Genesis 7:17-20
Hier wordt ons meegedeeld:
1. Gedurende hoe lange tijd de vloed toenam, veertig dagen, vers 17. De onheilige wereld, die niet geloofde dat hij komen zou heeft zich waarschijnlijk, toen hij gekomen was gevleid met de hoop, dat hij wel spoedig zou afnemen, en nooit tot het uiterste zou komen maar nog altijd bleef hij toenemen, hij had de overhand. Als God oordeelt, zal Hij overwinnen. Als Hij begint, zal Hij voleindigen- zowel in oordeel als in genade is Zijn weg volkomen. Het langzame en trapsgewijze naderen van Gods oordelen, dat bestemd is om de zondaren tot bekering te brengen, wordt dikwijls door hen misbruikt, zodat zij zich verharden in hun boze weg.
2. In welke mate zij toenamen, zij verhieven zich zó hoog, dat niet slechts de lage, vlakke landen overstroomd werden, maar, opdat niemand zou ontkomen, werden ook de toppen van de hoogste bergen door de wateren bedekt vijftien ellen omhoog rezen de wateren. Zodat men "het waarlijk tevergeefs van de heuvelen en de menigte van de bergen verwachtte," Jeremia 3:23. Geen van Gods schepselen zijn zo hoog, dat Gods macht ze niet te boven zou gaan, en Hij zal hun doen weten, dat in de zaak, waarin zij trots handelen, Hij boven hen is. Wellicht zijn de toppen van de bergen door de kracht van de wateren losgewoeld, hetgeen er veel toe bijdroeg om de wateren de overhand over hen te doen hebben, want er is gezegd, Job12:15:"Hij zendt de wateren uit," en dan overstromen zij de aarde niet slechts, maar keren haar om. Aldus werd de toevlucht van de leugen weggevaagd, en hebben de wateren de schuilplaats dier zondaren overstroomd, Jesaja 28:17, en tevergeefs zijn zij er heengesneld om er veiligheid te vinden, Openbaring 6:16. Nu weken de bergen en wankelden de heuvelen, en niets kon de mens van dienst zijn dan "het verbond des vredes," Jesaja 54:10. Er is op aarde geen plaats zó hoog, dat de mens er buiten het bereik is van Gods oordelen, Jeremia 49:16, Gods hand zal al Zijn vijanden vinden, Psalm 21:9.
Merk op hoe nauwkeurig zij gepeild zijn, (vijftien ellen) niet door Noach's dieplood, maar door de kennis van Hem "die de wateren opwoog in mate," Job 28:25.
3. Wat werd er van Noach's ark, toen de wateren aldus toenamen? Zij hieven haar op, zodat zij oprees boven de aarde, vers 17, en zij ging op de wateren, vers 18. Toen alle andere gebouwen door de wateren neergeworpen en er onder bedolven werden, bleef de ark alleen bestaan. De wateren, die alle andere dingen verbraken en terneder wierpen, droegen de ark. Hetgeen voor de ongelovigen een reuke des doods is ten dode, is voor de gelovigen een reuke des levens ten leven. Hoe meer de wateren toenamen, hoe hoger de ark opgeheven werd ten hemel. Aldus zijn geheiligde beproevingen geestelijke bevorderingen, en als de benauwdheden overvloedig zijn, zullen de vertroostingen nog veel meer overvloedig wezen.