1 Thessalonicenzen 2:1-6
Hier hebben wij ene voorstelling van Paulus' wijze van prediken en zijn vertroostenden terugblik op zijn werken onder de Thessalonicenzen. Hij had het getuigenis van zijn geweten betreffende zijn oprechtheid, en dus kon hij zich op de Thessalonicenzen beroepen hoe getrouw hij, en Silas en Timotheus, zijne helpers in het werk des Heeren, hun dienst vervuld hadden.
Gij weet zelven, broeders, onzen ingang tot u, vers 1. Het is een groot voorrecht voor een dienaar, zo zijn geweten en de gewetens van anderen getuigen dat hij goed gehandeld heeft, met goede bedoelingen en uit goede beginselen. En daarbij dat de prediking niet ijdel geweest was, of zoals anderen lezen: niet in ijdelheid, dat is: niet tevergeefs. De apostel vindt hier troost in den uitslag van zijn bediening, dat die niet ijdel of vruchteloos geweest is, of dat die met het oog op de oprechtheid zijner prediking niet ijdel, ledig, bedrieglijk was. Het onderwerp van des apostels prediking was niet ledige en ijdele bespiegeling over nutteloze nietigheden en dwaze vragen, maar gezonde en deugdelijke waarheid, die het meest dienstig was ten voordele van zijne hoorders. Dat is een goed voorbeeld ter navolging voor alle dienaren. De prediking des apostels was ook zelf niet ledig of bedrieglijk. Hij kon tot deze Thessalonicenzen, evenals tot de Corinthiërs zeggen: Wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het woord Gods vervalsende, 2 Corinthiërs 4:2. Hij had geen duistere of wereldse bedoelingen met zijne prediking. Hij herinnert hen dat die was:
I. Met moed en beslistheid. Wij hebben vrijmoedigheid gebruikt in onzen God om het Evangelie van God tot u te spreken, vers 2. De apostel was bezield met heilige vrijmoedigheid en niet ontmoedigd door de verdrukkingen, die hem overkomen waren, of den tegenstand, dien hij ondervonden had. Hij had te Filippi slechte behandeling ondergaan, zoals deze Thessalonicenzen wel wisten. Daar waren hij en Silas schandelijk mishandeld, en daarna in den stok gesloten, toch, nauwelijks waren zij weer op vrije voeten gesteld, of ze begaven zich naar Thessalonica, en predikten daar het Evangelie met evenveel vrijmoedigheid als vroeger. Lijden ter wille van een goede zaak behoort onze heilige beslistheid aan te wakkeren, en niet te verstompen. Het Evangelie van Christus ontmoette, bij zijn intrede in de wereld, zulke tegenstand, en zij, die het verkondigden, deden dat onder veel bestrijding, met groten angst, zoals blijkt uit des apostels streven in de verkondiging en zijn strijd tegen den weerstand, die hem geboden werd. Maar Paulus' troost was: hij was nooit neergeslagen door zijn werk, of er van uitgedreven.
II. Met grote eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid. Onze vermaning is niet geweest uit verleiding, of uit onreinigheid, of met bedrog, vers 3. Dit was zonder twijfel een van de voornaamste vertroostingen van den apostel: de overtuiging van zijn eigen oprechtheid, en het was een der oorzaken van zijn welslagen. Het was het zuivere, onverminkte Evangelie, dat hij verkondigde, en dat hij hen vermaand had te geloven en te gehoorzamen. Zijn bedoeling was niet een partij te stichten of de mensen tot een partij over te halen, maar de zuivere waarheid, onbevlekt voor God en den Vader te verkondigen. Het Evangelie, dat hij predikte, was zonder bedrog, het was getrouw en geloofwaardig, niet vals, geen kunstig-verdichte fabel. Ook niet uit onreinheid. Zijn Evangelie was rein en heilig, waardig den heiligen gever ervan, en bedoelende alle onreinheid der mensen te bestraffen. Het Woord van God is zuiver. Er mogen geen bedorvenheden door gemengd worden, en, gelijk het onderwerp van des apostels vermaning waar en rein was, zo was ook de wijze van spreken zonder smet. Hij wendde niets anders voor dan hij werkelijk bedoelde. Hij had geloofd, daarom sprak hij. Hij had geen duistere en bijzondere bedoelingen en wensen, maar was in werkelijkheid zoals hij zich voordeed. De apostel handhaaft niet alleen zijn oprechtheid, maar geeft er ook de redenen en de bewijzen voor op. De redenen vinden wij in vers 4.
