de toevlucht nemen mochten, ten einde Hij hun naar de ziele genadig mocht zijn. Want om de Tyriërs te vernederen en voor Zich te verootmoedigen en van alle trotsheid te genezen, en geenszins om Zijn eigen oppergezag en willekeurig gebied en volstrekte onafhankelijkheid te tonen, deed God deze oordelen over hen komen.