Genesis 7:21-24
Hier is:
I. De algemene verdelging van alle vlees door de wateren van de vloed. "Komt, aanschouwt de daden des Heeren, die verwoestingen op aarde aanricht", Psalm 46:9, en hoe Hij puinhoop op puinhoop stelt. Nooit heeft de dood, sedert zijn eerste komst, zo gezegevierd als toen. Kom en zie! de dood op zijn vaal paard, en de hel, die hem navolgt, Openbaring 6:7, 8.
1. Al het vee, al het gevogelte, al het kruipend gedierte stierf, behalve de weinigen, die in de ark waren.
Merk op, hoe dit herhaald wordt: vers 21. Alle vlees stierf. Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven, vers 22. Alzo werd verdelgd al wat bestond, vers 23. En waarom dit? Alleen de mens had goddeloos gedaan, en rechtvaardig is Gods hand tegen hem, maar deze schapen wat hebben zij gedaan? Ik antwoord:
a. Wij zijn er zeker van, dat God hun geen onrecht deed, Hij is de vrijmachtige Heer van alle leven, want Hij is er de enige bron en oorsprong van. Hij, die ze gemaakt heeft zoals het Hem behaagde, kon ze ongedaan maken wanneer het Hem behaagde, en wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij? Mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil, het Zijne, dat voor Zijn welbehagen geschapen was?
b. God heeft op bewonderenswaardige wijze door hun verdelging de doeleinden van Zijn eigen heerlijkheid doen dienen, door hun verdelging evengoed als door hun schepping. Hierin zijn Zijn heiligheid en gerechtigheid grotelijks verheerlijkt, hierin blijkt, dat Hij de zonde haat, en een groot mishagen heeft in de zondaren, als zelfs de lagere schepselen, omdat zij de dienaren zijn van de mens, deel uitmaken van zijn bezitting, en misbruikt zijn geworden in de dienst van de zonde, met hem verdelgd worden. Dit maakt het oordeel des te meer merkwaardig des te meer schrikkelijk, en bijgevolg des te meer de uitdrukking van Gods toorn en wraak. De verdelging van de dieren was hun verlossing van de dienstbaarheid van de verderfenis, naar welke verlossing thans het gehele schepsel zucht, Romeinen 8:21, 22. Het was ook een voorbeeld van Gods wijsheid. Gelijk de dieren gemaakt zijn voor de mens, toen hij gemaakt was, zo zijn zij voor hem vermenigvuldigd toen hij vermenigvuldigd werd. Toen nu het mensdom tot zo'n klein aantal was teruggebracht, voegde het dat ook de dieren in gelijke evenredigheid verminderd zouden worden want anders zouden zij overheersend geworden zijn en de aarde hebben vervuld, en dan zou het overblijfsel van het mensdom, dat nog op aarde was gelaten, door hen overmeesterd zijn. Zie, hoe God hieraan ook voor een ander geval indachtig is, Exodus 23:29 :"opdat het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde."
2. Al de mannen, vrouwen en kinderen, die in de wereld waren, (behalve die zich in de ark bevonden) stierven. Alle mens, vers 21, en vers 23, en wellicht waren er toen evenveel op de oppervlakte van de aarde als nu, indien al niet meer. Nu kunnen wij ons:
a. gemakkelijk voorstellen welk een schrik en ontsteltenis zich van hen meester maakten, toen zij zich aldus omsingeld zagen. Onze Heiland zegt ons dat zij tot op de dag, op welke de zondvloed kwam, "aten en dronken," Lukas17:26,27, zij waren in gerustheid en zinnelijkheid verzonken, voordat zij in die wateren verzonken, roepende: Vrede, vrede, voor alle waarschuwingen Gods doof en blind. In die houding heeft de dood hen overvallen, zoals die Amalekieten 1 Samuël 30:16, 17. Maar o in welk een ontzetting waren zij toen! Nu zagen en gevoelden zij wat zij niet wilden geloven en vrezen, nu het te laat is, zijn zij overtuigd van hun dwaasheid, nu vinden zij geen plaats meer van berouw, hoewel zij die met tranen zochten.