1. Zij waren huisbezorgers, wie het Evangelie toevertrouwd was, en in een huisbezorger wordt vereist dat hij getrouw is. Het Evangelie, hetwelk Paulus predikte was niet het zijne, maar dat van God. Aan de dienaren is grote gunst bewezen en zij zijn met veel eer bekleed, terwijl hun veel toebetrouwd is. Zij moeten daarom niet wagen het Woord Gods te bederven, zij moeten vlijtig gebruik maken van hetgeen hun toebetrouwd is, en wel op de wijze als God bepaald en bevolen heeft, wetende dat zij ter verantwoording zullen geroepen worden als hun dienst geëindigd is.
2. Hun wens was God te behagen en niet de mensen. God is een God der waarheid en eist waarheid in het binnenste, en indien de oprechtheid ontbreekt kan geen onzer daden Gode behagen. Het Evangelie van Christus schikt zich niet naar de ijdele inbeeldingen en lusten der mensen om hun begeerlijkheden en hartstochten te bevredigen. Integendeel, het is bestemd om hun bedorven neigingen te doden en hen te verlossen van de macht der ijdelheid, opdat zij mogen gebracht worden onder de macht des geloofs. Indien ik nog mensen behaagde, zo zou ik geen dienstknecht van Christus zijn, Galaten 1:10.
3. Zij handelden onder den indruk van Gods alwetendheid, onder het oog van Hem, die de harten beproeft. Dat is inderdaad de grote beweegreden tot oprechtheid, te overwegen dat God niet alleen alles ziet wat wij doen, maar onze gedachten van verre kent en onze harten doorzoekt. Hij is evengoed bekend met onze plannen en voornemens als met onze daden. En het is van dien God, die de harten beproeft, dat wij onze vergelding zullen ontvangen. De bewijzen van des apostels oprechtheid volgen hier, zij zijn deze:
A. Hij vermeed vleierij. Wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, vers 5, gelijk gij weet. Hij en zijn medearbeiders verkondigden Christus en dien gekruisigd, en deden nooit moeite om een deel van de genegenheid der mensen voor zich zelven te winnen, door hen te verheerlijken, te vleien of te bewieroken. Hij was daar verre vandaan, hij vleide de mensen niet in hun zonden, hij predikte hun niet dat zij naar hun goeddunken mochten leven indien zij slechts tot zijn partij behoorden. Hij vleide hen niet met valse hoop, en duldde hun boze werken en levenswandel niet, hun daarbij het leven belovende, en dus pleisterende met loze kalk.
B. Hij vermeed de gierigheid. Hij maakte van zijne bediening geen bedeksel, geen overkleed, voor de gierigheid. God is getuige! Zijn begeerte was niet zich zelven te verrijken door de verkondiging van het Evangelie, dat was zo ver buiten zijn bedoeling, dat hij voor zijn levensonderhoud geen voorwaarden stelde. Hij was niet gelijk de valse apostelen, die door gierigheid, met gemaakte woorden, een koopmanschap maakten van de mensen, 2 Petrus 2:3.
C. Hij vermeed mensen-eer en valse heerlijkheid. Noch zoekende eer van mensen, noch van u noch van anderen, vers 6. Zij verlangden niet naar de beurzen of de begroetingen der mensen, zij wilden niet door hen verrijkt worden, of vereerd, of Rabbi genoemd. De apostel vermaande de Galatiërs, 5:26, niet te zijn zoekers van ijdele eer, zijn zoeken was te verkrijgen de eer die van God is, Johannes 5:44. Hij zegt hun dat hij groter macht had kunnen gebruiken als apostel des Heeren, en groter achting had kunnen eisen, en levensonderhoud had kunnen vorderen, want dat wordt bedoeld met u tot last zijn, maar dan zouden sommigen wellicht dien last te zwaar om te dragen gevonden hebben.