Deuteronomium 29:1-9
Nu Mozes uitvoerig de geboden had herhaald, die het volk moest waarnemen als hun deel van het verbond, en de beloften en bedreigingen die God zou vervullen (al naar zij zich gedroegen) als Zijn deel van het verbond, wordt het geheel hier saamgevat in een bondgenootschappelijke handeling. Het verbond, dat tevoren gemaakt werd, is hier hernieuwd, en even als tevoren, is Mozes er ook nu de bemiddelaar van vers 1. De Heere heeft Mozes geboden het te maken. Mozes zelf, hoewel koning in Jeshurun, kon het verbond niet anders maken dan naar God er hem instructies voor gaf. Het is niet in de macht van de bedienaren des Evangelies om de voorwaarden vast te stellen van het verbond, zij moeten er slechts de zegels van uitdelen. Dit verbond wordt gezegd te zijn boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb, want hoewel het verbond hetzelfde was, was het toch nu een nieuwe afkondiging en bekrachtiging er van. Het is waarschijnlijk dat sommigen nu leefden, die hoewel zij nog niet oud genoeg waren, toen het verbond aan Horeb gemaakt werd, om gemonsterd te worden echter wèl oud genoeg waren om voor zichzelf hun toestemming tot dat verbond te geven, en toch wordt het hier hernieuwd. Zij, die een plechtig verbond met God hebben aangegaan moeten alle gelegenheden waarnemen om het weer te doen, als degenen die met hun keus te ingenomen zijn om te willen veranderen. Maar verreweg de meesten waren een nieuw geslacht, en daarom moet het verbond met hen opnieuw worden aangegaan, en het is voegzaam, dat met de kinderen des verbonds het verbond zal worden vernieuwd.
I. Gewoonlijk zal een verdrag beginnen met een verhaal, hier nu begint het verdrag met het verhaal van de grote dingen, die God voor hen gedaan heeft.
1. Als een aanmoediging voor hen om te geloven dat God waarlijk hun God zal zijn, want Hij zou niet zoveel voor hen gedaan hebben, indien Hij niet voornemens was nog meer voor hen te doen, waarvoor alles wat Hij tot nu toe gedaan had, als het ware, slechts de inleiding was, ja Hij had in hetgeen Hij tot nu toe gedaan had zich een God betoond, hetgeen hun verwachting kon opwekken van iets groots, beantwoordende aan de volle uitgestrektheid van die gewichtige belofte, dat Hij hun een God zal zijn.
2. Als een aansporing voor hen om Hem een gehoorzaam volk te zijn, uit aanmerking van hetgeen Hij voor hen gedaan heeft.
II. Hij doet een beroep op hun eigen ogen voor het bewijs van hetgeen hij hier zegt, vers 2. Gij hebt gezien al wat de Heere gedaan heeft. Hun eigen zintuigen waren het onomstotelijk bewijs van het feit, dat God grote dingen voor hen gedaan had, en dan was hun eigen verstand niet minder een bevoegd rechter van de billijkheid van de gevolgtrekking, die er uit afgeleid wordt: Houdt dan de woorden dezes verbonds.
III. Hij specifieert deze dingen om de macht en goedheid van God te tonen in Zijn verschijningen voor hen.
1. Hun bevrijding uit Egypte, vers 2, 3. De verbazingwekkende tekenen en wonderen waarmee Farao geplaagd werd en gedwongen hen weg te zenden, en Israël was beproefd (want zij worden verzoekingen genoemd) of zij op God zouden vertrouwen dat Hij hen beveiligen zou tegen en verlossen zou door die plagen. 2. Hun gedrag gedurende veertig jaren in de woestijn, vers 5,6. Zij werden geleid, gekleed en gevoed door wonderen, hoewel de paden in de woestijn niet slechts onbekend maar ook onbetreden waren, heeft God er hen toch voor behoed om er te verdwalen, en zoals bisschop Patrick opmerkt die eigen schoenen, die zij op bevel van God in Egypte aandeden bij het pascha, toen zij gereed waren om uit te gaan, Exodus 12:11, zijn niet versleten, maar dienden hen tot zij in Kanaän kwamen, en hoewel zij niet leefden van brood dat het hart versterkt, en van wijn, die hetverheugt, maar van manna en rotswater, waren zij toch mannen van kracht en kloekmoedigheid bekwaam tot de strijd. Door deze wonderen werd hun bekend gemaakt dat de Heere God was, en door deze zegeningen dat Hij hun God was.
3. De overwinning, die zij onlangs behaald hadden over Sihon en Og, en het goede land, dat zij in bezit hadden genomen, vers 7, 8. Zowel de vroegere als de tegenwoordige zegeningen moeten door ons gebruikt worden als drijfveren tot gehoorzaamheid.
IV. Als gevolgtrekking uit dit verhaal:
1. Mozes betreurt hun stompzinnigheid vers 4. Maar de Heere heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan. Hiermede wordt de schuld van ons onverstand, en zotheid, en ongeloof niet op God gelegd, alsof zij wel bereid waren geweest om Zijn genade te ontvangen en er om gebeden hadden, maar Hij haar hun had geweigerd, neen, het legt de schuld op henzelf. De Heere, die de Vader is van de geesten, een God in verbond met u, en die altijd zo rijk in barmhartigheid over u is geweest, zou ongetwijfeld al Zijn andere gaven met deze gave gekroond hebben, Hij zou u een hart hebben gegeven om te verstaan, en ogen om te zien, indien gij niet door uw weerstrevenheid en verkeerdheid Zijn vriendelijke voornemens had tegengewerkt, en Zijn genade tevergeefs had ontvangen. Het horende oor en het ziende oog, en het hart dat verstaat zijn de gaven van God. Allen, die ze hebben, hebben ze van Hem. God geeft niet slechts voedsel en klederen, maar rijkdom en grote bezittingen, aan velen, aan wie Hij geen genade geeft. Velen genieten van de gaven, maar hebben geen hart om er de Gever van te onderkennen, of om de ware bedoeling en het gebruik van deze gaven te begrijpen. Gods bereidwilligheid om ons goed te doen in andere dingen is een duidelijk bewijs, dat het onze en niet Zijn schuld is, zo wij geen genade, die beste van alle gaven, hebben. Hij zou ons vergaderd hebben, maar wij hebben niet gewild.
2. Mozes beveelt hun gehoorzaam te zijn, vers 9. Houdt dan de woorden van dit verbond en doet ze. Dankbaarheid en welbegrepen eigenbelang, zowel als plichtsbesef en trouw, nopen ons de woorden van dit verbond te houden.