Genesis 9:8-11
Hier is:
I. De algemene vaststelling van Gods verbond met deze nieuwe wereld, en de uitgestrektheid van dat verbond, vers 9, 10. Waar wij opmerken:
1. Dat het Gode genadig heeft behaagd om met de mens te handelen in de weg eens verbonds, waarmee God Zijn welwillende gunst grotelijks verheerlijkt en de mens grotelijks aanmoedigt tot plichtsbetrachting en gehoorzaamheid, als een redelijke en lopende dienst.
2. Dat alle verbonden van God met de mens door Hem zelf gemaakt zijn: Ik, zie, Ik. Dit wordt op die wijze uitgedrukt beide om onze bewondering op te wekken, ("Zie, en verwonder u, dat, hoewel God hoog is, Hij toch die eerbied heeft voor de mens") en om de verzekering van de geldigheid van dit verbond te bevestigen. "Zie, Ik maak dit verbond, Ik die getrouw ben en machtig om het na te komen."
3. Dat Gods verbonden vaster zijn dan de pilaren des hemels en de fundamenten van de aarde, en niet teniet gedaan kunnen worden.
4. Dat Gods verbonden gemaakt zijn met de verbondenen en hun zaad, de belofte is aan hen en hun kinderen.
5. Dat diegenen in het verbond met God opgenomen kunnen worden, en er de voordelen van kunnen ontvangen, die niet instaat zijn om een tegenbeding te maken, of er hun toestemming voor te geven, want dit verbond wordt gemaakt met alle levende ziel, met alle gedierte van de aarde.
II. Het bijzondere doeleinde van dit verbond: het was bestemd om de wereld te beveiligen voor een tweede watervloed, vers 11. Er zal geen vloed meer zijn. God heeft de wereld eens door een watervloed verwoest, en zij is nog even onrein en tergend als ooit tevoren en God voorzag haar boosheid, en toch beloofde Hij haar niet meer door een vloed te verderven, want Hij handelt niet met ons naar onze zonden. Het is aan Gods goedheid en getrouwheid te danken, niet aan enigerlei reformatie of verbetering van de wereld, dat zij niet dikwijls door de wateren overstelpt werd, of er thans niet onder is bedolven. Gelijk de oude wereld verwoest werd om een gedenkteken te zijn van de gerechtigheid, zo bestaat nu de wereld tot op de huidige dag als een gedenkteken van Gods barmhartigheid, volgens de eed van God, dat `de wateren Noach's niet meer over de aarde zouden gaan," Jesaja 54:9. Deze belofte van God houdt de zee en de wolken binnen de haar gestelde perken, zet haar "grendelen en deuren, tot hiertoe zullen zij komen" Job 38:10, 11. Indien de zee slechts voor enige dagen zou vloeien, zoals zij nu tweemaal daags gedurende enkele uren vloeit, welk een verwoesting zou zij aanrichten! En hoe verwoestend zouden de wolken zijn, als de regenbuien, die wij soms hebben, eens lang aanhielden! Maar door vloeiende zeeën en alles-wegvagende regens toont God wat Hij zou kunnen doen in toorn, en door de aarde te bewaren van door die beide overstroomd te worden toont Hij wat Hij doen kan in genade, en doen zal in Zijn getrouwigheid. Laat ons Hem de eer geven van Zijn trouw in het nakomen van Zijn belofte. Deze belofte verhindert echter niet, dat God andere verwoestende oordelen over het mensdom kan brengen, want, hoewel Hij zich hier verbonden heeft om die pijl nooit meer te gebruiken, heeft Hij toch nog andere in Zijn pijlkoker. En evenmin, dat Hij geen bijzondere plaatsen en landen door overstromingen van zee of rivier kan verwoesten. Ook zal het vergaan van de wereld door vuur geen verbreking zijn van deze belofte. De zonde, die de oude wereld heeft doen verwoesten door water, zal deze doen vergaan door vuur.