b. Nu kunnen wij ook onderstellen dat zij alle mogelijke middelen beproefden tot hun behoudenis, maar tevergeefs. Sommigen klimmen op de toppen van bomen of bergen, en verlengen daarmee hun schrikkelijke toestand voor een wijl. Maar de vloed bereikt hen ten laatste, en zij zijn genoodzaakt om met des te meer nadenken te sterven. Sommigen hebben zich waarschijnlijk vastgeklemd aan de ark, en hopen nu, dat hetgeen hun zolang tot voorwerp van spotternij geweest was, hun thans behoudenis zou bieden. Wellicht zijn sommigen boven op de ark geklommen, denkende, dat zij zich daar wel zullen redden, maar deze komen om, of door gebrek aan voedsel, of zij worden snel door een regenvlaag weggerukt. Anderen hoopten wellicht bij Noach te zullen overmogen om in de ark te worden toegelaten, pleitten wellicht op oude bekendheid met hem: Hebben wij niet in uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken? Hebt gij niet in onze straten geleerd? "Ja", zou Noach kunnen zeggen, "dat heb ik menigmaal gedaan, maar met heel weinig gevolg. "Ik heb geroepen, maar gijlieden hebt geweigerd, gij hebt al mijn raad verworpen," Spreuken 1:24, 25, en nu staat het niet in mijn macht u te helpen, God heeft de deur gesloten, en ik kan haar niet openen." Zo zal het ook wezen op de grote dag. Noch het hoog klimmen in uitwendige belijdenis, noch het zich beroepen op hun betrekking tot Godvruchtige personen zal de mensen in de hemel brengen, Mattheus 7:22. Zij die niet gevonden worden in Christus, de Ark, zijn gewis verloren, voor eeuwig verloren. De zaligheid zelf kan hen niet zalig maken, zie Jesaja 10:3.
c. Wij kunnen onderstellen, dat sommigen van hen die omkwamen in de zondvloed, zelf Noach geholpen hebben, of door hem gebruikt werden bij het bouwen van de ark, en toch zijn zij niet zo wijs geweest, om door berouw en bekering er zich een plaats in te verzekeren. Zo zullen goddeloze leraren, hoewel zij het middel kunnen geweest zijn om anderen naar de hemel te helpen, zelf neergeworpen worden in de hel.
Laat ons nu een wijle stilstaan en nadenken over dit ontzaglijk oordeel Gods! Laat ons hart de verschrikking overdenken, de verschrikking van deze verdelging! Laat ons aanschouwen en zeggen: Vreeslijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. Wie zal bestaan voor Zijn aangezicht, van de tijd Zijns toorns af? Laat ons aanschouwen en zeggen: Het is kwaad en bitter om de Heere, onze God te verlaten. Zonder berouw en bekering zal de zonde van de zondaren, vroeg of laat, hun verderf wezen, indien God waarachtig is, dan zal het zo zijn. Al ware hand aan hand zo zal de boze niet ongestraft blijven, Spreuken 11:21. De rechtvaardige God weet hoe een zondvloed over de wereld van de goddelozen te brengen 2 Petrus 2:5. Elifaz beroept zich op deze geschiedenis als een blijvende waarschuwing aan een zorgeloze wereld, Job 22:15,16. Hebt gij, het pad van de eeuw waargenomen dat de ongerechtige lieden betreden hebben? Die uitgeroeid zijn als het de tijd niet was-en in de eeuwigheid werden heengezonden- over wier grond een vloed is uitgestort.
II. De bijzondere bewaring van Noach en zijn gezin, vers 23. Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was.
Noach leeft, als allen om hem heen gedenktekenen zijn van Gods gerechtigheid, duizenden vallen aan zijn rechterhand en tien duizenden aan zijn linkerhand, en hij is daar als een gedenkteken van Gods genade, "alleen aanschouwt hij het met zijn ogen, en ziet de vergelding van de goddelozen," Psalm 91:7, 8. "In de overloop van grote wateren hebben zij hem niet aangeraakt," Psalm 32:6. Wij hebben reden te denken, dat Noach, terwijl de lankmoedigheid Gods wachtte, niet slechts voor die boze wereld gepredikt, maar ook gebeden heeft, en de toorn zou hebben willen afwenden, maar zijn gebeden keerden weer in zijn boezem, en vonden slechts verhoring in zijn eigen behoud, waarnaar duidelijk verwezen wordt in Ezechiël 14:14, Noach, Daniël en Job zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden. Een teken van de eer zal op voorbidders worden gesteld. Noach alleen bleef over, hij leeft, maar dat is alles, hij is ook, om zo te zeggen, levend begraven, opgesloten in een enge ruimte, verontrust door de verschrikkingen van de neerstortende regen, van de toenemende vloed, de wanhoopskreten van zijn stervende naburen-zijn hart overstelpt door de treurige gedachte aan de aangerichte verwoesting. Maar hiermede vertroost hij zich, dat hij op de weg des plichts is, en ook op de weg van de uitredding. En in Jeremia 45:4, 5, wordt ons geleerd, dat wij, als verwoestende oordelen zijn uitgegaan, ons geen grote of aangename dingen moeten zoeken, maar het als een onuitsprekelijk groot voorrecht moeten achten, als onze ziel, dat is ons leven, ons tot een buit wordt gegeven.